Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH4693

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
260358 / JE RK 08-3025
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging machtiging gesloten jeugdzorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Verlenging machtiging gesloten jeugdzorg

Sector handels- en familierecht

zaaknummer: 260358 / JE RK 08-3025

beschikking van 27 februari 2009 van de kinderrechter met betrekking tot de jeugdige:

[jeugdige], geboren op [datum] 1990 te Hengelo,

kind van

[vader], wonende te [woonplaats],

en

[moeder], wonende te [woonplaats].

1. Verloop van de procedure

Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft op 31 december 2008 verzocht om een machtiging om de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven te verlengen met ingang van 22 februari 2009 voor de duur van het daartoe strekkende indicatiebesluit.

Overgelegd zijn voorts het hulpverleningsplan en verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, alsmede afschriften van het indicatiebesluit en van de verklaring van de stichting voorzien van instemming van de gedragskundige.

Aangezien om verlenging van een machtiging plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is verzocht, is aan de jeugdige als raadsvrouwe toegevoegd mr. M.L.E. Lenglet.

Ter terechtzitting van 16 februari 2009 is deze zaak door de kinderrechter van de rechtbank Utrecht behandeld.

Bij beschikking van 17 februari 2009 heeft de kinderrechter het onderzoek heropend, de machtiging met ingang van 22 februari 2009 tot en met 27 februari 2009 verlengd en het verzoek voor het overige aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht.

De meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht heeft de behandeling ter terechtzitting van 26 februari 2009 voortgezet.

Ter terechtzitting van 26 februari 2009 waren aanwezig:

- de jeugdige met haar advocaat;

- de moeder van de jeugdige met haar advocaat (mr. J.J. Stobbe);

- de vader van de jeugdige;

- mevrouw J.I. Heuvelhorst, namens Bureau Jeugdzorg;

- mevrouw M.C. van Ree, namens Bureau Jeugdzorg.

2. Beoordeling van het verzochte

Aan de orde is thans nog de beoordeling van het verzoek van Bureau Jeugdzorg om een machtiging voor gesloten jeugdzorg voor de periode van 28 februari 2009 tot 9 september 2009, zijnde de expiratiedatum van het indicatiebesluit.

Standpunt van de jeugdige

De jeugdige heeft verzocht het verzoek van Bureau Jeugdzorg af te wijzen. Daartoe is namens de jeugdige door haar raadsvrouwe het volgende naar voren gebracht.

De door Bureau Jeugdzorg verzochte machtiging is in strijd met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), waarin is bepaald dat alleen minderjarigen ten behoeve van hun opvoeding hun vrijheid kan worden ontnomen. Ook blijkens het arrest Koniarska v. U.K. (Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), nr. 33 670 /96 d.d.12 oktober 2000) is opname na meerderjarigheid in strijd met artikel 5 van het EVRM.

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 23 januari 2009 (LJN: BH0778) artikel 29a, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg onverbindend verklaard wegens strijd met artikel 5 van het EVRM.

In de Memorie van Toelichting van de Wet op de Jeugdzorg komt naar voren dat er een korte overbruggingsfase mogelijk is na bereiken van de meerderjarigheid. Dit moet dan wel proportioneel zijn en in verhouding staan tot het te bereiken doel. Bureau Jeugdzorg schat in dat de behandeling nog zes maanden tot een jaar zal duren. Hier kan dus geen sprake zijn van een korte overbruggingsperiode. Daar komt bij dat ook op minder ingrijpende wijze hulpverlening kan worden ingezet, welke niet in strijd komt met artikel 5 van het EVRM. Aan de jeugdige kan, wanneer zij bij haar moeder gaat wonen, ambulante hulpverlening worden verleend. Zij is bereid om daar aan mee te werken.

Standpunt van Bureau Jeugdzorg

Bureau Jeugdzorg heeft gepersisteerd bij het verzoek. Daartoe is door Bureau Jeugdzorg ter terechtzitting het volgende naar voren gebracht.

Het EVRM definieert niet een leeftijdsgrens voor meerderjarigheid. De leeftijdsgrens van 18 jaar, die in Nederland geldt, moet niet zo strikt worden gehanteerd. In andere Nederlandse wet- en regelgeving bestaat ook de mogelijkheid om af te wijken van de grens van 18 jaar. Verder functioneert de jeugdige, ondanks haar kalenderleeftijd van 18 jaar, feitelijk op een lager leeftijdsniveau. Afgezien daarvan is het in het geval van jeugdzorg natuurlijk niet zo dat bij het bereiken van de meerderjarigheid ook de noodzaak voor hulpverlening vervalt.

Voorts is in het onderhavige geval sprake van een korte overbruggingsfase. De jeugdige wordt vanaf augustus 2008 behandeld binnen de Ottho Gerhard Heldringstichting (OGH). Zij is inmiddels overgeplaatst naar een besloten groep en zal daar tot 9 september 2009, de datum waarop het indicatiebesluit expireert, worden behandeld. Daarna zal zij door kunnen gaan naar een individuele behandelplek. Ook wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voor die overbruggingstermijn.

Daarnaast is de problematiek van de jeugdige dusdanig groot, dat zij nu nog niet naar huis kan. Er worden nu goede resultaten geboekt met de behandeling. Het gaat nog slechts om een periode van zes maanden, zijnde het tweede gedeelte van de behandeling. Bureau Jeugdzorg heeft geen vertrouwen in ambulante behandeling in een vrijwillig kader. De vrees bestaat dat de jeugdige zich daaraan zal onttrekken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal allereerst het verweer dat betrekking heeft op artikel 5 van het EVRM bespreken.

De behandeling in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg bij meerderjarigheid vindt haar wettelijke grondslag in artikel 29a, eerste lid, Wet op de Jeugdzorg. De tekst van deze bepaling luidt:

Dit hoofdstuk is van toepassing op minderjarige jeugdigen alsmede op jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij meerderjarig werden, een machtiging gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, in afwijking van artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als minderjarigen behandeld.

Artikel 5 eerste lid, aanhef en onder d, van het EVRM luidt als volgt:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

d. in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden.

De Raad van State heeft zich in zijn advies over het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) uitgelaten over de vraag of de voortduring van behandeling van meerderjarigen in gesloten jeugdzorg ingevolge artikel 29a, eerste lid, Wet op de Jeugdzorg in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVRM. De Raad van State heeft daarover in het advies het volgende overwogen:

“Bovendien moet nagegaan worden of het regelen van gesloten opname voor meerderjarigen, buiten het regiem van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz), verenigbaar is met de vereisten van artikel 5, eerste lid, onder d, van het EVRM. De toelichting wijst erop dat het EVRM spreekt van minderjarigheid zonder concrete leeftijdsaanduiding. Van de in Nederland geldende leeftijd van 18 jaar waarop de meerderjarigheid ingaat kan, aldus de toelichting, afgeweken worden. In dit wetsvoorstel wordt de mogelijkheid van een na het ingaan van de meerderjarigheid voortgezette gedwongen behandeling gemotiveerd met een verwijzing naar nog steeds aanwezige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid belemmeren.

Wat onder «minderjarige» moet worden begrepen, wordt niet gedefinieerd in het EVRM. Om een persoon overeenkomstig artikel 5, eerste lid, onderdeel d, EVRM van zijn vrijheid te beroven, dient hij evenwel minderjarig te zijn. Daarvoor dient de nationale wetgeving tot uitgangspunt te worden genomen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de grens hoger zal stellen dan die waarop de meerderjarigheid in de desbetreffende verdragsstaat wordt bereikt. 1

Het vorenstaande betekent dat niet zonder meer aan ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen een doorslaggevende betekenis kan worden toegekend voor een voortgezette behandeling van jeugdigen boven de 18 jaar. Niet uitgesloten behoeft te worden dat er enige ruimte kan worden gelaten voor een aansluitende periode van vrijheidsbeneming na het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd ingeval sprake is van een overbruggingsfase in afwachting van een daaropvolgende mogelijkheid van opvang of verblijf elders, doch dan dient op die mogelijke opvang concreet uitzicht op korte termijn te bestaan. 2

De Raad adviseert, gegeven de internationale regels, het voorstel op dit onderdeel te herzien.”

De Raad van State heeft in zijn advies voorts verwezen naar een tweetal arresten van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM), te weten: (1) Koniarska v. U.K. nr. 33 670/96 d.d. 12 oktober 2000 en (2) Eriksen v. Norway Recueil/Reports, 1997-III d.d. 27 mei 1997.

In het arrest Koniarska was sprake van een 17-jarige, die op grond van haar nationale wetgeving bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar meerderjarig werd. Deze 17-jarige had aangevoerd dat haar vrijheidsbeneming niet in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVRM, omdat zij ‘the school leaving age’ was gepasseerd en geen ‘education’ kreeg. Het EHRM stelde vast dat sprake was van iemand beneden de leeftijd van 18 jaar en derhalve van een minderjarige. Voorts stelde het EHRM vast dat de toepasselijkheid van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVRM is beperkt tot de vrijheidsbeneming van ‘minderjarigen’, en niet tot personen onder ‘the school leaving age’.

De Raad van State heeft in zijn hiervoor genoemde advies, onder verwijzing naar dit arrest, geconcludeerd dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de grens hoger zal stellen dan die waarop de meerderjarigheid in de desbetreffende verdragsstaat wordt bereikt.

In het arrest Eriksen kwam de vraag aan de orde of de vrijheidsbeneming van de meerderjarige Eriksen gedurende de periode van 25 februari 1990 tot 15 mei 1990 in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 5 van het EVRM. Op 25 februari 1990 was de bij rechterlijke beslissing bepaalde maximale periode van detentie van Eriksen afgelopen, terwijl op een verzoek tot verlenging van die detentieperiode nog niet was beslist.

In het kader van de procedure met betrekking tot het verlengingsverzoek vereiste de nationale wetgeving een medische rapportage omtrent de geestelijke gezondheid van Eriksen. In afwachting van die rapportage had de rechter verdere detentie vanaf 25 februari 1990 bevolen. Daarbij was in aanmerking genomen, dat gelet op de voorgeschiedenis van Eriksen het verlengingsverzoek waarschijnlijk zou worden toegewezen.

Het EHRM oordeelde dat de vrijheidsbeneming in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a en c, van het EVRM. Het EHRM overwoog daarbij onder meer dat sprake was van een overbruggingsdetentie van een korte duur met de bedoeling om Eriksen voor een rechterlijke autoriteit te brengen.

De Raad van State heeft onder verwijzing naar het arrest Eriksen in zijn advies niet uitgesloten geacht dat er enige ruimte bestaat voor een aansluitende periode van vrijheidsbeneming na het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd ingeval sprake is van een overbruggingsfase in afwachting van een daaropvolgende mogelijkheid van opvang of verblijf elders, waarop concreet uitzicht op korte termijn bestaat.

Vast staat dat in het onderhavige geval de jeugdige vanaf augustus 2008 verblijft en wordt behandeld in OGH, een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Dit verblijf moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een vrijheidsbeneming op opvoedkundige gronden. Gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM, is een vrijheidsbeneming op die grond slechts toelaatbaar ten aanzien van minderjarigen. De omstandigheid dat een verdere behandeling na het bereiken van de meerderjarigheid nog nodig is voor de jeugdige, kan geen grondslag zijn voor een dergelijke vrijheidsbeneming.

De vraag of de jeugdige een minderjarige in de zin van artikel 5, eerste lid, onder d, EVRM is, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Het EVRM geeft geen definitie van het begrip minderjarige. De rechtbank is echter, evenals de Raad van State blijkens zijn eerdergenoemde advies, van oordeel dat voor de uitleg van dit begrip aangesloten dient te worden bij de nationale wetgeving. Dit leidt ertoe dat men in Nederland ingevolge artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek – voor zover hier van belang – minderjarig is, zolang men de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

Bureau Jeugdzorg heeft gesteld dat de leeftijdsgrens van 18 jaar niet zo strikt gehanteerd moet worden, nu ook in andere wet- en regelgeving de mogelijkheid bestaat om af te wijken van deze leeftijdsgrens. Voor zover deze stelling op zou gaan, is daarvan in de Wet op de Jeugdzorg in elk geval geen sprake. In deze wet is immers voor de toepassing van artikel 29a, eerste lid, van die wet geen afwijkende leeftijdsgrens voor het bereiken van de meerderjarigheid opgenomen. Ingevolge artikel 29a, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg wordt slechts bepaald dat meerderjarigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en ten aanzien van wie op het tijdstip dat ze meerderjarig werden een machtiging gold, voor de toepassing van hoofdstuk IVA van die wet, worden behandeld als minderjarigen.

Vaststaat dat de jeugdige op [datum] 2008 18 jaar is geworden en derhalve, gelet op bepaalde in artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek, sedertdien meerderjarig is. Gelet hierop komt een voortzetting van het verblijf van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg in beginsel in strijd met artikel 5, eerste lid, onder d, EVRM.

De stelling van Bureau Jeugdzorg dat de jeugdige op een lager niveau functioneert dan een 18-jarige maakt dit niet anders, reeds omdat deze stelling niet nader is onderbouwd. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of een vrijheidsbeneming op opvoedkundige gronden ten aanzien van een jeugdige die functioneert op het niveau van iemand van jonger dan 18 jaar in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, onder d, van het EVRM is.

De rechtbank is, mede gelet op het hiervoor genoemde advies van de Raad van State en het arrest Eriksen van het EHRM, van oordeel dat in zeer specifieke omstandigheden een verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ook na het bereiken van de meerderjarigheid nog in overeenstemming kan zijn met het bepaalde in artikel 5 EVRM. Uit het arrest Eriksen blijkt, zoals ook de Raad van State in zijn advies heeft overwogen, dat daarbij gedacht kan worden aan een korte overbruggingsperiode in afwachting van een andere opvang of verblijf, waarop een concreet zicht op korte termijn bestaat.

In het onderhavige geval doen dergelijke specifieke omstandigheden op grond waarvan een voortzetting van de vrijheidsbeneming van de jeugdige in het licht van artikel 5 EVRM nog toelaatbaar kan worden geacht, zich niet voor. Met name is geen sprake van een vrijheidsbeneming bij wijze van korte overbrugging naar een andere opvang of verblijf. Het is immers de bedoeling dat de jeugdige nog tot 9 september 2009, derhalve gedurende ruim zes maanden, binnen OGH wordt behandeld en dat de behandeling ook daarna nog enige tijd wordt voortgezet op een individuele behandelplek.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verlenging van de machtiging gesloten jeugdzorg voor de jeugdige in dit geval in strijd zou komen met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVRM.

Het verzoek van Bureau Jeugdzorg om verlenging van de machtiging gesloten jeugdzorg voor de periode vanaf 28 februari 2009 tot 9 september 2009 dient derhalve te worden afgewezen.

Gelet hierop kan beoordeling van de vraag of overigens is voldaan aan de voorwaarden voor

de verzochte machtiging achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van

27 februari 2009 door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. E.E.A. van Kalveen en mr. R.C. Stijnen, kinderrechters, in bijzijn van G. Hagens als griffier.