Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH5715

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
225734 / HA ZA 07-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door het nemen van drie besluiten, die werden vernietigd door de Raad van State en het College van Beroep voor de examens aan de Universiteit Utrecht, heeft de Universiteit onrechtmatig gehandeld jegens eiseres. Als gevolg van de onrechtmatige besluiten heeft eiseres studievertraging opgelopen. De rechtbank wijst een bedrag aan gederfd loon toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 225734 / HA ZA 07-269

Vonnis van 11 maart 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J. van Ravenhorst,

tegen

HET COLLEGE VAN BESTUUR VAN DE UNIVERSITEIT UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.A. Vilé.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Universiteit genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 april 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 25 juni 2007

- de conclusie van repliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is in september 1995 begonnen aan de studie Diergeneeskunde. Aanvankelijk studeerde zij voor het reguliere doctoraal examen diergeneeskunde. In januari 2000 heeft zij verzocht te worden toegelaten tot het vrij doctoraal examen. Dit verzoek is door de Commissie Individueel Doctoraal Examen Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (hierna: de Commissie) op 28 januari 2000 afgewezen. Het beroep van [eiseres] tegen deze beslissing werd gegrond verklaard op 9 juni 2000, waarna zij werd toegelaten tot het vrij doctoraal examen diergeneeskunde.

2.2. Op 25 juli 2000 diende [eiseres] een nieuw voorstel voor haar afstudeerrichting in. Dat voorstel werd afgewezen op 17 augustus 2000. Het beroep van [eiseres] hiertegen werd door het College van Beroep voor de Examens aan de Universiteit Utrecht (hierna: het College van Beroep) op 30 november 2000 ongegrond verklaard. Het beroep van [eiseres] tegen die uitspraak werd door de rechtbank Den Haag op 11 april 2001 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is door de Raad van State op 19 juni 2002 gegrond verklaard. De Commissie kreeg opdracht binnen 4 weken een nieuw besluit te nemen.

2.3. Het nieuwe besluit over het vakkenpakket van [eiseres] werd op 5 juli 2002 genomen. Tegen dat besluit stelde [eiseres] beroep in bij het College van Beroep. Haar beroep werd op 28 november 2002 gegrond verklaard. De Commissie kreeg de opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Tegen het nieuwe besluit heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep, dat [eiseres] niet ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen geschil meer was over het vakkenpakket. [eiseres] diende vervolgens een verzoek in tot wijziging van het vrij doctoraal programma bij de Commissie, welk verzoek op 9 december 2003 werd afgewezen. Het College van Beroep heeft het beroep van [eiseres] hiertegen op 8 maart 2004 gegrond verklaard en de Commissie kreeg opdracht een nieuwe beslissing te nemen.

2.4. Op 22 november 2004 studeerde [eiseres] af door het behalen van het vrij doctoraal examen diergeneeskunde.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van de Universiteit tot betaling van € 82.423,66, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten.

3.2. De Universiteit voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tijdens het pleidooi heeft de Universiteit aangegeven haar beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiseres] te laten varen, zodat dit verweer van de Universiteit thans geen bespreking meer behoeft.

4.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de Universiteit onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door besluiten te nemen die naderhand zijn vernietigd door de Raad van State en het College van Beroep. [eiseres] stelt door de onjuiste besluiten van de Universiteit een studievertraging van drie jaar á vier jaar (in de schadeberekening wordt uitgegaan van 44 maanden) te hebben opgelopen als gevolg van de extra tijd die zij moest besteden aan de diverse procedures, die zij heeft moeten voeren om te worden toegelaten tot het vrij doctoraal examen. In redelijkheid kon van haar niet verwacht worden dat zij in de periode dat zij verwikkeld was in de diverse procedures examens zou doen en succesvol zou afronden, mede vanwege het feit dat het een kleine faculteit betrof waar een gespannen sfeer althans gevoelsmatig een vijandige houding van de Universiteit jegens [eiseres] merkbaar was, aldus [eiseres]. De schade als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van de Universiteit bestaat volgens [eiseres] in de eerste plaats uit gederfde inkomsten. Zonder de onjuiste besluiten, zou [eiseres] eerder zijn afgestudeerd en had zij derhalve eerder kunnen gaan werken. Zij stelt dat zij ongeacht of zij als dierenarts, bij de overheid, of als onderzoeker werkzaam zou zijn geweest gedurende 44 maanden een gemiddeld maandsalaris van € 2.200,-- bruto zou hebben kunnen verdienen, hetgeen neerkomt op een netto totaalbedrag van € 60.192,--.

Daarnaast vordert [eiseres] een bedrag van € 17.500,-- aan smartengeld, € 200,-- aan portokosten, € 4.531,66 aan extra collegegeld, alsmede rente en buitengerechtelijke kosten. De in de dagvaarding genoemde schadepost van € 2.500,-- aan verzekeringspremie maakt geen deel uit van de in het petitum gevorderde hoofdsom, zodat deze onbesproken zal blijven.

4.3. De Universiteit erkent dat zij door het nemen van drie besluiten, die werden vernietigd door de Raad van State en het College van Beroep, onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en dat [eiseres] als gevolg hiervan enige vertraging in haar studie heeft ondervonden. De Universiteit betwist echter dat het hierbij gaat om een vertraging van 44 maanden. De studievertraging was volgens de Universiteit in belangrijke mate het gevolg van de late beslissing van [eiseres] om over te stappen naar het vrij doctoraal examen diergeneeskunde, alsmede van haar slechte studieresultaten en van het vrijwillig volgen van extra curriculair onderwijs. Tijdens haar pleidooi heeft de Universiteit zich bereid verklaard de vertraging te stellen op zeven maanden. De Universiteit betwist echter dat [eiseres] als gevolg van deze door de Universiteit op zeven maanden gestelde vertraging inkomensschade heeft geleden. De Universiteit voert in dit verband aan dat [eiseres] na haar afstuderen bijna tweeëneenhalf jaar werkloos is geweest.

4.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Door het nemen van drie besluiten, die werden vernietigd door de Raad van State en het College van Beroep, heeft de Universiteit onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld, hetgeen door de Universiteit ook is erkend. Haar stelling dat zij door deze onjuiste besluiten een studievertraging van 44 maanden heeft opgelopen, heeft [eiseres] evenwel onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan zich indenken dat het voor [eiseres] zeer vervelend moet zijn geweest om gedurende haar studietijd in bovengenoemde procedures verwikkeld te zijn. Niet gebleken is evenwel dat [eiseres] door de onjuiste besluiten van de Universiteit zozeer in haar persoon was aangetast dat zij niet meer in staat was te studeren zodanig dat dit heeft geleid tot een studievertraging van 44 maanden. Nu de Universiteit zich bereid heeft verklaard de vertraging te stellen op zeven maanden en [eiseres] haar stelling dat zij meer vertraging heeft opgelopen als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de Universiteit onvoldoende heeft onderbouwd, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [eiseres] zeven maanden studievertraging heeft opgelopen als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de Universiteit.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] recht op gederfd arbeidsloon nu voldoende aannemelijk is dat [eiseres], als zij zeven maanden eerder was afgestudeerd, zeven maanden eerder werk zou hebben gevonden. Hierbij is niet van belang of [eiseres] eerst nog een periode werkloos is geweest, hetgeen de Universiteit overigens niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan [eiseres] betoogt, ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding om aan te knopen bij het gemiddelde salaris van een dierenarts, ambtenaar of onderzoeker. [eiseres] is immers geen dierenarts, ambtenaar of onderzoeker geworden en [eiseres] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat dit te wijten is aan de Universiteit. Integendeel, [eiseres] stelt zelf dat zij bewust, uit idealistische overwegingen, heeft gekozen zich via haar eigen besloten vennootschap ([naam]) op haar eigen wijze in te zetten voor het dierenwelzijn. Weliswaar stelt zij dat dit besluit voor een groot deel was ingegeven door het feit dat zij bemerkte dat zij in het kleine wereldje van de diergeneeskunde inmiddels de reputatie had van querulante en heeft zij in een ander verband aangevoerd dat deze negatieve reputatie mede het gevolg is van uitlatingen van medewerkers van de Universiteit, maar zij licht vervolgens niet toe om welke uitlatingen het gaat en jegens wie die zijn geuit. Voorzover [eiseres] derhalve heeft beoogd te stellen dat de Universiteit zich op onrechtmatige wijze over haar heeft uitgelaten en dat zij hierdoor niet de gewenste baan zou hebben kunnen vinden als zij dat had geprobeerd, is deze stelling onvoldoende onderbouwd.

Voor het bepalen van de hoogte van het gederfde arbeidsloon dient dan ook, anders dan [eiseres] betoogt, aansluiting te worden gezocht bij de werkzaamheden die [eiseres] uiteindelijk is gaan verrichten. In dit verband heeft [eiseres] de volgende stukken in het geding gebracht:

- een managementovereenkomst tussen Equisition B.V. en [naam] met ingangsdatum 18 november 2004 en eindigend op 1 april 2005 inzake de organisatie van een hippisch evenement op grond waarvan Equistion B.V. [naam] voor haar diensten een vergoeding betaalde van € 7.000,-- exclusief BTW en te voldoen in vijf maandelijkse termijnen, beginnend in november 2004 en eindigend in maart 2005;

- een loonafrekening van [naam] aan [eiseres] over de maand april 2005, waaruit een netto maandloon over april van € 1.000,-- blijkt en waaruit daarnaast volgt dat [eiseres] over de maanden januari tot en met april 2005 een netto inkomen heeft genoten van € 4.000,--;

- een arbeidsovereenkomst tussen Treurniet B.V. en [eiseres] voor twintig uur per week met ingangsdatum 4 september 2006 en van rechtswege eindigend op 3 september 2007 met een brutosalaris van € 947,37 per periode van vier weken alsmede een jaarlijkse vakantietoeslag van 8 % en

- een arbeidsovereenkomst tussen Schelstraete CS Advocaten B.V. en [eiseres] voor twintig uur per week met ingangsdatum 14 december 2006 en van rechtswege eindigend op 13 juni 2007 met een brutosalaris van € 1.250,-- per maand alsmede een vakantietoeslag van 8 %.

Uit deze stukken volgt dat [eiseres] na haar afstuderen via haar besloten vennootschap heeft gewerkt aan de organisatie van een hippisch evenement en dat zij in deze periode van haar vennootschap een nettoloon uitgekeerd heeft gekregen van € 4.000,--. Nu niet, althans onvoldoende onderbouwd is gesteld dat zij in de zeven maanden volgend op haar afstuderen meer inkomsten heeft genoten, zal de rechtbank het gederfde loon vaststellen op een bedrag van € 4.000,--.

4.6. Het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 17.500,-- aan smartengeld, dat is samengesteld uit een post emotionele schade van € 10.000,-- en een post economische kwetsbaarheid van € 7.500,--, komt niet voor vergoeding in aanmerking.

[eiseres] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de psychische problemen die zij heeft gehad het directe gevolg waren van de drie voornoemde onjuiste besluiten van de Universiteit, noch dat deze problemen dermate ernstig waren dat zij een aantasting in de persoon opleveren. De rapportage van de studentenpsycholoog vermeldt niet meer dan dat [eiseres] zich in augustus 2000 bij de studentenpsycholoog heeft gemeld in verband met psychische problemen die de concentratie op de studie al geruime tijd belemmerden. De psychische problemen worden door de studentenpsycholoog evenwel niet toegelicht. In de verklaring van psychologe drs. B.P.C. Fretz-Kalberlah wordt weliswaar gesproken over een posttraumatische ervaring, maar die was, zo blijkt uit deze verklaring, het gevolg van de gebeurtenissen met het paard genaamd “Chamay”, zoals in de bijlage bij de verklaring van de psychologe is omschreven. [eiseres] stelt nog dat de omstandigheid dat in laatstbedoelde rapportage minder inhoudelijk op de aard en de omvang van haar klachten wordt ingegaan heeft te maken met het feit dat de desbetreffende psycholoog niet meer over die stukken in haar archief beschikt. Dit is echter een omstandigheid die voor rekening en risico van [eiseres] komt.

Ten aanzien van de economische kwetsbaarheid stelt [eiseres] dat zij, gelet op het feit dat de diergeneeskunde een kleine wereld is, door de negatieve houding van de universiteit naar buiten toe minder kansen bij sollicitaties had en voorts dat zij geen docenten van de universiteit als referentie kan opgeven. Zoals hiervoor overwogen heeft [eiseres] haar stelling, dat medewerkers van de Universiteit negatieve uitlatingen over haar hebben gedaan en dat zij hierdoor niet de gewenste baan zou hebben kunnen vinden als zij dat had geprobeerd, onvoldoende onderbouwd. Reeds hierom komt de gestelde schadepost niet voor vergoeding in aanmerking.

4.7. Ten aanzien van het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 4.531,-- aan extra collegegeld wordt als volgt overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiseres] als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de Universiteit een studievertraging van zeven maanden heeft opgelopen, hetgeen betekent dat zij het collegegeld verschuldigd over de periode mei 2004 tot en met november 2004 niet zou hebben hoeven betalen zonder de onrechtmatige handelwijze van de Universiteit. Uit de stellingen van [eiseres] zelf blijkt dat zij na 1 mei 2004 geen collegegeld meer heeft moeten betalen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke grond [eiseres] aanspraak zou kunnen maken op terugbetaling van het collegegeld over de periode vóór mei 2004. Deze post zal dan ook worden afgewezen.

4.8. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] als gevolg van de onrechtmatige besluiten portokosten heeft gemaakt en stelt deze vast op een bedrag van

€ 100,--.

4.9. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van 22 november 2004 (afstudeerdatum), nu de gemiste inkomsten in de daaraan voorafgaande zeven maanden zouden zijn gegenereerd.

4.10. [eiseres] heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. [eiseres] heeft evenwel niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat door [eiseres] buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die niet worden gedekt door de definitieve toevoeging die haar is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand. Dit onderdeel van de vordering zal om deze reden reeds worden afgewezen.

4.11. De Universiteit heeft nog aangevoerd dat [eiseres] gedurende zeven maanden afstudeersteun van de Universiteit heeft gehad tot een bedrag van € 1.545,46 in verband met de onjuiste besluiten van de Universiteit. Dit bedrag geldt als schadevergoeding voor diverse kosten die [eiseres] vordert in deze procedure, aldus de Universiteit. Naar het oordeel van de rechtbank zou deze vergoeding slechts in mindering kunnen strekken op extra collegegeld betaald door [eiseres]. Zoals hiervoor overwogen, zal het bedrag gevorderd onder de noemer extra collegegeld echter worden afgewezen. Het standpunt dat het bedrag van € 1.545,46 in zijn algemeenheid zou gelden als schadevergoeding voor de ‘Diverse kosten’ wordt verworpen, nu het bedrag aan [eiseres] is verstrekt onder de noemer ‘afstudeersteun’, waaronder niet vallen portokosten en wettelijke rente.

4.12. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de Universiteit om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.100,-- (vierduizendéénhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 22 november 2004 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en mr. G.A. Bos en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2009.

w.g. griffier w.g. rechter