Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH6672

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
587488 UC EXPL 08-11198 LH
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vakbonden, partijen bij de CAO voor de bituminieuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven, vorderen van de werkgeversorganisatie, CAO-partij ter andere zijde, naleving van de reisurenvergoeding en vervoermiddelenvergoeding in art. 17 en 18 van de CAO. De betreffende werknemers, die op locatie dakdekkerswerk verrichten, plegen via het bedrijfsterrein van hun werkgever naar die locatie te reizen. Uitleg van de in de CAO gebruikte begrippen '(werk)object' en 'het werk' naar de zogenoemde 'CAO-norm, óók in een geding tussen de CAO-partijen. Vordering van de vakbonden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 587488 UC EXPL 08-11198 LH

vonnis d.d. 18 maart 2009

inzake

de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid

1. De Nederlandse Christelijke Bond van Werknemers in de Hout- en Bouwnijverheid,

gevestigd te Odijk,

en

2. De Nederlandse Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid,

gevestigd te Woerden,

verder samen ook te noemen de vakbonden,

eisende partij,

gemachtigde: mr. F. Vos,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland Vebidak,

gevestigd te Nieuwegein,

verder ook te noemen Vebidak,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.E. Hoetink.

Verloop van de procedure

De vakbonden hebben een vordering ingesteld.

Vebidak heeft geantwoord op de vordering.

De vakbonden hebben voor repliek en Vebidak heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. Partijen hebben met elkaar achtereenvolgende collectieve arbeidsovereenkomsten (cao) voor de bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven gesloten, laatstelijk die welke is aangegaan voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 april 2010.

1.2. Sinds maart 1993 kent de cao een - in de loop der tijd nagenoeg ongewijzigd gebleven -regeling van de ‘reisurenvergoeding’, laatstelijk opgenomen in artikel 17, en van een ‘vervoermiddelenvergoeding’, in artikel 18 van de cao. Artikel 17 luidt sinds 1 januari 2008 als volgt: ‘1. Indien een werknemer door een werkgever te werk wordt gesteld op een werkobject dat buiten zijn woonplaats is gelegen, is de werknemer verplicht voor de reis van de woonplaats naar object vice versa gebruik te maken van een door de werkgever aan te wijzen vervoermiddel, mits dit aan de door de wet gestelde eisen voldoet, hetgeen, indien dit vervoermiddel een auto is, moet blijken uit een erkend veiligheidsvignet of een ander bewijs van onderhoud, niet ouder dan zes maanden. 2. De duur van de reis, welke wordt gemaakt met een: a. door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel; b. eigen vervoermiddel; zal door de werkgever aan de werknemer worden vergoed tegen het geldende garantie-uurloon, behoudens de eerste 60 minuten per dag. In afwijking van het in het voorgaande bepaalde zal de gehele duur van de reis aan de werknemer, die optreedt als bestuurder van een vervoermiddel als genoemd onder a of b, worden vergoed. 3. Onder ‘duur van de reis’ bedoeld in lid 2 wordt verstaan het tijdsverloop tussen het vertrek van het vervoermiddel naar het werk en de aankomst op het werk, alsmede het tijdsverloop terug van het werk naar de plaats van vertrek. De duur van de reis wordt door de werkgever en werknemer in onderling reëel overleg vastgesteld, zulks met inachtneming van de af te leggen route.

4. Indien de totale duur van de arbeidstijd, rusttijd en reistijd, gerekend van het ogenblik van vertrek van een vervoermiddel, als genoemd in lid 1 tot het ogenblik van terugkomst daarvan per dag meer bedraagt dan 12 uur zal de normale arbeidstijd met het meerdere moeten worden gekort. Over de rusttijd wordt geen loon uitbetaald.’

Artikel 18 lid 1 van de cao bepaalt: ‘Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, bij het zich naar en van het werk begeven, gebruik moet maken van een eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden gebruik maakt, zal hem een vervoermiddelenvergoeding worden betaald.’

1.3. De cao is vrijwel uitsluitend van toepassing op werknemers, tot wier bedongen arbeid dakdekkerwerkzaamheden behoren, in dienst van bij Vebidak aangesloten werkgevers. De cao kent de functies van dakassistent, (aankomend) dakdekker, en voorman-dakdekker.

Hun werkzaamheden worden verricht op wisselende locaties. In de branche is het niet ongebruikelijk dat werknemers, die in deze ambulante functies werkzaam zijn, zich ’s ochtends op het bedrijfsterrein van hun werkgever (moeten) verzamelen om vervolgens samen naar de locatie te worden vervoerd waar zij die dag hun werk verrichten. Het komt voor dat zij dan op dat bedrijfsterrein reeds (voorbereidende) werkzaamheden verrichten, zoals het inladen van materialen of gereedschappen in de bedrijfsbus waarmee zij naar de bedoelde locatie worden gebracht.

1.4. Op 12 juni 1995 heeft de kantonrechter te Hoorn in een geschil tussen een dakdekker

([werknemer]) en diens werkgever[naam]) over de toepassing van de vervoermiddelenvergoeding, destijds opgenomen in artikel 14 van de cao, bij onherroepelijk vonnis (rolnummer 1582/94) beslist dat bij ‘een strikte uitleg’ van dit artikel de dakdekker jegens zijn werkgever geen aanspraak kon maken op een reiskostenvergoeding. Wél achtte de kantonrechter het, gezien de omstandigheden van het geval, redelijk en billijk dat [naam] aan [werknemer] een fl. 2.500,-- aan vergoeding voor woon-werkverkeer betaalde.

1.5. In afwachting van de uitspraak in genoemde procedure hebben de vakbonden en Vebidak op 7 maart 1995 overlegd over de vergoeding van het woon-werkverkeer, waarop werknemers ingevolge de cao aanspraak zouden kunnen maken.

1.6. In een geschil tussen de Bouw- en Houtbond FNV en Ballast Nedam Grond en Wegen Specialiteiten B.V. over de nakoming van artikel 23 van de toenmalige cao voor bouwbedrijf jegens werknemers die belast zijn met wegwerkzaamheden op locatie, heeft de rechtbank Dordrecht bij vonnis van 20 december 2000 (rolnummer 33474 HA ZA 00-2330) in hoger beroep beslist dat onder ‘reisuren’ in de zin van die cao-bepaling moet worden verstaan ‘de tijd die het zogenaamde ‘woon-werkverkeer’ in beslag neemt.’ Gelet op de - door de rechtbank aangenomen - ‘verplichting voor de werknemers op een bepaald tijdstip op de vestiging te Leerdam te verzamelen’ heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld ‘dat de arbeidstijd van de betreffende werknemers aanvangt op het tijdstip waarop zij bij Ballast Nedam in Leerdam aanwezig moeten zijn, nog los van de vraag of zij daar nog werkzaamheden moeten verrichten. Vanaf dat tijdstip dienen zij zich beschikbaar te houden voor de werkgever. De vestiging van Ballast Nedam te Leerdam moet derhalve worden beschouwd als ‘het werk’ als bedoeld in artikel 23, eerste lid van de CAO, ook al worden de werkzaamheden (grotendeels) op een andere plaats verricht. Hieruit volgt dat de tijd waarin de werknemers zich vervolgens per bedrijfsauto verplaatsen naar de werkplek ook als arbeidstijd moet worden aangemerkt en uitbetaald.’

De vordering en de standpunten van partijen

2.1. De vakbonden vorderen de veroordeling van Vebidak om de cao stipt en correct na te komen, in het bijzonder door haar leden te adviseren om bij de toepassing van de artikelen

17 en 18 van de cao - ten eerste - de uren die hun werknemers reizen van het adres c.q. bedrijfsterrein van de werkgever naar de plek waar zij hun feitelijke werkzaamheden uitvoeren niet aan te merken als reisuren maar als (over)werkuren, en - ten tweede - de uren die werknemers van hun woonplaats naar het bedrijfsterrein van hun werkgever reizen aan te merken als reisuren in de zin van artikel 17 van de cao, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,-- per dag(deel) dat Vebidak in gebreke blijft hieraan te voldoen. Voorts vorderen de vakbonden de veroordeling van Vebidak om aan hen te voldoen € 7.500,-- aan schadevergoeding en € 1.000,-- exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Vebidak in de proceskosten.

2.2. De vakbonden leggen aan hun vordering ten grondslag dat artikel 17 van de cao aldus moet worden uitgelegd dat de reisurenvergoeding van toepassing is op zowel aan de werknemers die vanaf hun woonplaats rechtstreeks naar de locatie gaan waar zij hun dakdekkerwerk verrichten, als op de werknemers die geacht worden via het bedrijfsterrein van hun werkgever naar die locatie te reizen. Onder ‘het werk’ in de zin van het tweede lid van bedoelde cao-bepaling moet worden begrepen, zowel de bedoelde locatie, in de cao ook ‘(werk)object’ genoemd, als het vestigingsadres van de werkgever, zijnde het verzamelpunt waar de werknemers zich voor de werkgever beschikbaar moeten houden. Reist de werknemer via het bedrijfsterrein van zijn werkgever, dan neemt ’s ochtends bij aankomst aldaar de arbeidstijd een aanvang, ook indien daar nog geen werkzaamheden worden verricht. De vakbonden beroepen zich hiervoor op het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 20 december 2000. De tijd die in genoemde situatie gemoeid is met de reis van de woonplaats van de werknemer naar het bedrijfsterrein van de werkgever moet worden aangemerkt als reistijd en overeenkomstig artikel 17 van de cao worden vergoed. De vakbonden betwisten dat zij op 7 maart 1995 met Vebidak overeenstemming hebben bereikt over de uitleg van de reisurenvergoeding in de cao. De vakbonden vorderen vergoeding van de reputatieschade die zij door de opstelling van Vebidak lijden.

3. Vebidak betwist de vordering. De vakbonden zijn niet ontvankelijk in hun vordering, allereerst omdat met de onderhavige procedure verkapt hoger beroep wordt ingesteld tegen het indertijd onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter te Hoorn van 12 juni 1995. Hierdoor wordt opnieuw, 13 jaren na dato, dezelfde rechtsvraag voorgelegd als die waarover indertijd is beslist. De vakbonden kunnen bovendien niet in hun vordering worden ontvangen, omdat in de branche geen geschillen bestaan over de toepassing van de reisurenvergoeding. De vakbonden ontberen daarom een belang bij hun vordering.

Indien aan een beoordeling van de zaak ten gronde wordt toegekomen, moet de vordering worden afgewezen, reeds omdat gedaagde sub 2 in het kader van de procedure die in 1995 bij de kantonrechter te Hoorn aanhangig was, heeft erkend dat de cao geen recht geeft op een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Dat blijkt uit de in die procedure overgelegde brief van 11 april 1995 van de Bouw- en Houtbond van de FNV. Overigens blijkt uit de werkingssfeer, de bewoordingen en het systeem van de cao dat onder ‘het werk’ in de zin van artikel 17 lid 3 uitsluitend de dakdekkerwerkzaamheden op locatie moeten worden verstaan, terwijl alleen òfwel de tijd die gemoeid is met de rechtstreekse reis van de woonplaats van de werknemer naar die locatie (en vice versa) òfwel die welke gemoeid is met het vervoer van het bedrijfsterrein van de werkgever naar die werklocatie (en terug) kan worden aangemerkt als reistijd, die overeenkomstig artikel 17 wordt vergoed.

De beoordeling van het geschil

De ontvankelijkheid

4.1. De door Vebidak opgeworpen ontvankelijkheidsweren falen. Van een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Hoorn van 12 juni 1995 is geen sprake, omdat dat vonnis is gewezen tussen andere partijen. De eisende partij, een individuele werknemer, werd weliswaar bijgestaan door een juridisch medewerker bij de rechtskundige dienst van de FNV, maar ook eiseres sub 2 (of haar rechtsvoorgangster) was geen procespartij. Nog daargelaten dat in het burgerlijk procesrecht de regel ‘ne bis in idem’ niet als zodanig geldt, doet deze situatie zich hier derhalve ook niet voor.

4.2. Dat thans in de branche geen geschillen bestaan over de beantwoording van de vraag die de vakbonden in de onderhavige procedure ter beslechting voorleggen, brengt niet met zich mee dat zij bij die vordering geen belang hebben. Hun leden zullen er in het algemeen bij zijn gebaat dat geen onduidelijkheid (meer) bestaat over de uitleg van de cao waaraan zij zijn gebonden, terwijl die leden bij toewijzing van de vordering ook een financieel belang hebben.

De zaak ten gronde

5.1. De kantonrechter zal de beide eerste onderdelen van de hoofdvordering in omgekeerde volgorde behandelen. Het tweede deel van de vordering ziet op de vraag naar de aanspraak op reistijdvergoeding die werknemers aan de cao voor de bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven kunnen ontlenen. Bij de beoordeling van de vordering komt het daarmee aan op de uitleg van artikel 17 van die cao. Niet in geschil is dat de begrippen ‘de duur van de reis’ en ‘het werk’, als genoemd in de leden 2 en 3 van artikel 17 van de cao, dienen te worden uitgelegd in samenhang met het bepaalde in het eerste lid van dat artikel. De vordering kan niet (mede) worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 18 van de cao, dat een regeling geeft voor andersoortige vergoedingen, in het bijzonder de vervoermiddelen-vergoeding. Dat (de rechtsvoorgangster van) eiseres sub 2 zich eerder, bij brief van 11 april 1995, in een bepaalde zin over die cao-bepaling heeft uitgelaten, speelt daarom thans geen rol van betekenis.

5.2. Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van een cao geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (vgl. Hoge Raad 17 september 1993 NJ 1993,173). Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de toelichting zijn gesteld. Dit geldt evenzeer als het geschil omtrent de uitleg is gerezen tussen de partijen die bij de totstandkoming van de cao waren betrokken, nu niet kan worden aanvaard dat een in een cao opgenomen beding, dat bedoeld is om tussen individuele werknemers en werkgevers te werken, op verschillende wijze zou moeten worden uitgelegd al naar gelang wie bij een geschil daaromtrent als procespartijen optreden (vgl. Hoge Raad 26 mei 2000 NJ 2000,473). Bij de uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. Hoge Raad 31 mei 2002 JAR 2002,153).

5.3. Op grond hiervan kan in het midden blijven wat partijen, als contractspartijen bij (een eerdere versie van) de cao, op 7 maart 1995 met elkaar hebben besproken en of zij daarover overeenstemming hebben bereikt, nog afgezien van de vraag of zij toen alsnog hebben vastgelegd wat zij eerder, bij de totstandkoming van de reisurenvergoedingsregeling, hebben bedoeld, of dat zij, ter beëindiging van het naderhand gerezen geschil over de uitleg van die regeling, tot een compromis zijn gekomen. Niet gesteld of gebleken is dat de ‘Notitie cao-reiskostenvergoeding’ van Vebidak, die overigens eerst op 6 december 2006 is opgesteld, ter kennis is gebracht van de achterban van partijen of anderszins is gepubliceerd.

5.4. Met Vebidak is de kantonrechter van oordeel dat aan het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 20 december 2000, gewezen in de zaak tussen de Bouw- en Houtbond FNV en Ballast Nedam, geen doorslaggevende argumenten kunnen worden ontleend ten voordele van het thans door de vakbonden ingenomen standpunt. In die zaak ging het om een andere cao, te weten die voor het bouwbedrijf, die weliswaar ook een regeling ter vergoeding van reistijd kende, maar die anders was geredigeerd dan die van de cao die thans ter uitlegging voorligt. Het eerste lid van artikel 23 van de toenmalige cao voor het bouwbedrijf luidde: ‘Onder reisuren worden verstaan de uren gedurende welke gereisd wordt van de woning tot het werk en terug. Zij moeten worden vergoed indien de arbeid in een andere dan de woongemeente van de werknemer plaatsvindt. Daarbij dient de werkgever de bepalingen van lid 2 in dit artikel in acht te nemen.’ In dat tweede lid was bepaald dat de reistijd (‘de duur van de reis’), voor zogenoemde meerijders met uitzondering van de eerste 60 minuten per dag, werd vergoed tegen het voor de betreffende werknemer geldende garantie-loon. Gezien de tekst van het eerste lid van dit artikel 23 heeft de rechtbank te Dordrecht indertijd onder reisuren verstaan de tijd die het zogenaamde ‘woon-werkverkeer’ in beslag neemt en rees in die procedure geen geschil over de uitleg van het begrip ‘(werk)object’ in relatie tot de term ‘het werk’, zoals dat in het onderhavige geschil het geval is. Waar de bouw-cao in genoemd artikel 23 de reistijd tussen woning en werk vergoedde, zij het met een aftrek van een uur per dag, betrof de kern van de Dordtse zaak dan ook met name de vraag op welk moment de werktijd van de werknemers van Ballast Nedam een aanvang nam. De vraag die bij de beoordeling van het tweede deel van de hoofdvordering van de vakbonden thans moet worden beantwoord, is een andere.

5.5. Bij de uitleg van de cao voor de bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven is de oorzaak van het geschil erin gelegen dat het eerste lid van artikel 17 aan de werknemer de verplichting oplegt om voor de reis van zijn woonplaats naar het ‘(werk)object’, indien dit buiten zijn woonplaats ligt, gebruik te maken van een door zijn werkgever aangewezen vervoermiddel, dat het tweede lid over ‘de duur van de reis’ het garantie-loon (met een aftrek van een uur per dag) toekent, terwijl het derde lid onder ‘duur van de reis’ verstaat de tijd tussen het vertrek naar en de aankomst op ‘het werk’ (en vice versa). Dit roept de vraag op hoe beide begrippen ‘(werk)object’ en ‘het werk’ zich tot elkaar verhouden, met name in de situatie dat de werknemer zich niet rechtstreeks vanaf zijn woning, maar via het bedrijfsterrein van de werkgever naar de locatie begeeft waarop hij die dag zijn dakdekkerwerk dient te verrichten.

5.6. De grammaticale uitleg van het begrip ‘het werk’ levert geen aanwijzing op voor de reikwijdte van de reisurenvergoedingsregeling van artikel 17 van de cao, omdat dit woord in het spraakgebruik zowel ziet op het werkwoord arbeiden als op de plaats waar wordt gewerkt, terwijl daarbij in het midden blijft wat onder werk(en) moet worden verstaan en waar en wanneer dat begint (en eindigt). Nu het in de branche niet ongebruikelijk is dat via het bedrijfsterrein van de werkgever wordt gereisd en daar nu eens wèl en dan weer niet reeds wordt gewerkt, wijst een taalkundige uitleg niet in de richting van de door de vakbonden voorgestane uitleg. Voor die uitleg zijn ook in de elders in de cao gebruikte formuleringen geen dwingende aanwijzingen te vinden, nu de begrippen ‘het werk’ en ‘object’ daarbij in wisselende betekenissen worden gebruikt. Zo komen in artikel 14 van de cao, dat de titel ‘arbeidsomstandigheden’ draagt, zowel het begrip ‘het werk’ (waar het in lid 2 om de voorhandenheid van een EHBO-doos gaat) als ‘een object’ (in lid 5 dat handelt over de cursus ‘Gezond en veilig werken op het dak’) voor. Ogenschijnlijk hebben partijen bij de totstandkoming van de cao aan de consistentie van de redactie van de bepalingen niet steeds de vereiste zorg besteed.

5.7. Nu de eerste drie leden van artikel 17 in hun onderlinge samenhang dienen te worden begrepen, hecht de kantonrechter - anders dan de vakbonden - geen gewicht aan het gebruik van de verschillende begrippen ‘(werk)object’ en ‘het werk’ in respectievelijk het eerste en het derde lid. Waar in het derde lid, bij de definitie van het begrip ‘duur van de reis’, het woord ‘het werk’ wordt gebruikt, heeft dit geen (uit de bewoordingen en het systeem van de cao) kenbare andere strekking dan om, langs de band van het tweede lid waarin de vergoeding is gekoppeld aan ‘de duur van de reis’, aan te sluiten bij de in het eerste lid bedoelde situatie en het daarin gebruikte begrip ‘(werk)object’. De ‘duur van de reis’ als bedoeld in het derde lid is daarmee gelijk aan de tijd die is gemoeid met ‘de reis van de woonplaats naar object vice versa’ als bedoeld in het eerste lid, die de werknemer van zijn woonplaats naar het werkobject, gelegen buiten zijn woonplaats, (en terug) voert. Gezien de aard van het (dakdekker)werk en de wijze waarop door de dakdekkers wordt gewerkt, te weten: op steeds wisselende locaties die op (kortere of langere) afstand van de vestigingsplaats van de werkgevers zijn gelegen, moet worden aangenomen dat met het begrip ‘(werk)object’ van het eerste lid, nu dat lid ziet op de tewerkstelling van de werknemer op een bepaald werkobject, betrekking heeft op die wisselende locaties, en niet (ook) op het bedrijfsterrein van de werkgever. Hieruit volgt dat artikel 17 van de cao uitsluitend een reistijdvergoeding toekent voor de situatie dat de werknemer rechtstreeks van zijn woonplaats naar de locatie reist waarop hij die dag zijn dakdekkerwerk verricht en dat hem die vergoeding, in de situatie dat via het bedrijfsterrein van de werkgever wordt gereisd, slechts kan toekomen over de reistijd tussen dat bedrijfsterrein en de bedoelde locatie.

5.8. Voor deze uitleg pleit ook nog het volgende. In de door de vakbonen voorgestane uitleg van de begrippen ‘(werk)object’ en ‘het werk’ is niet te verklaren waarom in het derde lid van artikel 17 de ‘duur van de reis’ wordt gedefinieerd met gebruikmaking van de woorden ‘het vertrek van het vervoermiddel’. Indien de strekking van de bepaling zou zijn dat de werknemer, zoals de vakbonden menen, ook recht heeft op vergoeding van de reistijd tussen zijn woonplaats en het bedrijfsterrein van de werkgever, had de ‘duur van de reis’ eenvoudiger kunnen worden gedefinieerd, of zou aan een definitie - zoals indertijd in de cao voor het bouwbedrijf - in het geheel geen behoefte hebben bestaan.

5.9. De kantonrechter acht de rechtsgevolgen van de door Vebidak bepleite uitleg ook aannemelijker dan die van de door de vakbonden verdedigde interpretatie. Niet aannemelijk is dat partijen bij de cao, in het besef dat het voorkomt dat werkgevers in de branche hun werknemers, die op geruime afstand van de vestigingsplaats van hun werkgever wonen, plegen in te zetten op locaties die zich in de nabije omgeving van die vestigingsplaats bevinden, ervoor zouden hebben gekozen om ook die werkgevers te verplichten de - dan relatief lange - tijd te vergoeden die hun werknemers onderweg zijn tussen hun woonplaats en het bedrijfsterrein. De hierboven door de kantonrechter gevolgde uitleg leidt tot het in het maatschappelijke verkeer overigens aannemelijk geachte rechtsgevolg dat werknemers het risico dragen van de keuze van de woonplaats. Zij die dit risico te zwaar vinden wegen, kunnen ervoor kiezen om dichter bij hun werkgever te gaan wonen.

5.10. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het tweede deel van de hoofdvordering van de vakbonden wordt afgewezen. Dit lot treft ook het eerste deel ervan, dat ziet op de reistijd tussen het bedrijfsterrein van de werkgever en de locatie waarop het dakdekkerwerk wordt verricht. Dit deel van de vordering is te algemeen gesteld om te kunnen worden toegewezen, omdat het van de omstandigheden van het geval afhangt waar en op welk moment de werknemers hun bedongen arbeid aanvangen en beëindigen. Nu het in de branche voorkomt dat op het bedrijfsterrein, voorafgaand aan het vervoer naar de locatie, reeds (voorbereidende) werkzaamheden worden verricht, maar ook dat zulks niet het geval is, terwijl werknemers nu eens wèl (zoals in 2000 bij Ballast Nedam het geval was) en mogelijk elders niet verplicht (maar alleen gewoon) zijn via het bedrijfsterrein van hun werkgever te reizen, is voor de gevorderde veroordeling in zijn algemeenheid geen ruimte.

5.11. Met de afwijzing van de beide eerste delen van de hoofdvordering, is tevens gegeven dat de vordering tot schadevergoeding ex artikel 15 juncto 16 van de Wet CAO en die tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten dienen te stranden. De vakbonden worden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt de vakbonden tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Vebidak, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.