Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH5724

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
250118 / HA ZA 08-1137
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Huwelijkse voorwaarden, finaal verrekenbeding bij echtscheiding. Vorderingen tot verrekening verjaard? Woning in eigendom van de man. Heeft de vrouw toch recht op een deel van de waardestijging tengevolge van de gezamenlijke investeringen in de woning tijdens het huwelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 250118 / HA ZA 08-1137

Vonnis van 11 maart 2009

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. C. Lamphen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. Ran.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 augustus 2008 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 19 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 28 mei 1997 met elkaar in het huwelijk getreden onder huwelijksvoorwaarden. Op 28 november 2003 is het verzoekschrift tot echtscheiding ingeschreven ter griffie van de rechtbank Utrecht.

2.2. In de huwelijksvoorwaarden zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1

Tussen echtgenoten zal bestaan een gemeenschap van inboedel zoals hierna in artikel 2 nader is omschreven; overigens zal tussen de echtgenoten generlei huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

Artikel 2

De gemeenschap van inboedel omvat al hetgeen volgens artikel 5 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek tot de inboedel wordt gerekend met dien verstande dat daaronder niet zijn begrepen (…)

d. inboedelzaken, welke door de echtgenoten ten huwelijk worden aangebracht, voorzover vermeld in de aan deze akte gehechte staat van aanbrengsten.

Artikel 4

1. Ieder der echtgenoten behoudt zijn of haar inkomsten.

2. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding en die van verzorging en opvoeding der kinderen (…) zullen uit de zuivere inkomsten uit beroep en/of arbeid van de echtgenoten worden betaald, zulks met inachtneming van het hierna in artikel 5 bepaalde onder de in het tweede lid van dit artikel bedoelde zuivere inkomsten uit beroep en/of arbeid van de echtgenoten zullen worden verstaan die inkomsten na aftrek van de in het bijzonder daarop betrekking hebbende lasten.

3. (…) De belastingen, welke hetzij periodiek, hetzij ineens worden geheven van het vermogen en inkomen van elk der echtgenoten, worden echter door elk van de echtgenoten in privé gedragen, en wel naar evenredigheid van ieders in de betreffende aanslag begrepen vermogen respectievelijk inkomen, zulks ongeacht of slechts één der echtgenoten wordt aangeslagen en ongeacht de hoegrootheid van hun aansprakelijkheid jegens de fiscus.

Artikel 5

1. Indien na verloop van een kalenderjaar blijkt, dat een gedeelte van de zuivere inkomsten uit beroep en/of arbeid der echtgenoten of één hunner niet behoefde te worden aangewend tot bestrijding van de in artikel 4 bedoelde kosten, zullen de onverteerde gedeelten beider inkomsten bijeen worden gevoegd ter verdeling bij helften en ter toevoeging aan hun beider vermogens.

(…)

Artikel 6

Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat,

b. over het kalenderjaar dat het netto-inkomen van een echtgenoot onder aftrek als in artikel 4 bedoeld, tengevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is en over volgende kalenderjaren indien en voorzover het voor verrekening overeenkomstig artikel 4 vatbare inkomen van de betreffende echtgenoot niet het bedrag van het verlies heeft bereikt.

Artikel 7

Indien niet vóór eenendertig december van enig jaar een verrekening over het drie jaar daaraan voorafgaande jaar uit hoofde van het bij de artikelen 4 en 5 bepaalde heeft plaatsgevonden of niet vóór die datum een daartoe strekkende vordering is ingesteld, zal te dier zake tussen partijen geen verrekening meer kunnen worden gevorderd over dat jaar.

Artikel 8

1. (…)

2. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding alsmede bij scheiding van tafel en bed zullen de echtgenoten hetgeen is opgebouwd tijdens het huwelijk bij helfte verdelen. Buiten de afrekening blijven echter alle aanbrengsten ten huwelijk, alwat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede wat klaarblijkelijk onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse verrekening werd verkregen.

3. (…) De afrekening als in lid 2 bedoeld geschiedt naar de toestand en waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig werd gemaakt.

4. De afrekening blijft achterwege indien het vermogen van een van de echtgenoten of van beiden per saldo negatief is.

(…)

6. Partijen verklaren dat de Wet Pensioenverevening niet van toepassing zal zijn bij beëindiging van het huwelijk door echtscheiding.

2.3. Partijen hebben tijdens hun huwelijk nimmer uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding als bedoeld in artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden.

2.4. De woning waarin partijen tijdens het huwelijk hebben samengeleefd aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) is eigendom van de man. Tijdens het huwelijk hebben verbouwingen aan de woning plaatsgevonden die door beide partijen zijn betaald.

2.5. De man is als zelfstandig ondernemer werkzaam als tandarts binnen een maatschap.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat het gehele vermogen van partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding d.d. 20 november 2003 is gevormd uit hetgeen tussen partijen op grond van de akte huwelijksvoorwaarden verrekend had moeten worden,

2. de omvang van het te verrekenen vermogen tenminste zal bepalen overeenkomstig het in het lichaam van de dagvaarding (…) gestelde,

3. partijen zal veroordelen tot voldoening van de helft van het in haar/zijn in privé gehouden vermogen aan de ander en wel binnen twee weken na het in deze te geven vonnis te voldoen op een door de partijen nader aan te geven bankrekeningnummer,

4. de man zal gebieden over te leggen een kopie conform het origineel van de in zijn bezit zijnde bankafschriften, polissen, IB aanslagen 2002 en 2003, spaarloon, subsidietoekenningen, jaar- en verliesrekeningen e.d. die van belang kunnen zijn om de waarde van het te verrekenen vermogen vast te stellen.

3.2. De vrouw baseert haar vorderingen op de huwelijksvoorwaarden die tussen partijen zijn gesloten waarbij zij zich beroept op zowel de periodieke verrekening als de finale verrekening als bedoeld in artikel 5 respectievelijk artikel 8 van deze voorwaarden. De man beroept zich op verjaring van de vorderingen van de vrouw en stelt dat als van verjaring geen sprake is, de vrouw haar rechten heeft verwerkt door sinds maart 2007 niets meer van zich te laten horen ten aanzien van de afwikkeling van hun huwelijksvermogen. Ten aanzien van een aantal hierna te bespreken posten bestrijdt de man voorts de berekeningen door de vrouw. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. De man vordert samengevat - veroordeling van de vrouw tot betaling van EUR 21.237,00, vermeerderd met rente en kosten. Hij baseert deze vordering op grond van verrekening van het voorschot (ten bedrage van EUR 19.695,00) dat hij in 2003 aan de vrouw heeft betaald in verband met de afwikkeling van hun huwelijksvermogen, op grond van verrekening van het vermogen van zijn onderneming op de peildatum 28 november 2003 (dat hij heeft beraamd op EUR 19.136,00 negatief) en op grond van verrekening van de saldi op de bankrekeningen van partijen (waardoor hij volgens zijn berekening EUR 2.974,00 van de vrouw tegoed heeft).

3.4. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. De vorderingen over en weer strekken tot verdeling dan wel verrekening van het al dan niet gemeenschappelijke vermogen van partijen in verband met de afwikkeling van hun huwelijk. De rechtbank zal de door partijen opgeworpen punten achtereenvolgens bespreken en beoordelen.

Verjaring van de vorderingen van de vrouw?

4.2. De rechtbank is van oordeel dat aangezien het huwelijk is geëindigd door echtscheiding, artikel 8 uit de huwelijksvoorwaarden van toepassing is. De vordering tot naleving van deze bepaling verjaart na vijf jaar. De dagvaarding in deze procedure is op 30 mei 2008 aan de man betekend, zodat er nog geen vijf jaar is verstreken sinds het aanhangig maken van de procedure tot echtscheiding op 28 november 2003 en de vorderingen van de vrouw welke gebaseerd zijn op naleving van artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden niet zijn verjaard. Voor zover de vrouw aanspraak maakt op de periodieke verrekening als bedoeld in artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden is dit gedeelte van haar vordering wel verjaard, omdat sinds 28 november 2003 tot aan het betekenen van de dagvaarding meer dan drie jaar is verstreken. De rechtbank oordeelt daarbij dat geen stuitende werking uitgaat van het door de vrouw tussentijds aanhangig maken van een procedure tot beschrijving van de boedel, zoals zij nog heeft aangevoerd. Uit deze handeling kan namelijk op zichzelf niet worden afgeleid dat zij daarmee heeft beoogd haar recht tot periodieke verrekening te zullen uitoefenen. Het zou daarbij evengoed kunnen gaan om een vordering op grond van het hiervoor genoemde artikel 8 lid 2 van de huwelijksvoorwaarden, hetgeen meer in de rede ligt gelet op de omstandigheid dat partijen tot dusver nimmer tot jaarlijkse verrekening waren overgegaan.

4.3. Van rechtsverwerking is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Anders dan de man heeft betoogd, kan het niet reageren door de vrouw sinds maart 2007 niet zonder bijzondere omstandigheden - die hier niet zijn gesteld of gebleken - worden opgevat als een gedraging waaruit de man mocht afleiden dat de vrouw afstand deed van haar recht op verrekening of verdeling van het huwelijksvermogen.

Waardevermeerdering van de woning

4.4. De vrouw vordert verdeling van de toename van de waarde van de woning op de grond dat de verbouwing c.q. renovatie van de woning is betaald met te verrekenen vermogen. De vrouw heeft in dit verband een beroep gedaan op HR 25 april 2008, NJ 2008, 394 en aangevoerd dat de woning in waarde is gestegen ten gevolge van de verbouwingen. Het ging daarbij volgens haar om aanzienlijke aanpassingen: een verbouwing van de keuken waarbij een nieuwe keuken werd geplaatst (kosten EUR 26.262,00 en EUR 17.231,00), vernieuwing van het dak en verbouwing/aanbouw van de garage (EUR 45.953,77) en het plaatsen van een dakkapel (EUR 7.000,00).

De man heeft betwist dat de waarde van de woning is vermeerderd door deze aanpassingen. Volgens hem betrof het noodzakelijk onderhoud en aanpassingen aan de eigen smaak en behoeften die niet hebben geresulteerd in een waardestijging. Daarbij komt dat de aanpassingen al geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden zodat deze ook vanwege het tijdsverloop geen waardevermeerderend effect meer kunnen hebben. Aangezien het noodzakelijk onderhoud betrof, kan het daaraan bestede inkomen hoe dan ook niet als overgespaard inkomen worden beschouwd, aldus de man.

4.5. De rechtbank overweegt het volgende. Afrekening tussen partijen dient plaats te vinden op grond van het eerder aangehaalde artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, hetgeen inhoudt dat bij helfte verdeeld dient te worden wat tijdens het huwelijk is opgebouwd, behoudens – voor zover van belang – de aanbrengsten ten huwelijk. De waardestijging die het gevolg is van de marktontwikkelingen zal op grond van de huwelijksvoorwaarden alleen ten gunste van de man komen, die immers als enige de eigenaar van de woning is. Als er echter ook een waardestijging is die louter het gevolg is van de door partijen gezamenlijk gedane investeringen, dan is dat te beschouwen als tijdens het huwelijk opgebouwd vermogen dat niet is uitgesloten van de verdeling en heeft de vrouw recht op de helft van de meerwaarde die het gevolg is van deze investeringen. Om te kunnen beoordelen of de investeringen tot een waardestijging hebben geleid zoals de vrouw heeft gesteld en door de man wordt betwist, heeft de rechtbank behoefte aan deskundige voorlichting en zal zij op hierna te vermelden wijze een deskundigenonderzoek gelasten.

4.6. Voor zover de vrouw nog heeft gesteld dat met te verrekenen inkomen de hypothecaire lening waarmee de woning was gefinancierd is afgelost en dat, naar de rechtbank begrijpt, haar in zoverre ook een vordering tot verrekening van dit afgeloste gedeelte toekomt, overweegt de rechtbank dat de vrouw niet nader heeft onderbouwd hoe en in welke omvang zij dit beschouwt als te verdelen vermogensopbouw zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij zal gaan.

4.7. Voordat tot benoeming van een deskundige als hiervoor bedoeld in 4.5. wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.8. Ten aanzien van de aan de deskundige voor te leggen vragen stelt de rechtbank op voorhand het volgende voor en verzoekt zij partijen zich bij akte uit te laten over dit voorstel:

Heeft er, te beoordelen op de peildatum 28 november 2003, een stijging van de waarde van de woning plaatsgevonden sinds 28 mei 1997 die louter het gevolg is van de aanpassingen aan de woning tijdens het huwelijk, namelijk: de verbouwing en plaatsing van de keuken; de plaatsing van de dakkapel; de verbouwing van de garage en de vervanging van het dak? Zo ja, kunt u - zo nodig bij benadering - aangeven tot welk bedrag? Kunt u uw antwoord van een toelichting voorzien?

4.9. De rechtbank verzoekt partijen voorts om zich uit te laten over de vraag of de vervanging van het dak het dak van de garage of het dak van het gehele woonhuis betrof, zodat dit in de uiteindelijke opdracht aan de deskundige preciezer kan worden omschreven.

De onderneming van de man

4.10. Partijen zijn het erover eens dat de praktijk is gefinancierd met gezamenlijk inkomen en dat de waarde van de praktijk (met als peildatum 28 november 2003) verdeeld dient te worden, maar zij verschillen van mening over de waarde van de praktijk en hoe deze berekend dient te worden. De man heeft een vermogensoverzicht per 28 november 2003 in het geding gebracht, dat op 14 november 2005 door zijn adviseur [naam], werkzaam bij Deloitte Belastingadviseurs B.V. is opgesteld. Uit dit overzicht volgt dat het ondernemingsvermogen op de peildatum EUR 32.635,00 bedroeg en dat aan de vrouw in het kader van de verrekening van het huwelijksvermogen reeds per juli 2003 een voorschot van EUR 19.695,00 was betaald, gebaseerd op 50% van de door de adviseur berekende waarde van de onderneming per 1 juli 2003 (waarbij hij abusievelijk als peildatum 1 juli 2003 in plaats van 28 november 2003 heeft genomen). Voorts heeft de man een brief van 5 januari 2006 van (onder meer) dezelfde adviseur overgelegd, waaruit volgt dat het ondernemingsvermogen per 28 november 2003 EUR 19.136,00 negatief was. De vrouw stelt dat niet van de berekeningen door Deloitte kan worden uitgegaan omdat bepaalde uitgangspunten (zoals aankoop-bedragen voor door de praktijk aangekocht onroerend goed) apert onjuist zijn, bij de opstelling de investeringen ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten (naar de rechtbank begrijpt de waarde van het door de maatschap aangeschafte onroerend goed) en dat het uitgangspunt van Deloitte de boekwaarde vanuit de fiscale benadering is geweest in plaats van de economische waarde.

4.11. Ter zitting is aan de orde gekomen dat het voor partijen wellicht de voorkeur zou verdienen om de vragen en opmerkingen die door de vrouw zijn geplaatst bij de door Deloitte gemaakte vermogensopstelling per 28 november 2003 eerst te laten beantwoorden door de adviseur van de man, alvorens te beoordelen of benoeming van een deskundige door de rechtbank nodig is. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de vraag of de rechtbank een deskundige dient te benoemen of dat partijen in onderling overleg de waarde van de onderneming vast zullen stellen en zo ja, wat daarvan de uitkomst is.

4.12. Indien partijen (of één van hen) een deskundigenonderzoek wensen, zullen zij zich voorts dienen uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

4.13. De rechtbank zal de zaak voorts naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de strekking van artikel 8 lid 6 van de huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de Wet Pensioenverevening in relatie tot het standpunt van de vrouw dat ook berekend dient te worden wat de omvang is van het in de onderneming opgebouwde pensioen. Naar de rechtbank begrijpt (zie de brief van de vrouw van 29 december 2008) beoogt de vrouw verevening van de in de onderneming opgebouwde pensioenrechten.

De auto’s

4.14. Ten aanzien van de Citroën Traction die in het bezit is van de man, zijn partijen het erover eens dat de vrouw recht heeft op betaling door de man van de helft van de waarde, begroot op EUR 22.131,59 zodat de rechtbank zal beslissen dat de man aan de vrouw EUR 11.065,80 dient te betalen.

4.15. De vrouw vordert de helft van de waarde van de Volvo waarvan de man het bezit heeft. Zij heeft daartoe aangevoerd dat deze tijdens het huwelijk is aangeschaft met te verrekenen vermogen van de man en privébetaling door haar. Nu dit niet door de man is bestreden, dient het standpunt van de vrouw gevolgd te worden in die zin dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde van de auto per 28 november 2003. Nu nadere informatie ontbreekt over de waarde van de auto per die datum zal de rechtbank op hierna te noemen wijze partijen opdragen deze informatie in het geding te brengen.

De saldi van de bank- en spaarrekeningen

4.16. Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen recht heeft op de helft van het totaal aan saldi op de peildatum 28 november 2003.

Vaststaat dat de vrouw op de peildatum beschikte over:

1. een rekening bij de Postbank onder nummer [nummer] met saldo EUR 233,24,

2. een rekening bij de ABN-AMRO onder nummer [nummer] met saldo EUR 45,92,

3. een effectenportefeuille “Doelbelegger” met waarde EUR 3.660,05,

4. een Postbank SpaarZekerPlan met polisnummer [nummer] met waarde EUR 2.681,00,

5. een ABN-AMRO SpaarKoers/Studieplan met polisnummer [nummer] met waarde EUR 2.231,39.

Totaal: EUR 8.851,60

De man beschikte op de peildatum over:

1. een rekening bij de ABN-AMRO onder nummer [nummer] met saldo EUR 6.022,00,

2. een rekening bij de Postbank met een saldo van EUR -/- 274,00,

3. een bonusrekening bij de ABN-AMRO met waarde EUR 196.051,00.

Totaal: EUR 202.347,00

Op de saldi van de rekeningen van de man dienen volgens partijen nog de aanslagen ingevolge de IB en de WAZ in mindering gebracht te worden, waarvan het totaal EUR 145.199,00 bedraagt (zie productie 8 bij de brief van de man van 30 december 2008), zodat het totale saldo waarover de man op de peildatum beschikte moet worden vastgesteld op EUR 57.148,00.

Hieruit volgt dat de vrouw recht heeft op betaling door de man aan haar van de helft van het verschil, te weten EUR 24.148,20.

4.17. In afwachting van de uitkomst van de hiervoor genoemde aktenwisselingen houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 8 april 2009 om zowel de man als de vrouw in de gelegenheid te stellen gelijktijdig een akte te nemen uitsluitend over hetgeen is genoemd in 4.7., 4.8., 4.9., 4.11., 4.12. (facultatief), 4.13., en 4.15.,

5.2. bepaalt dat de vrouw en de man daarna met eenzelfde termijn in de gelegenheid worden gesteld gelijktijdig een antwoordakte nemen uitsluitend over hetgeen de wederpartij in de hiervoor onder 5.1. genoemde akte naar voren heeft gebracht,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2009.?