Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH1901

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
223535/ HA ZA 06-2885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, Sprintplan, 30% eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

223535 / HA ZA 06-288528 januari 2009

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 223535 / HA ZA 06-2885

Vonnis van 28 januari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.P.J. Kroft,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 8 oktober 2008,

de akte van Spaarbeleg,

de antwoordakte van [eiser].

1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal, waaronder de informatie uit het zogenaamde 'welkomstpakket'.

2.3. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 8 oktober 2008 reeds verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) en naar de overweging van het Gerechtshof dat het door Spaarbeleg aan de deelnemers toegezonden 'welkomstpakket' met informatie betreffende het Sprintplan pas door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand was gekomen.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. De inhoud van dat welkomstpakket zal daarom buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van wat de deelnemer op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan.

Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

Hierna zal onder het kopje 'De (verdere) beoordeling' (onderdeel 5. van dit vonnis) allereerst worden vastgesteld over welke informatie [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst beschikte, teneinde te kunnen bepalen wat hij op het moment van het aangaan van de overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan.

2.4. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. Het door [eiser] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 september 2000 tot en met 31 augustus 2005. [eiser] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van EUR 113,45 aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van EUR 6.807,00.

3.2. Na afloop van de overeenkomst heeft [eiser] bericht van Spaarbeleg ontvangen dat hij niets uitgekeerd zou krijgen vanwege het negatieve rendement van het SprintPlan.

3.3. Bij brief van 24 november 2005 van [eiser] aan Spaarbeleg heeft [eiser] de overeenkomst vernietigd dan wel ontbonden.

4. Het geschil

4.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair

1. voor recht verklaart dat de onderhavige overeenkomst onder nummer [nummer] nietig is dan wel vernietigd is dan wel ontbonden is dan wel dat de rechtbank de overeenkomst vernietigt dan wel ontbindt;

2. Spaarbeleg (de rechtbank leest Spaarbeleg, waar [eiser] spreekt over Aegon, nu de rechtbank deze benaming hanteert), tegen behoorlijk bewijs van kwijting, veroordeelt aan eiser de door hem voorafgaand en gedurende de duur van de overeenkomsten betaalde bedragen, voor zover deze betalingen zien op betaling van rente en/of aflossing en een kostenvergoeding ter zake de uitvoering van de onderhavige overeenkomst, te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze door eiser aan Spaarbeleg betaalde bedragen, ingaande het tijdstip van betaling ervan alsmede te vermeerderen met de door eiser als gevolg van het aangaan en de uitvoering van deze overeenkomst geleden gevolgschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

subsidiair

3. voor recht verklaart dat Spaarbeleg ten opzichte van eiser toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de onderhavige overeenkomst en dat Spaarbeleg deswege aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade jegens eiser en dat Spaarbeleg deze schade aan eiser volledig dient te vergoeden;

meer subsidiair

4. voor recht verklaart dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van eiser en dat Spaarbeleg deswege aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade jegens eiser en dat Spaarbeleg deze schade aan hem volledig dient te vergoeden;

subsidiair en meer subsidiair

5. voor recht verklaart dat deze schadevergoeding als volgt berekend moet worden:

a. terugbetaling van de totaal van de gedurende de looptijd van de overeenkomst door eiser aan Spaarbeleg betaalde maandtermijnen;

b. vergoeding aan eiser van de wettelijke rente over het onder 5a. bedoelde bedrag, zulks vanaf de datum van betaling ervan;

c. betaling van de door eiser als gevolg van het aangaan en uitvoeren van de overeenkomst geleden gevolgschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

in alle gevallen:

Spaarbeleg veroordeelt in de proceskosten.

4.2. [eiser] heeft -kort samengevat- aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigbaar is op grond van handelen in strijd met de artikelen 9, 26, 28, 30 lid 3 sub c en 33 sub b onder 1 van de Wet Consumentenkrediet (Wck), dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling, dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden, en dat Spaarbeleg haar zorgplicht ten opzichte van [eiser] heeft geschonden door na te laten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst inlichtingen bij [eiser] in te winnen omtrent zijn financiële positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstelling en door [eiser] onvoldoende te informeren over de risico's van het product.

4.3. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De (verdere) beoordeling

Beschikbare informatie ten tijde van het aangaan van de overeenkomst

5.1. Zoals hiervoor is overwogen, hebben de deelnemers aan het SprintPlan pas na het tot stand komen van de overeenkomst de beschikking gekregen over de informatie in het zogenaamde 'welkomstpakket' en beschikten zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel over mogelijk op voorhand aan hen verstrekte informatie over het SprintPlan en over het voorgedrukte inschrijfformulier.

5.2. Vastgesteld dient te worden over welke informatie [eiser] beschikte ten tijde van het aangaan van de onderhavige SprintPlan-overeenkomst.

[eiser] heeft, zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis van 8 oktober 2008, betwist dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een brochure over het SprintPlan heeft ontvangen. Hij stelt dat hij de overeenkomst heeft afgesloten naar aanleiding van een krantenadvertentie betreffende het SprintPlan. In verband daarmee heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om bij akte aan te geven of op de achterzijde van het inschrijfformulier van [eiser] een samenvatting van de algemene voorwaarden was afgedrukt en, zo ja, om daarvan een afschrift in het geding te brengen alsmede om indien mogelijk een afschrift van de advertentie waar [eiser] op doelt in het geding te brengen.

Bij akte na tussenvonnis heeft Spaarbeleg een afschrift van een advertentie overgelegd. Spaarbeleg heeft gesteld dat deze advertentie soortgelijk is als de advertentie waarop [eiser] heeft gereageerd, hetgeen [eiser] bij antwoordakte (impliciet) heeft erkend.

Spaarbeleg heeft voorts gesteld dat zij [eiser] een 'Inschrijfpakket' heeft toegezonden, dat (in ieder geval) het door [eiser] gebruikte inschrijfformulier en een brochure bevatte. Op de achterzijde van het inschrijfformulier was volgens Spaarbeleg de samenvatting van de algemene voorwaarden afgedrukt. Ook daarvan heeft zij een afschrift overgelegd.

[eiser] betwist dat hem een inschrijfpakket is toegezonden. Hij stelt dat de tussenpersoon die bij hem langs is gekomen het inschrijfformulier bij zich had en dat die het formulier na invulling weer heeft meegenomen, zodat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de samenvatting van de algemene voorwaarden op de achterzijde. [eiser] betwist dat hij een brochure heeft ontvangen.

5.3. Aldus kan worden vastgesteld dat [eiser] voorafgaand aan het afsluiten van de SprintPlan-overeenkomst in ieder geval beschikte over de informatie die was opgenomen in de door Spaarbeleg overgelegde advertentie.

De rechtbank passeert de stelling van Spaarbeleg dat [eiser] daarnaast beschikte over een brochure betreffende het SprintPlan, nu Spaarbeleg niets heeft gesteld over de inhoud van die brochure. Bovendien heeft [eiser] de ontvangst van de brochure betwist.

Of [eiser] al dan niet kennis heeft kunnen nemen van de samenvatting van de algemene voorwaarden kan in het midden worden gelaten, nu (een groot deel van) de daarin opgenomen informatie ook is opgenomen in de advertentie.

Bij de beoordeling van wat [eiser] op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan, zal de rechtbank zich dan ook baseren op de advertentie.

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.4. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007

(LJN BB9779) in gelijke zin geoordeeld. De Wck is dus niet van toepassing op de onderhavige zaak. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiser], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig of vernietigbaar is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.5. [eiser] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat hij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de aard en werking van het SprintPlan en over de risico's ervan, met name het risico dat de inleg verloren kon gaan. Daarnaast is bij dagvaarding in het kader van het beroep op dwaling gesteld dat gedurende de duur van de SprintPlan-overeenkomsten hoge koerswinsten gemaakt moeten worden om het break-evenpunt te bereiken, dat het risico op verlies bij beëindiging van de overeenkomsten eerder te verwachten is dan het behalen van winst en dat het te verwachten rendement van het Sprintplan zeer laag is. [eiser] stelt dat Spaarbeleg hiervoor had moeten waarschuwen. Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiser] bij brief een rendementsberekening in het geding gebracht, naar de rechtbank begrijpt met het doel om zijn stellingen betreffende het break-evenpunt en het te verwachten rendement te onderbouwen. Spaarbeleg heeft bij akte op deze berekening gereageerd en de juistheid daarvan betwist.

5.6. Spaarbeleg heeft primair tot haar verweer aangevoerd dat de vordering tot vernietiging op grond van dwaling is verjaard. Het antwoord op de vraag of het beroep op dwaling al dan niet is verjaard kan echter in het midden blijven, nu de rechtbank, ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat van verjaring geen sprake is, van oordeel is dat de (gestelde) dwaling voor rekening van [eiser] dient te blijven en niet kan leiden tot vernietigbaarheid van de overeenkomst. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.7. Bij de beoordeling van het beroep op dwaling dient te worden uitgegaan van de informatie waarover [eiser] beschikte voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst, te weten de informatie in de advertentie, waarvan Spaarbeleg bij akte na tussenvonnis een afschrift in het geding heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] bij oplettende bestudering van de informatie had kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat hij maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor zijn rekening en risico participaties zou kopen in het GarantieFonds.

In de advertentie is immers vermeld dat Spaarbeleg direct een groot bedrag voorschiet en dat het maandbedrag een vergoeding, rente, is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts wordt aangegeven dat het bedrag in het Aegon GarantieFonds wordt belegd. De looptijd is vijf jaar en nadien wordt de waarde van de belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag. In de advertentie is verder vermeld dat een garantie bestaat op het voorgeschoten bedrag, maar dat de deelnemer risico loopt over de rentebetalingen. Tot slot is vermeld dat bij tussentijdse beëindiging de garantie op het voorgeschoten bedrag komt te vervallen.

Daarnaast kon uit de in de advertentie opgenomen rekenvoorbeelden worden opgemaakt welk rendement bij de daar voorgestelde koersstijgingen zou worden behaald. Dat koersstijgingen ook lager zouden kunnen uitvallen en dat ook koersdalingen zouden kunnen optreden is inherent aan het feit dat bij het SprintPlan, zoals uit de beschikbare informatie blijkt, een beleggingsproduct betrof en wordt als algemeen bekend verondersteld. Het beroep van [eiser] op de door hem overgelegde rendementsberekening -wat er ook zij van de juistheid daarvan- kan hem daarom niet baten.

Van [eiser] mocht worden verwacht dat hij dit informatiemateriaal zou lezen alvorens de SprintPlan-overeenkomst aan te gaan. Als hij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomsten, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

Vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden

5.8. Om aan te kunnen nemen dat sprake is van misbruik van omstandigheden is onder andere vereist dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat [eiser] door de door hem gestelde onervarenheid tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen.

Dat dat het geval is geweest, kan niet worden aangenomen. Bij dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat hij telefonisch contact met Spaarbeleg heeft opgenomen naar aanleiding van de advertentie in de krant en dat er daarna een tussenpersoon bij hem is langsgekomen. Ter comparitie en bij akte heeft hij gesproken over een 'adviseur'. Spaarbeleg heeft daar gesteld dat zij enkel een telefonisch verzoek om informatie van [eiser] heeft gekregen en dat zij [eiser] daarop een inschrijfpakket heeft toegezonden. Dat er een tussenpersoon bij het afsluiten van de overeenkomst betrokken is geweest, blijkt niet uit haar administratie en wordt door haar betwist.

Het is de rechtbank onduidelijk of [eiser] heeft bedoeld te stellen dat de persoon die bij hem thuis is geweest, een medewerker van Spaarbeleg betrof. Voor zover dat zijn bedoeling is geweest, had het, gezien de andersluidende stellingen van Spaarbeleg op dit punt, op zijn weg gelegen om daarover duidelijker te zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de overeenkomst tot stand is gekomen zonder dat er enig inhoudelijk contact tussen [eiser] en Spaarbeleg heeft plaatsgevonden en dat [eiser] heeft volstaan met het (laten) inzenden van een inschrijfformulier en Spaarbeleg met het toezenden van het welkomstpakket. Nu niet gesteld kan worden dat alleen onervaren consumenten zullen worden bewogen tot het afsluiten van een SprintPlan op de wijze zoals in dit geval is geschied, kan niet worden geconcludeerd dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat zijn onervarenheid [eiser] bewoog tot het inzenden van het inschrijfformulier en dat dit Spaarbeleg van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden. Het enkele feit dat Spaarbeleg zich heeft gericht op een breed, derhalve ook onervaren publiek en in voorkomende gevallen gebruik heeft gemaakt van tussenpersonen, is onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt derhalve.

5.9. De slotsom van hetgeen hiervoor is overwogen is dat de primaire vordering onder 1. zal worden afgewezen voor zover daarbij gevorderd is om voor recht te verklaren dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigd is, en eveneens voor wat betreft de vordering om de overeenkomst alsnog te vernietigen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.10. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen.

5.11. De primaire vordering (onder 1.) zal daarom ook worden afgewezen voor zover daarbij gevorderd is om voor recht te verklaren dat de overeenkomst ontbonden is, en eveneens voor wat betreft de vordering om de overeenkomst alsnog te ontbinden. Ook de subsidiaire vordering (onder 3.) wordt daarom afgewezen.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.12. [eiser] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico's (meer in het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] en naar zijn beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiser] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiser].

5.13. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.14. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico's geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.15. De meer subsidiair (onder 4.) gevorderde verklaring voor recht dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] is derhalve toewijsbaar, op na te vermelden wijze.

causaal verband

5.16. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen. Hij heeft tevens verklaard dat hij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als hem duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico's verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

schade

a) rente

5.17. Door Spaarbeleg is gesteld dat [eiser] alle verschuldigde maandtermijnen aan Spaarbeleg heeft betaald (conclusie van antwoord, 8.48). [eiser] heeft gesteld dat Spaarbeleg hem aan het eind van de looptijd van de overeenkomsten een eindafrekening heeft gezonden, waaruit bleek dat hij geen uitkering zou ontvangen. Hieruit volgt dat [eiser] het totaal van de maandelijks door hem betaalde bedragen is kwijtgeraakt, derhalve

EUR 6.807,00.

5.18. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geld zelf, of aan een ander doel, te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

De rechtbank ziet zich inmiddels mede gesteund door de arresten van het Hof Amsterdam van 9 december 2008 (LJN BG6261 en LJN BG6263) waarin het Hof kennelijk terug is gekomen op haar eerdere oordeel dat de over de lening betaalde rente (in de vorm van de maandelijks voldane termijnbedragen) niet als schade kan worden aangemerkt.

b) aflossing

5.19. In het petitum van de dagvaarding wordt weliswaar gesproken over door [eiser] betaalde bedragen 'voor zover die zien op rente en/of aflossing' (primair onder 2.), maar niet gesteld of gebleken is dat [eiser] naast de maandelijkse rentebetalingen ook andere betalingen heeft verricht. Voorts staat vast dat [eiser] geen restschuld heeft opgelopen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [eiser] niet meer dan het hiervoor genoemde bedrag van EUR 6.807,00 aan Spaarbeleg heeft betaald.

c) gevolgschade

5.20. [eiser] heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van gevolgschade, maar heeft op dit punt geen enkele toelichting of onderbouwing gegeven. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

5.21. Aldus moet worden vastgesteld dat [eiser] (niet meer dan) EUR 6.807,00 aan (in beginsel) voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.

eigen schuld

5.22. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren. Voorgaande geldt eveneens voor de informatie die [eiser] thans ter beschikking had voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, weergegeven onder rechtsoverweging 5.7.

5.23. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico's van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.24. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico's (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.25. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

de omvang van de risico's die de deelnemer heeft genomen;

de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.26. In het geval van [eiser] zijn de volgende omstandigheden van belang.

[eiser] is op 21 mei 1974 geboren in Eritrea en was ten tijde van het afsluiten van de SprintPlan-overeenkomst derhalve

26 jaar oud. In 1991 is hij naar Nederland gekomen, waar hij vervolgens een LTS-diploma heeft behaald. [eiser] is daarna als monteur gaan werken bij GTI. In 2000, het jaar waarin [eiser] de overeenkomst heeft afgesloten, bedroeg zijn belastbaar jaarinkomen EUR 20.071,00. De (toenmalige) echtgenote van [eiser], eveneens afkomstig uit Eritrea, had geen inkomen, maar ontving maandelijks een vergoeding van ongeveer EUR 100,00 van de gemeente, vanwege het feit dat zij op beperkte schaal taalonderwijs aan kinderen gaf in hun moedertaal. [eiser] en zijn echtgenote bewoonden een huurwoning, waarvoor zij ongeveer EUR 300,00 à EUR 350,00 per maand betaalden. [eiser] heeft gesteld dat hij ten tijde van het afsluiten van de SprintPlan-overeenkomst een schuld van NLG 5.000,00 bij de Postbank had en dat hij destijds geen spaargeld had.

Ter comparitie heeft Spaarbeleg betoogd dat [eiser] onvoldoende informatie over zijn persoonlijke en financiële situatie heeft verstrekt, vanwege het feit dat hij enkel salarisspecificaties heeft overgelegd en geen bewijsstukken van zijn schulden- en vermogenspositie. [eiser] heeft daarop verzocht om bij akte alsnog een afschrift van zijn belastingaangifte 2000 in het geding te mogen brengen, hetgeen hem is toegestaan. Vervolgens heeft [eiser] bij akte een Verklaring Inkomstenbelasting, Premie volksverzekeringen en Vermogensbelasting over het jaar 2000 in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat [eiser] geen aanslag vermogensbelasting is opgelegd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [eiser] in 2000 geen vermogen had, zoals hij ook heeft gesteld.

5.27. Gezien het opleidingsniveau en de inkomenspositie van [eiser], die als vrij laag aan te merken zijn, en gezien de (gelet op zijn leeftijd) beperkte levenservaring van [eiser] ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst, ziet de rechtbank aanleiding om iets ten voordele van [eiser] af te wijken van haar hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling. De rechtbank zal de schade aldus verdelen dat [eiser] 30% van de schade dient te dragen en dat Spaarbeleg 70% van de schade, derhalve EUR 4.764,90, voor rekening van Spaarbeleg komt.

5.28. De vordering van [eiser] is niet volledig duidelijk, nu bij de aanduiding van de verschillende onderdelen van de vordering een ondergeschikte en een nevengeschikte nummering/aanduiding door elkaar zijn gebruikt en nu sommige onderdelen van de vordering gekoppeld lijken aan een enkele grondslag. De rechtbank begrijpt de vordering echter in redelijkheid aldus dat [eiser] heeft bedoeld om ook voor de onderhavige situatie -waarin het beroep op onrechtmatig handelen van Spaarbeleg is gehonoreerd en hetgeen [eiser] overigens aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd is verworpen- heeft bedoeld te vorderen dat de rechtbank Spaarbeleg tot schadevergoeding zal veroordelen (en niet slechts een verklaring voor recht zal geven betreffende de wijze waarop de schadevergoeding dient te worden berekend). De rechtbank zal Spaarbeleg derhalve veroordelen om het bedrag van EUR 4.764,90 aan [eiser] te voldoen.

5.29. Anders dan Spaarbeleg stelt, is voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds 70 % van de maandelijks door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

5.30. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 84,87

- betaald vast recht 124,00

- in debet gesteld vast recht 124,00

- salaris advocaat 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.292,87

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser],

6.2. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 4.764,90 (vierduizend zevenhonderdvierenzestig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over 70% van de maandelijks door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot de dag van volledige betaling,

6.3. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.292,87, te voldoen aan de griffier,

6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. en 6.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2009.

w.g. de griffier w.g. de rechter