Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH6944

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
05/900510-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van moord, doodslag, dood door schuld van moeder op twee maanden oude baby.

De rechtbank stelt vast dat verdachte betrokken is bij de dood van haar kind. De verdachte moet vrijuit gaan, omdat de feitelijke gedragingen en intenties van de verdachte niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM,

zitting houdende te Utrecht

Sector strafrecht

parketnummer: 05/900510-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1967] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. B. Molenaar, advocaat te Arnhem

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 december 2008 en

6 maart 2009.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. De beoordeling van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen

dat het overlijden van [slachtoffer] het gevolg is van op haar hoofdje uitgeoefend heftig botsend geweld en

dat de verdachte bij die geweldsuitoefening betrokken is geweest.

Waar het (tegen de achtergrond van de tenlastelegging) vervolgens op aan komt is de vraag of de verdachte ten aanzien van die geweldsuitoefening ‘voorbedachte raad’, ‘opzet’, al dan niet in voorwaardelijke vorm, dan wel ‘schuld’ moet worden toegedicht.

De rechtbank stelt vast dat voor ‘voorbedachte raad’ in het dossier en in de behandeling ter zitting geen bewijs is gevonden. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van het ten laste gelegde vrijspreken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van bij de verdachte bestaand opzettelijk handelen. Zij baseert zich daarbij met name op de ongeloofwaardigheid van het door de verdachte gepresenteerde scenario, dat uitgaat van het per ongeluk (accidenteel) (twee maal) laten vallen van de baby, en op de bevindingen van de forensisch geneeskundige Bilo die er in de kern op neerkomen dat de door de verdachte afgelegde verklaringen en de manier waarop de verdachte heeft verklaard, in combinatie met het vastgestelde letsel zeer suggestief zijn voor een niet-accidentele oorzaak, oftewel suggestief zijn voor kindermishandeling. Volgens de officier van justitie moet aldus wel tot de conclusie worden gekomen dat opzettelijk is gehandeld door verdachte.

De verdediging sluit in haar standpunt aan bij de verklaring van verdachte dat zij [slachtoffer] twee keer heeft laten vallen. De verdediging acht de verklaringen van verdachte niet onbetrouwbaar, ook al heeft haar verklaring zich ontwikkeld in de loop van de verhoren. Verdachte heeft niet opzettelijk gehandeld. Er is geen bewijs voor één van de opzettelijke gedragingen zoals die zijn ten laste gelegd, ook niet in voorwaardelijke vorm. Verdachte heeft geen motief voor het doden van haar kind. Er is sprake van een tragisch ongeluk.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat van culpoos handelen geen sprake is, omdat niet is vast te stellen of het alcoholgebruik van verdachte van invloed is geweest. Het oorzakelijk verband tussen het alcoholgebruik en de gedragingen en het oorzakelijk verband tussen de gedragingen en het letsel kan niet worden vastgesteld.

De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging naar de mening van de verdediging.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat bewijsbaar sprake is geweest van ‘opzet’ niet. Daarvoor is het volgende van belang.

Weliswaar acht Bilo het door de verdachte gepresenteerde (accidenteel) scenario onverenigbaar met zijn bevindingen, maar dit noopt niet tot de conclusie dat er (dus) sprake is geweest van opzet. De mogelijkheid van andere accidentele oorzaken van het letsel kan op basis van de bevindingen van Bilo immers niet worden uitgesloten. Bovendien is een andere deskundige, de patholoog Maes, de mening toegedaan dat het door de verdachte gepresenteerde scenario het letsel mogelijk wel zou kunnen verklaren. Kortom, de bevindingen van de deskundigen zijn niet concludent voor de bewezenverklaring van opzettelijk handelen. De beweerdelijke ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte, waarover hierna meer, is dit uiteraard evenmin.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, ook in onderling verband bezien, de overtuiging -voorbij redelijke twijfel- dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood dan wel (zwaar) lichamelijk letsel van [slachtoffer] niet kunnen dragen. Hieruit volgt dat de verdachte van de eerste drie in de tenlastelegging omschreven verwijten zal worden vrijgesproken.

Dan resteert de vraag of de verdachte ‘dood door schuld’ kan worden verweten. Het bewijs voor dit verwijt moet in deze casus voornamelijk worden ontleend aan de door de verdachte zelf afgelegde verklaring omtrent de toedracht van de geweldsuitoefening. Ander bewijs, bijvoorbeeld als resultaat van forensisch technisch onderzoek in de woning of aan kleding van de verdachte, is niet voorhanden. Die verklaring van de verdachte komt er in de kern op neer dat verdachte nadat zij alcoholhoudende drank had genuttigd [slachtoffer] twee keer per ongeluk heeft laten vallen. Een eventuele bewezenverklaring vereist dat de rechtbank voorbij redelijke twijfel de overtuiging heeft gekregen dat deze verklaring van de verdachte een juiste en waarheidsgetrouwe weergave biedt van de feitelijke gang van zaken. Die overtuiging heeft de rechtbank niet gekregen.

Bij deze beoordeling spelen onder meer de volgende feiten en omstandigheden een rol.

In de eerste plaats zijn er de eerdergenoemde objectieve bevindingen van de deskundige Bilo in samenhang met de bevindingen van de oogpatholoog die de geloofwaardigheid van het scenario van de verdachte ernstig ter discussie stellen.

Voorts valt op dat de verdachte in de loop van het voorbereidend onderzoek meerdere uiteenlopende scenario’s heeft geschetst . Deze gang van zaken rechtvaardigt in ieder geval de conclusie dat verdachte niet altijd bereid is (geweest) naar waarheid te verklaren.

Tevens heeft de officier van justitie er terecht op gewezen dat de verdachte omtrent de details van het als laatste gepresenteerde scenario niet altijd even consistent verklaart. Zo heeft zij de wijze waarop [slachtoffer] zou zijn gevallen op diverse manieren uitgebeeld.

Tot slot geven de blinde vlekken in het geheugen van de verdachte, waarvoor de geraadpleegde gedragskundigen geen verklaring kunnen geven, aanleiding tot twijfel aangaande de vraag of de verdachte wel naar waarheid c.q. de volledige waarheid heeft verteld.

Ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte dus worden vrijgesproken.

Hieruit volgt dat de rechtbank weliswaar de conclusie van de verdediging deelt, maar dat zij die baseert op een andere grondslag.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat, ondanks de vaststelling van betrokkenheid van de verdachte bij de dood van haar kind, de verdachte vrijuit moet gaan, omdat de feitelijke gedragingen en intenties van de verdachte niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst vanuit maatschappelijk dan wel moreel oogpunt als onbevredigend kan worden ervaren. Niettemin is die uitkomst in het licht van de hiervoor weergegeven beoordeling van de rechtbank vanuit bewijsrechtelijk oogpunt de enig juiste.

4. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde feit.

De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. J.F. Dekking, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 maart 2009.