Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH0742

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
234258 / HAZA 07-1387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitleg overeenkomst; leemte in overeenkomst die behoort te worden aangevuld met hetgeen naar de aard van de overeenkomst, uit de gewoonte en de eisen van redelijkheid en bllijkheid voortvloeit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 234258 / HA ZA 07-1387

Vonnis van 21 januari 2009

in de zaak van

de stichting

STICHTING KINDEROPVANG IN DE METALEKTRO,

gevestigd te Leidschendam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N.H.M. ten Bokum,

tegen

1. de stichting

STICHTING KINTENT,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KINTENT B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. F.G. Vlaskamp.

Partijen zullen hierna SKM en Kintent genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 oktober 2007

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 5 februari 2008

- de conclusie van repliek in conventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- akte rectificatie

- de conclusie van dupliek in reconventie

- akte houdende uitlating producties

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Kintent, althans haar rechtsvoorganger de Stichting Uitvoering Kinderopvangregelingen (SUK), is in 1989 opgericht door vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties ten behoeve van het uitvoeren van kinderopvangregelingen. De opdrachtgevers van Kintent waren individuele werkgevers of stichtingen, die de werkgeversmiddelen besteedden die op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst waren bijeengebracht (zgn. CAO-fondsen). Ter uitvoering van de kinderopvangregeling verzorgde Kintent tegen een vergoeding de inkoop van individuele kindplaatsen en de financiële afwikkeling van deze kindplaatsen. Op grond van de regelingen kinderopvang werden de kosten voor de opvang gedragen door de opdrachtgever (de werkgever), de werknemer (ouder) en veelal de werkgever van de partner van de werknemer (partnerwerkgever). Kintent stelde vast welke bijdragen deze partijen verschuldigd waren. Daartoe diende Kintent de inkomensgrondslag van de werknemer vast te stellen, welke de basis vormde van de berekening van de ouderbijdrage, waarna de overige (werkgevers)bijdragen konden worden bepaald. Voorts zorgde Kintent voor het innen van de door de diverse partijen verschuldigde bijdragen.

2.2. Kintent ging de overeenkomsten voor het afnemen van een kindplaats aan op eigen naam en was zelfstandig gehouden de kinderopvangorganisaties te vergoeden voor verleende diensten.

2.3. SKM (daarvoor de Raad van Overleg in de Metaalindustrie) was een van de opdrachtgevers van Kintent.

In de overeenkomst tussen Kintent (toen nog SUK) en SKM (Opdrachtgever) van 22 februari 2001 is voor zover van belang het volgende bepaald:

“(…)

4. De kosten voor kinderopvang worden aan Opdrachtgever als volgt in rekening gebracht: Opdrachtgever ontvangt éénmaal per jaar, vóóraf, een factuur ter grootte van het jaarbudget voor kinderopvang. Wanneer op basis van financiële verantwoording blijkt dat er aan het einde van het kalenderjaar een positief budget-saldo is, zal dit voor kinderopvang in volgende jaren worden gebruikt, tenzij Opdrachtgever anders beslist. Meerjarenbegrotingen zullen op basis van dit uitgangspunt worden opgesteld (budgetsysteem).

(…)

7. Eenmaal per kalenderjaar vóór 1 juli zal de SUK over het voorgaande kalenderjaar financiële verantwoording, inclusief accountantsverklaring, aan Opdrachtgever afleggen. Deze afrekening gebeurt op basis van werkelijke kosten en werkelijk ontvangen baten.

(…)”

Tussen partijen is niet in geschil dat deze afspraken ook vóór 22 februari 2001 tussen hen golden.

2.4. Overeenkomstig de onder r.o. 2.3. genoemde afspraken, maakte Kintent na het einde van het jaar een eindafrekening op. Daarbij bracht Kintent de over dat jaar werkelijk afgenomen opvang verminderd met de door Kintent van de ouders en de partnerwerkgevers geïnde bijdragen en afgezet tegen de voorschotfacturering bij SKM in rekening. Deze eindafrekening baseerde Kintent op de bij haar geregistreerde verplichtingen (verplichtingenadministratie) jegens de kinderopvanginstellingen. Wél geleverde, maar door kinderdagverblijven (nog) niet aan Kintent gefactureerde kinderopvang werd dus ook doorberekend aan SKM.

2.5. Het bestuur van Kintent heeft, nadat zij zich had gerealiseerd dat de termijn van sommige ‘nog te ontvangen facturen’ van kinderdagverblijven wel erg opliep, in overleg met de accountant op de balans een voorziening getroffen voor ‘nog te ontvangen facturen’. Voorts is besloten om na verjaring van het vorderingsrecht, waarbij Kintent in eerste instantie uitging van een verjaringstermijn van vijf jaar en vanaf 2005 van een termijn van twintig jaar, deze post vrij te laten vallen ten gunste van het eigen vermogen.

2.6. In de accountantsverklaringen van de toenmalige accountant van Kintent, Dubois & Co., bij de eindafrekeningen terzake de in 2001 en 2002 door SKM afgenomen kinderopvang, welke verklaringen dateren van 18 juni 2002 resp. 27 juni 2003, staat:

(…) De controle van de eindafrekening is verricht in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde controlegrondslagen.

resp.

(…) De gegevens in de eindafrekening zijn afgeleid van de plaatsingsgegevens per 22 mei 2003 (…)

In de accountantsverklaringen van de toenmalige accountant van Kintent, Deloitte, bij de eindafrekeningen over 2003 en 2004 van 6 mei 2004 resp. 11 april 2005 staat:

(…) De in de opgave opgenomen kosten inzake kinderopvang zijn afgeleid van de plaatsingsgegevens zoals bekend bij Stichting Kintent per 14 februari 2004 (…)

resp.

(…) De in de opgave opgenomen kosten inzake kinderopvang zijn afgeleid van de plaatsingsgegevens zoals bekend bij Stichting Kintent per 11 februari 2005 (…) .

2.7. In het jaarverslag van Kintent over 2004 heeft Kintent onder de post “Overige schulden” een bedrag verantwoord van € 21.328.000,-. In de toelichting staat vermeld dat een bedrag van € 20.363.000,- ziet op “Gereserveerde kosten kinderdagverblijven”.

2.8. Bij brief van 24 oktober 2005 schrijft SKM, voorzover van belang:

“(…) Het jaarverslag van Kintent over 2004 gaf kort geleden aanleiding tot enkele vragen van het bestuur. Een daarvan betrof de post ‘overige schulden’, toegevoegd aan de ‘kortlopende schulden’ op de balans. Uit de toelichting bleek, dat dit een optelsom vormt van nog openstaande facturen van kinderdagverblijven gedurende de periode 2000 t/m 2004.

Deze openstaande facturen betreffen opvangkosten die Kintent in de loop der jaren wel bij opdrachtgevers en ouders in rekening heeft gebracht. Wij constateren dat deze door opdrachtgevers betaalde opvangkosten (nog) niet zijn aangewend voor het doel waarvoor zij aan Kintent zijn overgemaakt: het vergoeden van feitelijk gemaakte kosten voor kinderopvang aan opvanginstellingen waar een contract mee bestond.

Mocht blijken dat er nu nog openstaande verplichtingen zijn jegens deze opvanginstellingen, dan zijn dit verplichtingen die door opdrachtgevers aan Kintent zijn betaald, en die Kintent namens haar opdrachtgevers dient te voldoen. Zodra duidelijk wordt dat Kintent een gedeelte van deze verplichtingen niet uit hoeft te betalen aan derden, dan dienen deze bedragen te worden geretourneerd aan die opdrachtgevers.

(…)”

In dezelfde brief vraagt SKM om een specificatie van de bedragen die terugbetaald zullen worden en van de termijnen waarbinnen dit zal plaatsvinden. In reactie hierop heeft Kintent SKM laten weten - kort gezegd – dat zij geen grond ziet om bedragen terug te betalen.

2.9. In het kader van de nadien tussen partijen ontstane discussie heeft Kintent, om meer inzicht te bieden in de samenstelling van de post “overige schulden”, een berekening gemaakt en laten toetsen door haar accountant inzake welk gedeelte van deze post verband houdt met door SKM afgenomen diensten. Uit deze berekening met de naam Calculatie Model Meti vloeit een bedrag voort van € 849.000,- aan nog te ontvangen facturen voor kinderopvangkosten ten behoeve van kindplaatsen van SKM-werknemers.

3. Het geschil

in conventie

3.1. SKM vordert, na haar eis bij repliek te hebben gewijzigd, betaling van de zogenaamde restitutiewaarde over de jaren 1997-2002, en restitutie van de bedragen die zien op de jaren 2003 en 2004 onmiddellijk na ommekomst van de verjaringstermijn, zijnde de bedragen voor die jaren welke zijn vastgesteld door de accountant van Kintent in diens rapport van 1 februari 2007 Calculatie Model Meti, onder aftrek van de bedragen die sindsdien alsnog aan de diverse kinderopvangcentra zijn betaald, vermeerderd met rente en kosten.

Primair maakt SKM aanspraak op de door SKM, de ouders en partnerwerkgevers betaalde bijdragen, subsidiair enkel op de door SKM betaalde vergoeding (het werkgeversaandeel).

SKM baseert haar vordering op verschillende rechtsgronden die bij de beoordeling van het geschil aan de orde zullen komen.

3.2. Kintent voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.3. Kintent vordert in reconventie een verklaring voor recht dat Kintent het gedeelte van de post “Overige Schulden” zoals deze blijkt uit haar jaarrekening 2004, dat betreft het verschil tussen de verplichtingenadministratie van Kintent en de ingediende facturen door kinderopvangorganisaties, zijnde de nog in te dienen vorderingen door de kinderopvangorganisaties, kan toevoegen aan de post “Eigen vermogen”, na ommekomst van de voor deze vorderingen geldende verjaringstermijn. Daarnaast vordert zij veroordeling van SKM in de proceskosten.

3.4. Voorzover de rechtbank - kort gezegd - zou oordelen dat SKM recht heeft op (een deel van) het verschil tussen de verplichtingenadministratie van Kintent en de ingediende facturen door kinderopvangorganisaties, vordert Kintent in voorwaardelijke reconventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal oordelen dat:

1. het aan SKM toe te wijzen bedrag dient te worden vastgesteld in een onderzoek waarbij per aan SKM in rekening gebrachte kindplaats wordt vastgesteld de omvang van het verschil tussen de verplichtingenadministratie van Kintent en de ontvangen facturen van de kinderopvangorganisaties, alsmede de verdeling van het met dit verschil gemoeide bedrag over SKM en andere partijen die in de kosten van de kindplaats hebben bijgedragen;

2. toewijzing van een bedrag aan SKM eerst kan geschieden na ommekomst van de geldende verjaringstermijn welke dient te worden gehanteerd ten aanzien van de vorderingen van de kinderopvangorganisaties en

3. SKM de kosten van het onderzoek als bedoeld onder 1 dient te betalen.

Daarnaast vordert zij veroordeling van SKM in de proceskosten.

3.5. SKM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Voor alle weren stelt Kintent dat SKM niet-ontvankelijk is in haar vordering jegens Kintent B.V. Zij voert daartoe aan dat Kintent B.V. op 21 juli 2005 is opgericht op grond van een juridische afsplitsing van Stichting Kintent. De overeenkomst van opdracht, zijnde de rechtsbetrekking tussen partijen en aanleiding van het onderhavige geschil, is aangegaan tussen SKM en Stichting Kintent. De rechtsbetrekking is bij de afsplitsing achtergebleven in Stichting Kintent, waarover SKM ook is geïnformeerd. De aansprakelijkheid op grond van artikel 2:334t BW is een subsidiaire en ontstaat krachtens het vierde lid van dit artikel pas als de (hoofd)schuldenaar tekortschiet in de nakoming.

De rechtbank volgt Kintent in dit betoog en zal de vordering tegen Kintent B.V. afwijzen nu, zoals de rechtbank hierna zal oordelen, Stichting Kintent (hierna: Kintent) niet tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis uit hoofde van de met SKM gesloten overeenkomst.

4.2. Kern van het geschil is wat tussen partijen is overeengekomen omtrent de afrekening over enig jaar. SKM stelt zich op het standpunt dat zij met Kintent is overeengekomen dat de afrekening over enig jaar geschiedt op basis van werkelijke kosten en werkelijk ontvangen baten en dat dit betekent dat uitsluitend de daadwerkelijk door Kintent aan de kinderdagverblijven betaalde kosten hadden mogen worden doorbelast aan SKM. Volgens SKM is Kintent tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door de afrekening te baseren op haar verplichtingenadministratie. Als gevolg hiervan heeft Kintent een bedrag van EUR 849.000,-- teveel in rekening gebracht aan SKM. Nu nakoming niet blijvend onmogelijk is, vordert SKM primair betaling van voornoemd bedrag in de vorm van nakoming. Subsidiair vordert zij betaling van dit bedrag als zijnde onverschuldigd betaald. Meer subsidiair vordert SKM betaling van dit bedrag als zijnde schade als gevolg van de gestelde wanprestatie.

4.3. Kintent betwist de door SKM voorgestane uitleg van de overeenkomst. Zij voert daartoe primair aan dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de inhoud van de overeenkomst, namelijk dat wordt afgerekend op basis van de verplichtingenadministratie. In dit verband verwijst Kintent naar de in de accountantsverslagen vastgestelde werkwijze van Kintent en voert aan dat deze verslagen door de accountants van SKM zijn beoordeeld en aanvaard. In de accountantsverklaringen wordt met zoveel woorden erop gewezen dat de gegevens voor de eindafrekening en de berekening van de voor SKM komende kosten, zijn afgeleid van de plaatsingsgegevens.

Subsidiair voert Kintent als verweer dat de door SKM voorgestane uitleg van de overeenkomst geen redelijke is en bovendien zou leiden tot een onuitvoerbare regeling. Hiertoe voert zij het volgende aan. Kintent droeg een regulier ondernemersrisico en kende niet alleen voordelen maar ook nadelen/verliezen bij de uitvoering van haar dienstverlening, waaronder de inkoop van kindplaatsen. Indien SKM zou worden gevolgd in haar standpunt dan zou dit betekenen dat het onderhavige voordeel zou toekomen aan SKM, terwijl de in dit verband ontstane nadelen zouden moeten worden gedragen door Kintent. Dit is niet redelijk, aldus Kintent. De door SKM voorgestane regeling is volgens Kintent voorts onuitvoerbaar, omdat toepassing daarvan zou betekenen dat pas een financiële eindafrekening kan worden opgemaakt nadat de uitgaven en kosten definitief bekend zijn. Dit betekent dat de diverse incassotrajecten en verjaringstermijnen van alle (mogelijke) vorderingen zouden moeten worden afgewacht. Een dergelijke onduidelijke situatie is, zo meent Kintent, nimmer de bedoeling geweest van partijen. SKM verlangde jaarlijks een eindafrekening, zodat haar kosten ook konden worden doorbelast of verrekend met de bij het fonds aangesloten werkgevers dan wel dat men kon beslissen het saldo al dan niet aan te wenden voor kinderopvang in volgende jaren.

Meer subsidiair stelt Kintent dat, voor zover er sprake is van een rechtsgrond tot terugbetaling, het Calculatie Model Meti niet als uitgangspunt kan dienen voor enige aan SKM te verrichten betaling. Daartoe voert Kintent in de eerste plaats aan dat het uit deze berekening voortvloeiende bedrag een schatting betreft. In de tweede plaats geldt dat het bedrag ziet op de totale kosten van kinderopvang, dus inclusief de bijdragen van ouders en partnerwerkgevers, welke bijdragen niet aan SKM ten goede behoren te komen. SKM kan, als zij al recht heeft op enige betaling, hooguit aanspraak maken op het zogenaamde werkgeversdeel, aldus Kintent.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de aan SKM in rekening gebrachte kinderopvang daadwerkelijk is geleverd. De vraag is wat dient te gebeuren met de kosten van kinderopvang, welke kinderopvang wél is geleverd en tot betaling van de kosten waarvan Kintent zich jegens deze kinderdagverblijven heeft verplicht maar waarvoor zij geen facturen heeft ontvangen van deze kinderdagverblijven.

4.5. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts worden de rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar niet alleen bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst.

Vaststaat dat tussen partijen is overeengekomen dat financiering door SKM van de kinderopvang over een bepaald jaar geschiedde op basis van een bevoorschotting, aan welke afspraak ook uitvoering werd gegeven. Eenmaal per jaar, vóóraf, ontving SKM van Kintent een voorschotfactuur ter grootte van het jaarbudget voor kinderopvang, die door SKM werd voldaan. In het licht van deze afspraak kan de bepaling, inhoudende dat de jaarlijkse afrekening geschiedt op basis van werkelijke kosten en werkelijk ontvangen baten, niet anders worden verstaan dan dat indien aan het eind van het jaar blijkt dat de omvang van de in dat jaar afgenomen kinderopvang verschilt van de destijds begrote omvang van de kinderopvang, afrekening geschiedt op basis van de daadwerkelijk afgenomen kinderopvang. Feiten en/of omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat partijen middels deze bepaling tevens de situatie hebben willen regelen dat kinderopvangorganisaties geleverde kinderopvang verzuimen in rekening te brengen bij Kintent, zijn niet gesteld en daarvan is evenmin gebleken. Partijen hebben eenvoudigweg niet voorzien dat er kinderdagverblijven zouden zijn die geleverde opvang niet in rekening zouden brengen bij Kintent en zeker niet in de mate als waarvan thans sprake is. Het feit dat het bestuur van Kintent zich pas in 2000 heeft gerealiseerd dat de termijn van sommige ‘nog te ontvangen facturen’ wel erg opliep, zodanig dat dit heeft geleid tot een discussie binnen het bestuur van Kintent, onderstreept dit. Nu het gemeenschappelijk uitgangspunt van partijen was dat de geleverde kinderopvang ook daadwerkelijk door de kinderdagverblijven zou worden gefactureerd en de overeenkomst op basis van dit uitgangspunt is gesloten, terwijl dit uitgangspunt nadien onjuist is gebleken, vertoont de overeenkomst bij gebreke van een nadere voorziening een leemte, die behoort te worden aangevuld met hetgeen, naar de aard van de overeenkomst, uit de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door SKM voorgestane uitleg, die als consequentie heeft dat werkgevers en ouders voor geleverde kinderopvang niet zouden hoeven betalen, in het licht van de hierna te bespreken feiten en omstandigheden niet redelijk. De door Kintent voorgestane uitleg acht de rechtbank gelet op deze feiten en omstandigheden daarentegen wél een redelijke.

Zo staat in de eerste plaats door SKM onweersproken vast dat Kintent sinds haar oprichting in 1989 met alle opdrachtgevers steeds op dezelfde, onderhavige wijze financieel heeft afgerekend, waaruit de rechtbank afleidt dat de door Kintent gevolgde werkwijze een gebruikelijke is. SKM heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar voorgestane wijze van afrekening (ook) gebruikelijk is.

Voorts volgt de rechtbank Kintent in haar standpunt dat toepassing van de uitleg van SKM een onuitvoerbare regeling zou doen ontstaan. Naar de rechtbank begrijpt was het financiële proces thans zo ingericht dat een factuur van kinderdagverblijf A voor een totaalbedrag Y wordt getoetst aan de verplichtingenadministratie, waaruit volgt dat bij kinderdagverblijf A een X aantal kinderen is geplaatst voor een totaalbedrag Y. Volgens het standpunt van SKM zou Kintent na ontvangst van een factuur van een kinderdagverblijf per kind moeten nagaan met welke opdrachtgever dit kind is verbonden en of het bedrag aan kosten overeenkomt met de gegevens uit de verplichtingenadministratie. Zou dit het geval zijn, dan zouden deze kosten mogen worden geboekt ten laste van de betreffende opdrachtgever. Mochten de gegevens niet overeenkomen (een kindplaats wordt (deels) niet gefactureerd), dan zou de voor dat kind overeengekomen vergoeding nog niet ten laste van de betreffende opdrachtgever, in dit geval SKM, mogen worden geboekt. Inmiddels bij de ouders en derde-werkgevers geïncasseerde bijdragen zouden moeten worden gerestitueerd. Als dan op enig moment door het kinderdagverblijf alsnog de overeengekomen kosten in rekening zouden worden gebracht, dan zou alles weer moeten worden teruggedraaid. Pas nadat de uitgaven en kosten definitief bekend zouden zijn, zou een definitieve financiële eindafrekening kunnen worden opgemaakt. Dat zou betekenen dat diverse incassotrajecten en verjaringstermijnen van alle vorderingen zouden moeten worden afgewacht. De kosten van een financieel proces, zoals hiervoor omschreven, zijn zeer hoog en de organisatie van Kintent was hier niet op ingericht.

Ten slotte is het zo dat in ieder geval met ingang van 2003 in de accountantsverklaringen (zie r.o. 2.6.) duidelijk is aangegeven dat de gegevens in de eindafrekening zijn afgeleid van de plaatsingsgegevens (en dus niet zijn gebaseerd op van de kinderdagverblijven ontvangen facturen). De verklaringen zijn door de accountants van SKM beoordeeld en aanvaard, hetgeen bevestigt dat de door Kintent voorgestane uitleg van de overeenkomst niet evident onredelijk is.

Op grond van al deze feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat Kintent ingevolge de met SKM gesloten overeenkomst gerechtigd was af te rekenen met SKM op basis van haar verplichtingenadministratie en aldus niet tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens SKM uit hoofde van de tussen hen gesloten overeenkomst. Om dezelfde reden faalt ook het beroep van SKM op onverschuldigde betaling.

4.6. Dit alles heeft tot gevolg dat de vorderingen van SKM in conventie falen en dat de vorderingen van Kintent in reconventie zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen voorzover zij betrekking heeft op door SKM afgenomen kinderopvang, nu de overige opdrachtgevers geen partij zijn in deze procedure. Aan de beoordeling van de voorwaardelijke eis in reconventie komt de rechtbank gelet op de afwijzing van de eis in conventie niet toe.

4.7. SKM zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van Kintent in conventie worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 4.732,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 7.740,00 (3,0 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 12.472,00

De kosten aan de zijde van Kintent in reconventie worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt SKM in de proceskosten, aan de zijde van Kintent tot op heden begroot op EUR 12.472,00,

in reconventie

5.3. verklaart voor recht dat Stichting Kintent het gedeelte van de post “Overige Schulden” zoals deze blijkt uit haar jaarrekening 2004, dat betreft het verschil in de verplichtingenadministratie van Kintent en de ingediende facturen door kinderopvangorganisaties, zijnde de nog in te dienen vorderingen door de kinderopvangorganisaties, voor zover dit betrekking heeft op door SKM afgenomen kinderopvang kan toevoegen aan de post “Eigen vermogen”, na ommekomst van de voor deze vorderingen geldende verjaringstermijn,

5.4. veroordeelt SKM in de proceskosten, aan de zijde van Kintent tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. H.A.M. Pinckaers en mr. G.A. Bos en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.?