Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH5087

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
16-710469-07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor een gevangenisstraf van 15 maanden voor het in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710469-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman: mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. E.D.I. Martens, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander gedurende langere tijd harddrugs heeft gedeald en op 15 februari 2007 in het bezit was van 15.41 gram heroïne en 36,75 gram cocaïne.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Volgens de raadsman omvat het onder 1 ten laste gelegde feit ook het onder 2 ten laste gelegde feit, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging voor feit 2, met een beroep op artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De rechtbank constateert dat het onder 2 ten laste gelegde gelijk is aan het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (“het aanwezig hebben van”) en dat sprake is van overlapping in tijd: het tijdstip waarop het onder 2 ten laste gelegde zou zijn begaan valt binnen de onder 1 ten laste gelegde periode.

Van “andermaal vervolgen” in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht is echter geen sprake, nu het onder 2 ten laste gelegde geen feit is waarover ten aanzien van de verdachte bij gewijsde onherroepelijk is beslist. Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht levert derhalve geen grond op voor het niet ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in haar vervolging ter zake van feit 2.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met beginselen van een goede procesorde.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat duidelijk is dat de vervolging van verdachte ziet op twee feiten, enerzijds het bezit van cocaïne en heroïne op 15 februari 2007 en anderzijds de handel in cocaïne en heroïne in de daaraan voorafgaande periode.

De rechtbank concludeert de door de raadsman genoemde grond niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan leiden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich net als de officier van justitie op het standpunt gesteld dat zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde periode heeft de raadsman zich evenwel op het standpunt gesteld dat deze periode dient te worden bekort.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende vastgesteld.

In januari en februari 2007 komen er meerdere RCIE-berichten over verdachte en medeverdachte [medeverdachte] binnen. Volgens deze informatie handelt medeverdachte [medeverdachte] in verdovende middelen (cocaïne en heroïne), waarbij hij verdachte als koerier inzet. Medeverdachte [medeverdachte] zou hierbij gebruik maken van de telefoonnummers [nummer] en [nummer] en zichzelf [medeverdachte] noemen.

Naar aanleiding van voorgaande RCIE-berichten start de politie een onderzoek. Met een machtiging worden voornoemde telefoonnummers getapt van respectievelijk

12 februari 2007 tot en met 15 februari 2007 en op 15 februari 2007.In de getapte telefoongesprekken wordt bevestigd dat via voornoemde telefoonnummers een handel in verdovende middelen plaatsvindt door een man die zichzelf [medeverdachte] noemt. Daarnaast komt in deze telefoongesprekken een vaste werkwijze naar voren.

Een koper belt naar een van voornoemde telefoonnummers, waarbij tussen de koper en de man die zichzelf [medeverdachte] noemt een locatie en in sommige gevallen een hoeveelheid en/of prijs wordt afgesproken voor de aanschaf van verdovende middelen. [medeverdachte] zoekt vervolgens telefonisch dan wel via sms-berichten contact met het telefoonnummer van zijn koerier, “[verdachte]”, om deze gegevens (al dan niet) middels een code door te geven. De overdracht van de verdovende middelen vindt vervolgens plaats tussen deze [verdachte] en de koper.

Op 15 februari 2007 wordt verdachte geobserveerd. Uit het van de observatie opgemaakte proces-verbaal blijkt dat hij die dag in Utrecht een aantal korte bezoekjes aflegt en verschillende locaties in Utrecht, IJsselstein en Nieuwegein bezoekt, waarbij meermalen telkens andere personen voor korte tijd bij hem in de auto gaan zitten om vervolgens weer uit te stappen. De politie houdt een aantal van deze personen aan nadat zij vermoedelijk

verdovende middelen hebben gekocht verdachte. Bij fouillering wordt bij hen op heroïne dan wel cocaïne gelijkende waar aangetroffen en deze waar wordt later positief getest op heroïne dan wel cocaïne. Deze personen worden gehoord en zij geven aan dat zij (via de telefoonnummers [nummer] of [nummer]) bij [medeverdachte] verdovende middelen hebben besteld, waarna deze verdovende middelen zijn afgeleverd door de man die zij aanwijzen op foto 2, zijnde verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 19 februari 2009 bekend dat hij [verdachte] is en onder andere op 15 februari 2007 heroïne en cocaïne heeft verkocht voor de man die zichzelf [medeverdachte] noemt. Verdachte heeft daarnaast voornoemde werkwijze bevestigd. Verdachte kan en wil - zo stelt hij - in verband met zijn eigen veiligheid geen nadere verklaring afleggen over wie [medeverdachte] is.

Hoewel verdachte niet heeft verklaard wie de persoon achter de naam [medeverdachte] is, acht de rechtbank grond van bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen met deze [medeverdachte], dus tezamen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

De periode binnen welke is gehandeld

Verdachte heeft erkend samen met [medeverdachte] heroïne en cocaïne te hebben verkocht aan verschillende personen. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij hiermee pas in oktober 2006 is begonnen, nadat hij werkloos was geraakt. Voor oktober 2006 zegt hij nooit drugs te hebben verkocht. De officier van justitie stelt zich echter op het standpunt dat verdachte al vanaf januari 2005 drugs verkoopt.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging verkregen dat verdachte gedurende een periode van zes maanden cocaïne en heroïne heeft verkocht, zijnde enkele weken langer dan dat verdachte zelf toegeeft. Deze overtuiging is met name gegrond op de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die op 15 februari 2007 verklaren dat zij sinds circa zes maanden drugs kochten van verdachte.

Een exacte datum waarop verdachte is begonnen met handelen, valt niet vast te stellen, maar uitgaande van de hiervoor vermelde verklaringen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in ieder geval vanaf 15 augustus 2006 cocaïne en heroïne heeft verkocht aan de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], voornoemd.

Voor een langere periode, zoals door de officier van justitie bewijsbaar is geacht, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Op 15 februari 2007 wordt de auto van verdachte, een Peugeot 306 met kenteken

[kenteken], in beslag genomen. Bij een doorzoeking van deze auto treft de politie in de stuurkolom een aantal zakjes met wit poeder en een aantal zakjes met bruin poeder aan.

Onderzoek door de politie en het NFI heeft uitgewezen dat het gaat om 15.41 gram heroïne en 36,75 gram cocaïne. Verdachte heeft ter zitting van 19 februari 2009 verklaard dat deze, in zijn auto aangetroffen hoeveelheden heroïne en cocaïne, zijn eigendom zijn.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen gelegen in de periode van omstreeks 15 augustus 2006 tot en met 15 februari 2007 in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht hoeveelheden van een materiaal (telkens) bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 15 februari 2007 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad 15,41 gram, van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en 36,75 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

- in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte met de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis voldoende is gestraft.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan handel in cocaïne en heroïne gedurende een periode van ongeveer 6 maanden, alsmede aan het voorhanden hebben van harddrugs op de dag van zijn aanhouding, kennelijk bestemd voor de handel. De rechtbank acht deze feiten zeer ernstig. Cocaïne en heroïne zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de randcriminaliteit en het overlastgevende gedrag waaraan verslaafden zich veelal schuldig maken. Verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen. De handel in harddrugs dient krachtig te worden bestreden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 mei 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld vanwege het plegen van misdrijven. De rechtbank zal dit ten voordele van verdachte laten meewegen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een kortere pleegperiode bewezen acht en voorts van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De onttrekking aan het verkeer

Nu de in beslag genomen heroïne en cocaïne middelen zijn als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, dienen deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden onttrokken aan het verkeer.

7.3 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat dit voorwerp aan verdachte toebehoort en dit voorwerp tot het begaan van het misdrijf dat onder 1 ten laste is gelegd is bestemd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- Feit 1: in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een grijze mobiele telefoon van het merk Nokia met Imeinummer [nummer] en een grijze mobiele telefoon van het merk Nokia met Imeinummer [nummer];

- verklaart het inbeslaggenomen etui met heroïne en cocaïne onttrokken aan het verkeer;

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een Peugeot 306 met kenteken [kenteken] en een stuk papier met het telefoonnummer [nummer]

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 maart 2009.