Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH0996

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
16/604169-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht een ambulancebestuurster schuldig aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, ter hoogte van een kruispunt een reeds 4,7 seconden in haar richting rood licht uitstralend verkeerslicht te passeren terwijl zij reed met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid. Hierdoor ontstond een botsing met een personenauto waarbij de bestuurster van die wagen zwaar lichamelijk letsel opliep. De rechtbank veroordeelt de ambulancebestuurster tot een werkstraf van zestig uur en een voorwaardelijke rijontzegging van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604169-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.E. Hoetink, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 januari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Koreman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- met de ambulance die zij bestuurde een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander zwaar gewond is geraakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen het primair ten laste gelegde feit en baseert zich daarbij op de processen-verbaal in het dossier.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde en dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat een strafrechtelijke veroordeling en kwalificatie als bedoeld in artikel 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994 rechtvaardigt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij op 14 april 2008 op de Graadt van Roggenweg te Utrecht heeft gereden als bestuurster van een ambulance die op dat moment gebruik maakte van optische- en geluidssignalen. Ter hoogte van een kruispunt is zij zonder snelheid te minderen door een rood verkeerslicht gereden. Vervolgens is een aanrijding ontstaan met een personenauto die voor verdachte van rechts kwam. Uit de medische verklaring betreffende het slachtoffer [naam], bestuurster van de personenauto, is gebleken dat zij een botbreuk aan de linker bekkenboog, uitgebreide kneuzingen en een bloeduitstorting in de baarmoeder naast de placenta heeft opgelopen, zulks terwijl zij zwanger was. Verder is uit het proces-verbaal, opgemaakt na het bekijken van de foto’s gemaakt door de snelheids- en roodlichtcamera gepositioneerd nabij de kruising waar het ongeval heeft plaatsgevonden, gebleken dat het verkeerslicht bestemd voor verdachte

4,7 seconden rood licht uitstraalde en dat de ongecorrigeerde snelheid van verdachte op dat moment 93 kilometer per uur was.

De vraag of het bewijs van zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid moet worden beantwoord aan de hand van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft onder meer verklaard bekend te zijn met de Graadt van Roggenweg te Utrecht en te weten dat daar verkeerslichten staan. Voorts heeft verdachte verklaard dat een groot aantal mensen niet of te laat pleegt te reageren op sirenes. Daar komt bij dat het verkeerslicht voor verdachte op rood stond, zodat zij moest weten dat auto’s die stonden te wachten om de kruising over te steken, groen licht hadden en daarvan gebruik zouden kunnen gaan maken. Voorts volgt uit de gebezigde bewijsmidden dat verdachte met hoge snelheid voormelde kruising is opgereden.

Deze omstandigheden beziende, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte. Ondanks het gegeven dat verdachte reed met optische- en geluidssignalen had zij, gelet op haar kennis van de situatie ter plaatse, haar ervaring met de reacties van medeweggebruikers, en het feit dat zij rood licht had, met een veel lagere snelheid de kruising moeten oprijden, zoals ook is voorgeschreven in de richtlijnen van de branche, die aan verdachte bekend zijn. Doordat verdachte dit heeft nagelaten is een ongeval ontstaan. Dit ongeval was vermijdbaar en kan verdachte worden aangerekend. Verdachte had als bestuurster van een ambulance met optische en geluidssignalen een verhoogde zorgplicht en het mocht van haar verwacht worden dat zij zou anticiperen op alle mogelijke omstandigheden die zich kunnen voordoen.

4.4 De bewezenverklaring

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal-en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat verdachte

op 14 april 2008 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, ambulanceauto, die op dat moment gebruik maakte van optische- en

geluidssignalen, daarmede rijdende over de weg, de Graadt van Roggenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

ter hoogte van een kruispunt een reeds 4,7 seconden in haar richting rood licht uitstralend verkeerslicht te passeren terwijl zij reed met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, waarbij een aanrijding/botsing is ontstaan met een, gezien haar, verdachte's, rijrichting van rechts komende personenauto, waardoor de bestuurster van die personenauto genaamd [naam], zwaar lichamelijk letsel te weten een botbreuk aan de linker bekkenboog, uitgebreide kneuzingen en een bloeduitstorting in de baarmoeder naast de placenta werd toegebracht;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair

60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden met een ambulanceauto als gevolg waarvan een aanrijding heeft plaatsgevonden waardoor de bestuurster van de andere auto zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Dit is een zeer ernstig feit.

De rechtbank heeft bij haar oordeel ook rekening gehouden met de gevolgen die het feit voor verdachte zelf heeft meegebracht, het feit dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met justitie en het feit dat zij een goed contact met het slachtoffer heeft onderhouden. Voorts heeft de rechtbank in strafverminderende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte geen “gewone” automobilist was maar een ambulancechauffeur die in het kader van haar werk met spoed op weg was naar een melding.

De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. Het zijn slechts de bijzondere, in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden, die de rechtbank hebben doen besluiten hiervan ten gunste van verdachte af te wijken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van 60 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.G. van Osta, voorzitter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Marx, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 januari 2009.