Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH5197

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
16/710514-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3 jaren gevangenisstraf voor het in vereniging opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710514-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats] aan de [adres].

Raadsman: mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. E.D.I. Martens, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte gedurende langere tijd samen met een ander harddrugs heeft gedeald en op 15 februari 2007 in het bezit was van 0,83 gram heroïne.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Voor hetgeen verdachte onder 2 is tenlastegelegd heeft de officier van justitie vrijspraak gerequireerd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er weliswaar wettig bewijs voorhanden is, maar dat dit bewijs niet overtuigend is. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat zowel wettig als overtuigend bewijs ontbreekt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Vrijspraak

De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan nu uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat de op heroïne gelijkende stof die op

15 februari 2007 in de auto van verdachte is aangetroffen geen heroïne dan wel een ander middel dat onder de bepalingen van de Opiumwet valt, betreft. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De feiten

In januari en februari 2007 komen er meerdere RCIE-berichten over verdachte en medeverdachte [medeverdachte] binnen. Volgens deze informatie handelt verdachte in verdovende middelen (cocaïne en heroïne), waarbij hij medeverdachte [medeverdachte] (“[medeverdachte]”) als koerier inzet. Verdachte zou hierbij gebruik maken van de telefoonnummers [nummer] en

[nummer] en zichzelf “[verdachte]” noemen.

Naar aanleiding van voorgaande RCIE-berichten start de politie een onderzoek. Met een machtiging worden voornoemde telefoonnummers getapt van respectievelijk

12 februari 2007 tot en met 15 februari 2007 en op 15 februari 2007. In de getapte telefoongesprekken wordt bevestigd dat via voornoemde telefoonnummers een handel in verdovende middelen plaatsvindt door een man die zichzelf “[verdachte]” noemt.

Daarnaast komt in deze telefoongesprekken een vaste werkwijze naar voren. Een koper belt naar een van voornoemde telefoonnummers, waarbij tussen de koper en de man die zichzelf “[verdachte]” noemt een locatie en in sommige gevallen een hoeveelheid en/of prijs wordt afgesproken voor de aanschaf van verdovende middelen. “[verdachte]” zoekt vervolgens telefonisch dan wel via sms-berichten contact met het telefoonnummer van zijn koerier, “[medeverdachte]”, om deze gegevens (al dan niet) middels een code door te geven. De overdracht van de verdovende middelen vindt vervolgens plaats tussen deze “[medeverdachte]” en de koper.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting van 19 februari 2009 als getuige verklaard dat hij “[medeverdachte]” is, de persoon die de drugs wegbracht voor de man die zichzelf “[verdachte]” noemt en voornoemde werkwijze bevestigd. In verband met zijn eigen veiligheid - zo stelt medeverdachte [medeverdachte] - heeft hij niet kunnen en willen verklaren wie “[verdachte]” is.

Is verdachte “[verdachte]”?

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voornoemde “[verdachte]” is. Verdachte zelf heeft dit steeds ten stelligste ontkend.

Door de verdediging is gesteld dat niet verdachte, maar een derde persoon “[verdachte]” is. Net als medeverdachte [medeverdachte] heeft verdachte gesteld dat hij in verband met zijn eigen veiligheid echter geen nadere informatie kan en wil geven over wie “[verdachte]” is.

De rechtbank ziet zich gezien het voorgaande voor de vraag gesteld of verdachte de persoon achter de naam “[verdachte]” is, bij wie afnemers hun drugs via voornoemde telefoonnummers bestelden en voor wie medeverdachte [medeverdachte] drugs rondbracht. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank als volgt.

Observatie van verdachte en medeverdachte [medeverdachte]

Op 15 februari 2007 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] beiden geobserveerd.

Uit het van de observatie van medeverdachte [medeverdachte] opgemaakte proces-verbaal blijkt dat hij die dag in Utrecht een aantal korte bezoekjes aflegt tussen 12.42 uur en 14.57 uur. Hij heeft hierbij veelvuldig een mobiele telefoon aan zijn oor. Daarna vertrekt hij naar de woning van verdachte. Door het observatieteam dat verdachte die dag volgt, wordt om 15.15 uur gezien dat verdachte vanuit zijn woning zwaait naar medeverdachte [medeverdachte], naar het balkon gaat en vervolgens een zwart voorwerp van ongeveer 20 bij 6 cm groot van het balkon naar beneden gooit naar medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] pakt dit voorwerp op en vertrekt vervolgens weer in zijn auto om tussen 15.20 uur en 20.22 uur opnieuw verschillende locaties in Utrecht, IJsselstein en Nieuwegein te bezoeken, waarbij meermalen telkens andere personen voor korte tijd bij hem in de auto gaan zitten om vervolgens weer uit te stappen.

Verklaringen van kopers

De politie houdt op 15 februari 2007 een aantal van deze personen aan nadat zij vermoedelijk verdovende middelen hebben gekocht van medeverdachte [medeverdachte]. Bij fouillering wordt bij hen op heroïne dan wel cocaïne gelijkende waar aangetroffen en deze waar wordt later positief getest op heroïne dan wel cocaïne. Deze personen worden gehoord door de politie en zij geven aan dat zij (via de telefoonnummers [nummer] of [nummer]) bij “[verdachte]” verdovende middelen hebben besteld, waarna deze verdovende middelen zijn afgeleverd door de man die zij aanwijzen op foto 2, zijnde medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting van 19 februari 2009 als getuige verklaard dat hij op 15 februari 2007 aan voornoemde kopers heroïne dan wel cocaïne heeft afgeleverd voor “[verdachte]” en daarbij zelf ook contact had met “[verdachte]” via voornoemde telefoonnummers.

Een aantal kopers is in de veronderstelling dat “[verdachte]”, de man die zij bellen voor het bestellen van hun verdovende middelen, dezelfde man is als de man die de drugs bij hen

komt afleveren. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] echter volgt dat het gaat om twee verschillende personen. Medeverdachte [medeverdachte] geeft immers aan dat hij verdovende middelen afleverde in opdracht van “[verdachte]” en zelf “[verdachte]” niet is. Alleen “[verdachte]” had telefonisch contact met kopers. Dit beeld komt ook naar voren uit de eerdergenoemde tapgesprekken. Daarnaast verklaart een aantal kopers, te weten [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3], dat de man bij wie zij hun verdovende middelen bestelden, niet dezelfde man is als de man die de verdovende middelen bij hen afleverde.

Koper [getuige 2] verklaart hierover dat hij “[verdachte]” in ieder geval al vier jaar kent. Hij heeft “[verdachte]” diverse keren gezien en vaker drugs bij hem heeft gekocht. De man met de bril die hem op 15 februari 2007 de verdovende middelen kwam afleveren, is een andere man dan deze “[verdachte]”, aldus deze getuige. Koper [getuige 1] verklaart dat hij “[verdachte]” al een jaar of drie kent. Hij kent [verdachte] van gezicht omdat “[verdachte]” hem ook wel eens drugs heeft gebracht. Daarnaast geeft deze getuige aan dat hij ook wel eens heeft gesproken met “[verdachte]” in het winkelcentrum over de kwaliteit van de drugs die “[verdachte]” aan hem geleverd had. [getuige 1] verklaart dat hij telefonisch contact had met “[verdachte]”, zijn bestelling doorgaf en de drugs vervolgens werd afgeleverd door een andere jongen.

Tot slot verklaart ook koper [getuige 3], die “[verdachte]” al zo’n anderhalf jaar kent, dat de man die hij belde om drugs te bestellen, “[verdachte]”, niet dezelfde man is als de man die de drugs bracht.

Herkenning van verdachte als “[verdachte]” door kopers bij enkelvoudige fotoconfrontatie

De politie heeft aan voornoemde kopers twee foto’s laten zien: 1 van verdachte en 1 van medeverdachte [medeverdachte]. Voornoemde kopers herkennen verdachte op deze foto’s als “[verdachte]”, de man die zij belden voor het bestellen van drugs en medeverdachte [medeverdachte]i als de man die hen de drugs bracht.

De raadsman van verdachte heeft het standpunt ingenomen dat er in plaats van een enkelvoudige fotoconfrontaties meervoudige fotoconfrontaties hadden moeten plaatsvinden. Door dit niet te doen heeft de politie de getuigen geen keuze gelaten en dient de bewijs-waarde van de verklaringen van getuigen [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3], die verdachte herkennen als de persoon die zij bellen om drugs te kopen, op nul gesteld dan wel sterk gerelativeerd te worden, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De aan de getuigen getoonde foto’s betroffen geen foto’s van onbekende verdachten, maar van verdachten die op dat moment al waren aangehouden. Kopers [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3], voornoemd, hebben verklaard dat zij verdachte al jaren kenden en hem diverse malen hebben gezien. De getuigen wisten dus heel goed hoe verdachte er uit zag. Geconfronteerd met de foto’s hebben deze getuigen verdachte aangewezen als de persoon die zij belden voor het bestellen van drugs en medeverdachte [medeverdachte] aangewezen als de persoon van wie zij de drugs op 15 februari 2007 afgeleverd kregen. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen enkel strafvorderlijk bezwaar dat aan getuigen foto’s worden getoond op de wijze zoals dat hier is gebeurd. De rechter-commissaris heeft dezelfde foto’s bovendien ook aan de getuigen getoond en ook daar hebben de getuigen verdachte aangewezen als de man die zij belden om drugs te bestellen. De rechtbank concludeert dat ten aanzien van het tonen van de foto’s van enige onrechtmatigheid geen sprake is. De rechtbank verwerpt dan ook voornoemd verweer van de verdediging.

Aantreffen mobiele telefoons in de auto van verdachte

Bij doorzoeking van de auto van verdachte zijn drie mobiele telefoons aangetroffen, waaronder de telefoons met de nummers [nummer] en [nummer], zijnde de telefoonnummers waarvan diverse kopers hebben verklaard dat zij dit nummer konden bellen voor het bestellen van hun verdovende middelen. Op de passagiersstoel van de auto van verdachte wordt voorts een sticker aangetroffen met de tekst: “Uw mobiele nummer is [nummer]”. Verdachte heeft verklaard dat de telefoons met voornoemde telefoonnummers niet van hem zijn, maar van een vriend. Deze vriend zou “[verdachte]” zijn. “[verdachte]” zou op de dag van zijn aanhouding (15 februari 2007) bij hem zijn ingestapt en hij heeft deze telefoons in zijn auto achtergelaten, aldus verdachte.

Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Op 15 februari 2007 is verdachte geobserveerd door een observatieteam. Uit de processen-verbaal van observatie blijkt dat verdachte is geobserveerd vanaf 12.30 uur tot en met het tijdstip van zijn aanhouding diezelfde avond. Uit deze gedetailleerde processen-verbaal blijkt voorts dat verdachte eerst om 15.26 uur in zijn auto is gestapt, waarna hij diverse locaties in Utrecht heeft bezocht. Er zijn geen personen bij verdachte in of uit de auto gestapt, anders dan verdachte zelf. Uit voornoemde processen-verbaal van observatie blijkt dat het observatieteam verdachte bij de observatie niet uit het oog is verloren. Hoewel verdachte zeer stellig heeft verklaard dat “[verdachte]” op 15 februari 2007 bij hem is ingestapt, blijkt dit echter niet uit voornoemde processen-verbaal. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven.

Stemherkenningsonderzoek

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde feiten en omstandigheden genoegzaam is gebleken dat het verdachte is geweest die onder de naam “[verdachte]” gebruik maakte van de telefoonnummers [nummer] en [nummer]. De rechtbank vindt daarbij ook ondersteuning in het deskundigenrapport van professor A.P.A. Broeders van 21 mei 2008, dat op verzoek van de verdediging is opgesteld. Professor Broeders heeft tapgesprekken beluisterd die zich in het dossier bevinden en aan verdachte worden toegeschreven, maar waarvan de verdediging heeft betwist dat verdachte aan deze gesprekken heeft deelgenomen. In zijn rapport geeft professor Broeders aan dat de stem van de door hem beluisterde taps met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de stem van verdachte is. Een met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid betreft de hoogste gradatie van zekerheid die een wetenschapper kan geven, zo blijkt uit de vakbijlage bij het rapport.

De verdediging heeft de bewijswaarde van voornoemd stemherkenningsonderzoek echter betwist en aangevoerd dat op basis van dit stemherkenningsonderzoek niet is uit te sluiten dat verdachte niet “[verdachte]” is.

Ten aanzien van de bewijswaarde van het stemherkenningsonderzoek overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank realiseert zich dat het onderzoek van professor Broeders een subjectief onderzoek betreft. Dit onderzoek is echter naar het oordeel van de rechtbank niet zonder waarde, gelet op de lange staat van dienst van deze deskundige.

Professor Broeders is jarenlang werkzaam geweest bij het NFI en beschikt over bijzonder veel expertise op het gebied van spraakonderzoek en spraakherkenning.

De rechtbank is voorts van oordeel dat bij het bezigen van stemherkenning voor het bewijs behoedzaamheid op zijn plaats is. Dat klemt te meer waar een stemherkenning het dragende bewijs vormt. In de onderhavige zaak is daarvan echter geen sprake. De stemherkenning vormt immers slechts een onderdeel van het bewijs. Gezien het voorgaande kan aan het stemherkenningsonderzoek wel ondersteunende bewijswaarde worden toegekend.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de gevoerde verweren, in onderling verband en samenhang bezien met de vaststaande feiten en omstandigheden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte “[verdachte]” is, de man achter de “besteltelefoonnummers” [nummer] en [nummer] en dat hij tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte]i heroïne en cocaïne heeft verkocht.

De periode binnen welke is gehandeld

Ten aanzien van de periode binnen welke is gehandeld, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte al vanaf 1 januari 2003 verdovende middelen heeft verkocht. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte nimmer verdovende middelen heeft verkocht.

Op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 4], [getuige 1] en [getuige 5] (voornoemd), die verklaren dat zij respectievelijk “meer dan vier jaar”, “twee jaar”, “drie jaar” en “een jaar of twee” drugs bestellen bij “[verdachte]”, heeft de rechtbank de overtuiging verkregen dat verdachte gedurende een periode van twee jaar cocaïne en heroïne heeft verkocht. Een exacte datum waarop verdachte is begonnen met handelen, valt niet vast te stellen, maar uitgaande van de hiervoor vermelde verklaringen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in ieder geval vanaf

15 februari 2005 cocaïne en heroïne heeft verkocht aan voornoemde kopers.

Voor een langere periode, zoals door de officier van justitie bewijsbaar is geacht, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen gelegen in de periode van omstreeks 15 februari 2005 tot en met

15 februari 2007 in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een

ander, opzettelijk heeft verkocht hoeveelheden van een materiaal (telkens) bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander gedurende een periode van 2 jaren harddrugs, waaronder heroïne en cocaïne, verkocht. Verdachte heeft de handel in verdovende middelen professioneel aangepakt. Verdachte had meerdere telefoonnummers in gebruik waarop hij telefonisch bereikbaar was voor afnemers van cocaïne en/of heroïne voor het plaatsen van een bestelling. Na het aannemen van bestellingen dirigeerde hij zijn koerier naar de plaats van bestemming. De vaste klanten werden daarbij op de hoogte gehouden van nieuwe telefoonnummers. Bij een nieuw in gebruikgenomen telefoonnummer werd aan hen een sms verstuurd dan wel een strookje afgegeven met het nieuwe telefoonnummer.

Verdachte heeft bij de verkoop van harddrugs gehandeld uit puur winstbejag, in de wetenschap dat deze verdovende middelen grote gevaren opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan en die gebruikers hun drugsgebruik veelal door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 mei 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 3 april 2007, opgemaakt door A.M.R. Rojer, reclasseringswerker.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank een kortere pleegperiode bewezen acht en tevens van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring, nu is gebleken deze voorwerpen tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een zilveren mobiele telefoon van het merk Nokia met Imeinummer [nummer], een sleutel van een kluis, een namaak Rolex-horloge en een gouden zegelring;

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een blauwe mobiele telefoon van het merk Nokia met Imeinummer [nummer], een oranje mobiele telefoon van het merk Nokia met Imeinummer [nummer] en een sticker met daarop de tekst “uw telefoonnummer is [nummer]”;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 maart 2009.