Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH3305

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
SBR 08/3664 VV en SBR 08/3665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak. SBR 08/3664 en SBR 08/3665.

Samenvatting, rechtsoverweging 2.6:

Beantwoording in meer algemene zin van de vraag in welke gevallen een betrokkene als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit tot het verlenen van een kapvergunning. Dit om een richtsnoer te bieden voor de bestuurlijke praktijk, en om zodoende bij te dragen aan rechtsgelijkheid en rechtseenheid. In aansluiting op hetgeen is overwogen door de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 1 september 2008 (LJN:BF3709), op welke uitspraak door verweerder een beroep is gedaan, heeft te gelden dat:

- personen die op meer dan 100 meter afstand van de bomen wonen en geen zicht hebben op deze bomen; en

- personen die weliswaar zicht hebben op de bomen, maar op meer dan 200 meter van de bomen wonen,

niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt ten aanzien van het besluit waarbij voor die boom of bomen een kap- of velvergunning wordt verleend. Van deze hoofdregel kan en moet worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn indien het gaat om de kap van een beeldbepalende of monumentale boom, die bijzondere waarden vertegenwoordigt, of bijvoorbeeld bij de kap van grote aantallen bomen in een stadspark of bos. Dan zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of de betrokkene zich kwalificeert als belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 57
JB 2009/106
JOM 2009/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/3664 VV en SBR 08/3665

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[eiseres sub 1],

[eiser sub 2],

[eiser sub 3],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 23 juli 2008 heeft verweerder aan de gemeente Utrecht (verder: vergunninghouder) een vergunning verleend voor het vellen van vijf esdoorns, zes elzen en vier essen, gesitueerd op en rondom het sportpark, in het heestervak aan de Thorbeckelaan 16 te Utrecht.

Bij uitspraak van 24 september 2008 (SBR 08/2494) heeft de voorzieningenrechter dit besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.

Het onderhavige verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 11 (14) november 2008 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eisers tegen het besluit van 23 juli 2008 ongegrond is verklaard.

1.2 Het verzoek is op 30 januari 2009 ter zitting behandeld, waar eiseres [sub 1] in persoon is verschenen, bijgestaan door drs. C. van Oosten, werkzaam bij Bureau Rechtsbescherming te Utrecht. De overige eisers zijn niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. S. Ramdoelare-Tewari, werkzaam bij de gemeente Utrecht, en G.A.J. Schaap, projectmanager bij AM Grondbedrijf. Namens de vergunninghouder is R.J. Smit, projectleider in dienst van de gemeente Utrecht verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 08/3665):

2.3 Op 3 juni 2008 heeft vergunninghouder een velvergunning aangevraagd voor vijf esdoorns, zes elzen en vier essen. De vergunninghouder wenst deze bomen te kappen om de tweede fase van de herinrichting mogelijk te maken van het sportpark aan de Thorbeckelaan te Utrecht.

Bij de aanvraag is een situatietekening gevoegd, waarop is aangegeven welke bomen verwijderd dienen te worden en welke bomen behouden blijven.

2.4 Het bezwaar en beroep van eisers ziet uitsluitend op de vergunning voor de vier essen. Verweerder heeft het bezwaar van eisers ontvankelijk geacht, doch ongegrond verklaard onder handhaving van de op 23 juli 2008 verleende velvergunning. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers niet als belanghebbenden bij het primaire besluit zijn aan te merken, zodat eisers ten onrechte in hun bezwaren tegen het primaire besluit zijn ontvangen.

Eisers hebben ter zitting betoogd dat zij wel als belanghebbenden bij genoemd besluit moeten worden aangemerkt, al was het maar vanwege de aard van de bezwaar- en beroepsgronden. Verder zijn eisers van mening dat verweerder in dit stadium de ontvankelijkheid van hun bezwaar of beroep niet meer aan de orde kan stellen.

De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun betoog. Daarbij is van belang dat de ontvankelijkheid van het bezwaar en het beroep wordt geacht van openbare orde te zijn. Het is aan de bestuursrechter de ontvankelijkheid in bezwaar en beroep ambtshalve te controleren, ongeacht de inbreng van partijen op dit punt. Hieruit volgt reeds dat niet relevant is het gegeven dat verweerder in een laat stadium van de procedure met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar van standpunt is gewijzigd. Anders dan eisers menen, is voor de vraag of eisers als belanghebbende kunnen worden aangemerkt verder niet relevant de aard of inhoud van de door hen naar voren gebrachte bezwaar- of beroepsgronden. De ontvankelijkheid van bezwaar of beroep wordt in zaken als de onderhavige beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het onderzoek aan te houden, aangezien de kwestie van de ontvankelijkheid ter zitting aan de orde is gesteld, eisers zich daarover hebben kunnen uitlaten, en van de geboden gelegenheid door hen ook gebruik is gemaakt.

2.5 Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te zijn bij het besluit tot verlening van een kapvergunning, dient de betrokkene een persoonlijk belang te hebben dat hem of haar in voldoende mate onderscheidt van anderen. Bij besluiten omtrent een kapvergunning, zoals hier aan de orde, zal als regel slechts als belanghebbende kunnen worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont of vanuit zijn woning daarop zicht heeft, omdat alleen dan het kappen van de boom of bomen waarvoor vergunning is verleend kan worden geacht in te grijpen op de directe woon- of leefomgeving van de betrokkene.

2.6 De voorzieningenrechter ziet in het nadere standpunt van verweerder aanleiding de vraag in welke gevallen een betrokkene als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit tot het verlenen van een kapvergunning in meer algemene zin te beantwoorden. Dit om een richtsnoer te bieden voor de bestuurlijke praktijk, en om zodoende bij te dragen aan rechtsgelijkheid en rechtseenheid. In aansluiting op hetgeen is overwogen door de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 1 september 2008 (LJN:BF3709), op welke uitspraak door verweerder een beroep is gedaan, heeft te gelden dat:

- personen die op meer dan 100 meter afstand van de bomen wonen en geen zicht hebben op deze bomen; en

- personen die weliswaar zicht hebben op de bomen, maar op meer dan 200 meter van de bomen wonen,

niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt ten aanzien van het besluit waarbij voor die boom of bomen een kap- of ververgunning wordt verleend. Van deze hoofdregel kan en moet worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn indien het gaat om de kap van een beeldbepalende of monumentale boom, die bijzondere waarden vertegenwoordigt, of bijvoorbeeld bij de kap van grote aantallen bomen in een stadspark of bos. Dan zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of de betrokkene zich kwalificeert als belanghebbende.

2.7 Wat betekent toepassing van de onder 2.6 genoemde regel voor het onderhavige geval? Zoals hiervoor aangegeven richt het bezwaar en beroep van eisers zich uitsluitend op de vier essen die deel uitmaken van een lint bomen rond het sportpark. De woningen van [eisers] zijn gelegen, zo is gebleken aan de hand van kaartmateriaal, dat ook ter zitting is getoond, op een afstand van 240 tot 250 meter, althans meer dan 200 meter, van de te kappen vier essen. Dit is door eisers niet betwist. Hoewel moet worden aangenomen dat eisers vanuit hun respectieve woningen zicht (kunnen) hebben op de vier essen, is genoemde afstand zodanig dat, beoordeeld naar objectieve maatstaven, zoals onder 2.6 ingevuld, de kap van deze bomen niet kan worden geacht in te grijpen op de directe woon- of leefomgeving van eisers. Overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die dwingen tot een andersluidend oordeel.

Gelet hierop kunnen eisers niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel

1:2 van de Awb bij het besluit van 23 juli 2008. Hieruit volgt dat verweerder eisers ten onrechte in hun bezwaren tegen dat besluit heeft ontvangen. Dit oordeel dient te worden gecorrigeerd.

2.8 De voorzieningenrechter zal daarom het beroep van eisers gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu verweerder geen ander besluit kan nemen dan eisers alsnog in hun bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren, wordt daarin aanleiding gevonden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

2.9 Er is reden verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Die kosten worden begroot op € 644,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 08/3664):

2.10 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte, of andere, voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 11 november 2008;

3.3 verklaart het bezwaar van eisers tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2008 alsnog niet-ontvankelijk;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit van 11 november 2008;

3.5 bepaalt dat de gemeente Utrecht het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 145,- aan hen vergoedt;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de gemeente Utrecht aan eisers.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.7 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op

13 februari 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. J.J. van Doorn mr. B.J. van Ettekoven

(de griffier is verhinderd

te tekenen)

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.