Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH6559

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
253974 / HA ZA 08-1750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde (artikel 236 Rv)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 253974 / HA ZA 08-1750

Vonnis van 18 maart 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.H. de Jonge- Wiemans,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLUS VASTGOED B.V.,

gevestigd te De Bilt,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.H. Orval.

Partijen zullen hierna [eiser] en Plus Vastgoed genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 10 februari 2000 heeft [eiser] met Plus Vastgoed, destijds genaamd Sperwer Vastgoed B.V., een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een kantoor-/ bedrijfspand in Venlo. Artikel 11 van deze koopovereenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

“artikel 11 Ingebrekestelling, ontbinding

11.1. Indien een van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig blijft in de nakoming van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zal deze overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zijn, tenzij de wederpartij alsnog uitvoering van de overeenkomst verlangt.

11.2. In beide gevallen zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van fl. 120.000,-, zegge: éénhonderdtwintigduizend gulden verbeuren, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. (…)”

2.2. Bij dagvaarding van 1 oktober 2003 heeft [eiser] bij deze rechtbank een procedure ingeleid tegen Plus Vastgoed strekkende kort gezegd tot betaling van een contractuele boete en buitengerechtelijke kosten.

2.3. Bij tussenvonnis van 7 april 2004 heeft de rechtbank Plus Vastgoed toegelaten tot het leveren van bewijs.

2.4. Bij eindvonnis van 23 juni 2004 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen, en [eiser] veroordeeld in de proceskosten.

2.5. Bij dagvaarding van 22 september 2004 is [eiser] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank gewezen vonnissen.

2.6. Bij arrest van 6 april 2006 heeft het Gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen: het Gerechtshof) [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het tegen het tussenvonnis ingestelde hoger beroep, en het eindvonnis bekrachtigd. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen:

“(…) 5.5 De primaire vordering tot betaling van de overeengekomen boete berust op de stelling dat Plus Vastgoed ook na ingebrekestelling de voorwaarden waaronder [eiser] heeft ingestemd met het uitstel van het tijdstip, waarop Plus Vastgoed zou afnemen, niet is nagekomen en zij daarom de boete heeft verbeurd.

Voor het opeisbaar worden van de boete is vereist dat Plus Vastgoed na ingebrekestelling in verzuim is gekomen met de nakoming van een verbintenis, waarop de boete is gesteld. Daarvan is geen sprake. Niet is gesteld of gebleken dat is overeengekomen dat de in de koopakte overeengekomen boete ook verschuldigd zou worden bij niet behoorlijke nakoming van de verplichtingen die partijen op zich hebben genomen bij hun nadere overeenkomst, waarbij zij tot uitstel van het tijdstip van afname hebben besloten.

Bovendien moet worden aangenomen dat [eiser] niet een ingebrekestelling heeft doen uitgaan die tot effect heeft gehad dat Plus Vastgoed met de nakoming van enige verplichting jegens hem in verzuim is komen te verkeren. Uit het proces-verbaal van de in eerste aanleg gehouden comparitie leidt het hof af dat [eiser] uitsluitend bij zijn hiervoor onder 5.2.3 genoemde, op 5 september 2000 uitgereikte, brief aan Plus Vastgoed termijnen heeft gesteld, waarbinnen zij diende na te komen. In die brief gaf hij Plus Vastgoed nog tot 1 november 2000 de tijd om af te nemen mits Plus Vastgoed de vergoeding over de periode 15 maart tot 1 september 2000 op 5 september 2000 zou betalen en mits zij de nota's voor de daarna te verschijnen termijnen binnen zeven dagen zou betalen. De brief kan niet gelden als een behoorlijke ingebrekestelling voorzover het gaat om de (overigens door Plus Vastgoed betwiste) verplichting van Plus Vastgoed om de vergoeding over de periode tot 1 september 2000 te betalen aangezien de daarvoor gestelde termijn verstreek op de dag, waarop de brief aan Plus Vastgoed werd uitgereikt. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] aan Plus Vastgoed na die brief nota's heeft uitgebracht zodat evenmin kan worden aangenomen dat Plus Vastgoed met de betaling van enige na 5 september 2000 uitgebrachte nota in verzuim is geraakt. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat Plus Vastgoed nog tot 1 november 2000 kon afnemen voordat zij in dat opzicht in verzuim kwam. Vaststaat dat zij voordien heeft afgenomen. (…)”

2.7. Bij arrest van 14 december 2007 heeft de Hoge Raad het door [eiser] ingestelde cassatieberoep afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank voor recht verklaart dat de op

1 oktober 2003 ingeleide procedure (hierna te noemen: de eerste procedure) niet in de weg staat aan toewijzing van een contractuele boete wegens vertraging in de nakoming van de koopovereenkomst en aan toewijzing van een wettelijke vertragingsrente, en dat Plus Vastgoed veroordeeld wordt in de kosten van dit geding.

3.2. Plus Vastgoed voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kern van het geschil betreft het antwoord op de vraag of de beslissingen die zijn vervat in het eindvonnis van deze rechtbank van 23 juni 2004 en het arrest van het Gerechtshof van 6 april 2006 tussen partijen bindende kracht heeft voor zover het gaat over het geschil tussen partijen omtrent de verschuldigdheid van een contractuele boete en wettelijke vertragingsrente wegens vertraging in de nakoming van de koopovereenkomst.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.

4.3. Vaststaat tussen partijen dat het eindvonnis van de rechtbank en het arrest van het Gerechtshof in kracht van gewijsde zijn gegaan door de afwijzing van het cassatieberoep door de Hoge Raad bij arrest van 14 december 2007. Derhalve resteert hier de beantwoording van de vraag of de beslissingen in het eindvonnis van de rechtbank en het arrest van het Gerechtshof betrekking hebben op dezelfde rechtsbetrekking als het onder 3.1 bedoelde geschil.

4.4. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de beslissingen van het Gerechtshof enkel betrekking hebben op de al dan niet verschuldigdheid van een contractuele boete wegens onbehoorlijke nakoming van de uitstelovereenkomst (de overeenkomst waarbij de levering van het pand is uitgesteld, hierna te noemen: de nadere overeenkomst) en over de overeengekomen contractuele vertragingsrente, en niet op de verschuldigdheid van contractuele boete en wettelijke rente wegens vertraging in de nakoming van de koopovereenkomst.

4.5. De rechtbank constateert dat de eerste procedure strekte tot veroordeling van Plus Vastgoed tot betaling van de in de koopovereenkomst opgenomen contractuele boete en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering was - zoals het Gerechtshof onder 5.2.5 van haar arrest heeft weergegeven - gebaseerd op de stelling dat Plus Vastgoed haar verplichtingen uit de koopovereenkomst, met name de aan het uitstel van de eigendomsoverdracht verbonden nadere voorwaarden, niet was nagekomen. Op deze grondslag, die derhalve niet alleen de nadere overeenkomst maar ook de koopovereenkomst betreft, heeft het Gerechtshof vervolgens beslist, en wel door bekrachtiging van het vonnis van deze rechtbank waarbij de vordering was afgewezen. Aan deze beslissing heeft het Gerechtshof (blijkens overweging 5.5) niet alleen ten grondslag gelegd dat niet is gesteld of gebleken dat de in de koopovereenkomst overeengekomen boete ook verschuldigd zou zijn bij niet behoorlijk nakoming van de verplichtingen uit de nadere overeenkomst, maar tevens dat moest worden aangenomen dat [eiser] niet een ingebrekestelling heeft doen uitgaan die tot effect heeft gehad dat Plus Vastgoed met de nakoming van enige verplichting jegens hem in verzuim is komen te verkeren. Dat daarmee tevens wordt bedoeld enige verplichting uit de koopovereenkomst, volgt uit de inhoud van de grondslag van de vordering waarop het Gerechtshof heeft beslist, alsmede uit de laatste zinnen van overweging 5.5 van het Gerechtshof, inhoudende dat Plus Vastgoed nog tot 1 november 2000 kon afnemen voordat zij in dat opzicht in verzuim kwam, en dat vaststaat dat zij voordien heeft afgenomen.

4.6. Anders dan [eiser] heeft gesteld kan de zin in overweging 5.5 die begint met het woord “Bovendien” niet worden aangemerkt als een overweging ten overvloede als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1984, NJ 1987, 295. Dit volgt niet alleen uit het gebruik van het woord “Bovendien” maar tevens uit de inhoud van de motivering. Door het opnemen van het tweede argument heeft het Gerechtshof kennelijk beoogd om een tweede zelfstandige afwijzingsgrond aan haar beslissing ten grondslag te leggen.

4.7. Door de hiervoor vermelde overwegingen heeft het Gerechtshof een beslissing gegeven over dezelfde rechtsbetrekking in geschil (namelijk of Plus Vastgoed in verzuim is geraakt met betrekking tot haar verplichtingen uit de koopovereenkomst en de aan het uitstel van de eigendomsoverdracht verbonden nadere voorwaarden) die [eiser] thans als grondslag van zijn vordering op Plus Vastgoed aanvoert. Dit betekent dat aan deze beslissing van het Gerechtshof bindende kracht toekomt in de onderhavige procedure.

4.8. De bindende kracht van de hiervoor bedoelde overweging van het Gerechtshof heeft tot gevolg dat [eiser] geen vorderingen jegens Plus Vastgoed kan instellen die gegrond zijn op de stelling dat Plus Vastgoed wel in de nakoming van enige verplichting uit de koopovereenkomst en nadere overeenkomst jegens hem in verzuim is geraakt. Blijkens de inleidende dagvaarding zijn de vorderingen die [eiser] beoogt in te stellen, wel op deze stelling gebaseerd. Deze vorderingen dienen af te stuiten op het gezag van gewijsde dat aan de beslissingen van het Gerechtshof toekomt. De vordering van [eiser] in deze procedure, inhoudende dat de rechtbank voor recht verklaart dat de eerste procedure niet in de weg staat aan toewijzing van contractuele boete en wettelijke vertragingsrente wegens vertraging in de nakoming van de koopovereenkomst, moet dan ook worden afgewezen.

4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Plus Vastgoed worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 254,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Plus Vastgoed tot op heden begroot op

EUR 1.158,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter

WV