Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH0252

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
243538/ HA ZA 08-276
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP7898, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, Levob hefboomeffect, 40% eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

243538 / HA ZA 08-276

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 243538 / HA ZA 08-276

Vonnis van 14 januari 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M. Rebel,

tegen

de naamloze vennootschap

LEVOB BANK N.V.,

gevestigd te Amersfoort, kantoorhoudende te Leusden,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [eiser] c.s. Waar zij afzonderlijk bedoeld worden, zullen zij worden aangeduid als de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiser sub 2]. Gedaagde zal Levob genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 11 juni 2008;

• de akte aanvulling conclusie van antwoord van de zijde van Levob;

• het proces-verbaal van comparitie van 27 oktober 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. heeft op 15 maart 2001 twee aandelenleaseovereenkomsten met Levob getekend, genaamd “Levob Hefboom Effect” (verder te noemen: “de overeenkomsten”).

2.2. De overeenkomsten zijn aangegaan via bemiddeling door Gelink Adviesgroep B.V. (verder: “Gelink”). Naar aanleiding van een advertentie van Gelink, heeft [eiser] c.s. contact met Gelink opgenomen omdat hij geld wilde lenen voor de aanschaf van een auto. Vervolgens is een medewerker van Gelink bij [eiser] c.s. langs gekomen en heeft hem het afsluiten van voormelde overeenkomsten geadviseerd, naast de gewenste lening, als zijnde een aflossingsconstructie voor die lening.

2.3. Voorafgaand aan het afsluiten van de overeenkomsten heeft [eiser] c.s. een brochure over het Levob Hefboom Effect-product gekregen. In deze brochure wordt onder meer het volgende vermeld:

“Levob maakt 't u mogelijk om onmiddellijk met een aanzienlijk kapitaal te beleggen, zonder dat u dit bedrag eerst bij elkaar hoeft te sparen. Wij beleggen voor u in negen Nederlandse topondernemingen (…).

Levob Bank leent u het startkapitaal, waardoor u direct profiteert van de hoge rendementen van uw aandelenportefeuille. Uw inspanning blijft beperkt tot het betalen van een vast bedrag per maand aan rente. (…)

Voor een bedrag van € 55,51 (f 122,33) per maand aan rente financiert u een bedrag van € 7.000,-

(f 15.425,97) dat onze experts voor u beleggen in aandelen. (…)

Het aandelenpakket van € 7.000,- (f 15.425,97) wordt evenredig over de negen topfondsen verdeeld. (…)

Levob regelt de aan- en verkoop van het Levob Hefboom Effect aandelenpakket. (…).

U ontvangt jaarlijks een overzicht van de waarde van uw portefeuille, het ontvangen dividend, de betaalde rente en het voorgeschoten bedrag. (…)

Let op!

• De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde rendementen bieden geen garantie voor de toekomst.

• Het beleggingsrisico is volledig voor de kredietnemer.

• De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als rekenvoorbeeld.”

2.4. De overeenkomsten hadden een looptijd van vijf jaar. Met elke overeenkomst is een geleend bedrag gemoeid van EUR 7.000,00, derhalve in totaal EUR 14.000,00. De lening is aangewend voor de aankoop van effecten. Tijdens de looptijd van de overeenkomsten was [eiser] c.s. maandelijks rente verschuldigd. De maandelijkse renteverplichting bedroeg EUR 55,51 per overeenkomst, derhalve in totaal EUR 111,02. [eiser] c.s. heeft in totaal EUR 3.731,57 aan rente betaald.

2.5. [eiser] c.s. heeft één overeenkomst getekend, alsmede een bijlage met een aanvullende bepaling, waarin is vermeld dat [eiser] c.s. in totaal twee van dergelijke overeenkomsten wenst aan te gaan. In de door [eiser] c.s. ondertekende overeenkomst is onder meer opgenomen:

“1. Er wordt € 7.000,- (…) belegd voor rekening en risico van de cliënt. (…)

3. De aankoop van de effecten geschiedt niet eerder dan nadat door de bank de navolgende stukken van cliënt zijn ontvangen:

- de rechtsgeldig ondertekende overeenkomst,

- het volledig ingevulde en ondertekende aanvraagformulier. (…)

4. De bank verstrekt ter leen aan de cliënt gelijk de cliënt van de bank in leen aanvaardt en verklaart schuldig te zijn een bedrag groot € 7.000,- (…), hierna te noemen: “het krediet”.

5. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van vijf (5) volle jaren te rekenen vanaf het tijdstip van aankoop van de effecten. Na het verstrijken van deze periode vindt verkoop van de onderliggende effecten plaats. De vaststelling van de geldswaarde van de effecten geschiedt overeenkomstig de in art. 3 omschreven regeling inzake aankoop. De verkoopopbrengst van de effecten, onder inhouding van verkoopkosten ten belope van een gedrag gelijk aan 1% van de vastgestelde geldswaarde van de effecten, komt ten gunste van de cliënt en wordt aangewend ter aflossing van het krediet. Een na aflossing resterend surplus zal na haar vaststelling aan de cliënt worden uitgekeerd, terwijl een eventueel resterend te kort binnen 14 dagen na haar vaststelling door de cliënt moet worden aangezuiverd.

6. Het rentepercentage bedraagt 0,793% per maand en is vast gedurende een periode van vijf (5) jaren. De effectieve rente bedraagt 9,9% op jaarbasis. (…)

11. Indien een AEX-fonds dividend beschikbaar stelt in contanten, zal de bank aan de cliënt toevallende dividenden eveneens in contanten beschikbaar stellen. (…)

13. De juridische eigendom van de onderliggende effecten en de daaraan verbonden rechten, berust bij de Stichting Administratiekantoor Het Levob Hefboom Effect. De economische eigendom van de onderliggende effecten berust bij de cliënt.

14. De cliënt verklaart zich bewust te zijn van de beleggingsrisico's verbonden aan de effecten en deze risico's te aanvaarden. De bank is niet aansprakelijk voor schade en verliezen door de cliënt geleden als gevolg van waardedaling, koersdaling of welke andere oorzaak ook.”

2.6. Op 17 april 2001 heeft Levob schriftelijk aan [eiser] c.s. opgegeven welke aandelen zij in het kader van de overeenkomsten voor hem heeft gekocht, hoeveel aandelen het waren en tegen welke prijs ze zijn gekocht.

2.7. Op verzoek van [eiser] c.s. om de overeenkomsten te beëindigen, heeft Levob de aandelen verkocht en [eiser] c.s. op 6 februari 2004 een eindafrekening gezonden. Na deze verkoop resteerde er een schuld van [eiser] c.s. aan Levob van EUR 6.003,71, welke schuld [eiser] c.s. aan Levob heeft voldaan.

2.8. Bij brief van 9 of 10 mei 2006 van [eiser] c.s. aan Levob heeft [eiser] c.s. de overeenkomsten vernietigd.

2.9. Gedurende de looptijd van de overeenkomsten is door Levob een bedrag van in totaal EUR 1.008,89 terzake van dividend aan [eiser] c.s. uitgekeerd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

primair:

•een verklaring voor recht dat de aandelenleaseovereenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd op grond van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden, dan wel vernietiging van de overeenkomst door de rechtbank, althans zodanige wijziging van de overeenkomst dat het nadeel voor [eiser] c.s. wordt opgeheven;

•een verklaring voor recht dat [eiser] c.s. recht heeft op terugbetaling van

EUR 8.726,39, althans van al hetgeen hij in het kader van de aandelenleaseovereenkomsten aan Levob heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente;

subsidiair:

•een verklaring voor recht dat de aandelenleaseovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met de Nadere Regeling 1995 en 1999 en de Wck, dan wel vernietiging van de overeenkomsten door de rechtbank, en een verklaring voor recht dat Leovb kan worden aangesproken voor hetgeen door [eiser] c.s. onverschuldigd is betaald;

•een verklaring voor recht dat [eiser] c.s. recht heeft op terugbetaling van

EUR 8.726,39, althans van al hetgeen hij in het kader van de aandelenleaseovereenkomsten aan Levob heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente;

meer subsidiair:

•een verklaring voor recht dat Levob onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s. dan wel toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen ten opzichte van [eiser] c.s., en dat Levob gehouden is om alle door [eiser] c.s. geleden schade te vergoeden, bestaande uit EUR 8.726,39, althans uit al de aan Levob betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente;

en in alle gevallen:

•veroordeling van Levob tot betaling van EUR 100,00, dan wel tot betaling van een door de rechtbank vast te stellen bedrag, terzake buitengerechtelijke kosten;

•veroordeling van Levob in de kosten van de procedure, alsmede de nakosten.

3.2. Levob voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Dwaling

4.1. [eiser] c.s. voert ter onderbouwing van zijn beroep op dwaling aan dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de inhoud en risico's van de overeenkomst. Bij een juiste voorstelling van zaken zou [eiser] c.s. de overeenkomsten niet hebben gesloten. Deze risico's pasten niet bij zijn beleggingsdoelstelling.

4.2. De rechtbank stelt vast dat [eiser] c.s. de brochure en de tekst van de overeenkomst heeft kunnen lezen voordat hij de overeenkomsten afsloot.

Van [eiser] c.s. mag verwacht worden dat hij de tekst van de overeenkomst met de nodige aandacht en oplettendheid leest en zich rekenschap geeft van de inhoud daarvan, alvorens de overeenkomst te ondertekenen.

Ten aanzien van de brochure stelt de rechtbank vast, dat deze inderdaad niet uitmunt in het helder weergeven van zowel de nadelen als de voordelen van het product. Dit is echter niet ongebruikelijk bij dergelijke brochure. Van de lezer mag verwacht worden dat hij een dergelijke (wervende) brochure met enige reserve leest. De brochure bevat, zij het op wervende toon, verwijzingen naar het feit dat het hier om beleggen gaat, dat geld wordt geleend en dat de maandtermijnen rentebetalingen zijn (“Wij beleggen voor u in negen Nederlandse topondernemingen. Levob Bank leent u het startkapitaal. Uw inspanning blijft beperkt tot het betalen van een vast bedrag per maand aan rente. Voor een bedrag van € 55,51 per maand aan rente financiert u een bedrag van € 7.000,- dat onze experts voor u beleggen in aandelen.”).

De verwijzingen naar de mogelijkheid van een restschuld acht de rechtbank niet duidelijk. De brochure was echter slechts één van de informatiebronnen waarop [eiser] c.s. zich kon baseren bij zijn beslissing om de overeenkomsten al dan niet aan te gaan.

In de overeenkomst zijn diverse bepalingen opgenomen, waaruit blijkt dat het hier ging om een lening, die zou worden aangewend om aandelen te kopen. Voorts kan uit de tekst van de overeenkomst afgeleid worden dat een restschuld kon ontstaan. In het bijzonder wijst de rechtbank op artikel 1 (aankoopbedrag van de aandelen), artikel 4 (aan cliënt wordt een lening verstrekt ten belope van het aankoopbedrag), artikel 5 (verplichting dat aan het einde van de looptijd de lening moet worden afgelost en vermelding dat verrekening plaatsvindt van het af te lossen bedrag met de verkoopopbrengst van de onderliggende aandelen) en artikel 6 (de te betalen rente). Indien [eiser] c.s. door de inhoud van de brochure al een verkeerde voorstelling van zaken over de inhoud van de overeenkomst had gekregen, dan had de inhoud van de overeenkomst aanleiding moeten geven om nadere vragen te stellen alvorens de overeenkomsten te ondertekenen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat voor zover [eiser] c.s. heeft gedwaald ten aanzien van de aard van de overeenkomsten, hij deze dwaling aan zichzelf te wijten heeft en dat deze daarom voor zijn rekening dient te blijven. Het beroep op dwaling wordt derhalve verworpen.

Misbruik van omstandigheden

4.3. Het beroep op misbruik van omstandigheden is door [eiser] c.s. niet (voldoende) concreet onderbouwd. Uit wat verder door [eiser] c.s. is gesteld, kan niet worden afgeleid dat Levob wist of moest begrijpen dat [eiser] c.s. tot het sluiten van de overeenkomsten werd bewogen door bijzondere omstandigheden zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid. Het enkele feit dat Levob zich heeft gericht op een breed, derhalve ook onervaren publiek en gebruik heeft gemaakt van tussenpersonen, is onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen. Dat betekent dat ook deze grondslag niet kan leiden tot rechtsgeldige vernietiging van de overeenkomsten, zoals [eiser] c.s. primair vordert.

4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vorderingen van [eiser] c.s., die zijn gegrond op dwaling en/of misbruik van omstandigheden, moeten worden afgewezen.

Wet op het consumentenkrediet (Wck)

4.5. De rechtbank heeft in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding gezien het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op

4 december 2007 (LJN BB9779) overeenkomstig geoordeeld. (zie bijvoorbeeld LJN BC2442)

4.6. De Hefboomovereenkomst van Levob betreft net als de SprintPlan-overeenkomst een constructie waarbij geld wordt geleend en met dat geleende geld worden aandelen gekocht. De deelnemer betaalt vervolgens de rente over het geleende bedrag en kan profiteren van de mogelijke stijging van de waarde van de gekochte aandelen en dividenduitkeringen. [eiser] c.s. heeft nooit feitelijk de beschikking gehad over het geleende geld. Dit bedrag is door Levob direct belegd. De subsidiair verzochte verklaring voor recht dat de overeenkomsten nietig zijn dan wel door de rechtbank vernietigd worden op grond van strijd met de Wck, zal derhalve worden afgewezen, nu de Wck niet van toepassing is op de tussen [eiser] c.s. en Levob gesloten overeenkomsten.

Wet Toezicht Effectenverkeer (Wte) en Nadere Regeling (NR)

4.7. [eiser] c.s. stelt zich voorts op het standpunt dat er sprake is van strijd met de wet, waardoor de rechtshandeling nietig is in de zin van artikel 3:40 Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] c.s. stelt dat er sprake is van strijd met de Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (verder "Wte 1995") en het op de Wte 1995 gebaseerde Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 (verder "Bte 1995") en artikel 41 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (verder NR 1999).

[eiser] c.s. stelt in dat verband dat Gelink als cliëntenremisier geregistreerd stond en heeft gehandeld in strijd met de Vrijstellingsregeling Wte en met artikel 7 Wte door beroeps- of bedrijfsmatig te adviseren zonder over de daartoe vereiste vergunning te beschikken. Door desondanks cliënten van Gelink te accepteren, heeft Levob gehandeld in strijd met artikel 41 NR 1999, aldus [eiser] c.s.

4.8. Ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW leidt strijd met een dwingende rechtsbepaling tot nietigheid van de rechtshandeling, en in het geval de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit. Lid 3 bepaalt vervolgens dat het bepaalde in het tweede lid alleen geldt indien de wetsbepaling de strekking heeft om de geldigheid van de daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de Wte 1995 als de daarop, door delegatie, gebaseerde Bte 1995, ook zoals die wet en dat besluit luidden tot 1 januari 2007, niet de strekking hebben om de geldigheid als zodanig van een rechtshandeling, in het onderhavige geval, het sluiten van de Hefboomovereenkomsten aan te tasten. Wel wordt in de Bte 1995 een aantal regels voorgeschreven ten aanzien van hetgeen in de overeenkomsten moet zijn bepaald. Noch de Wte 1995, noch de Bte 1995 bevatten echter verbodsbepalingen waaruit kan worden afgeleid dat de strekking daarvan is dat de geldigheid van het sluiten van de overeenkomst wordt aangetast indien niet aan alle regels uit de Bte 1995 is voldaan.

Het voorgaande geldt eveneens voor artikel 41 NR 1999, voor zover deze regeling in deze al van toepassing is.

De vordering tot afgifte van een verklaring voor recht dat rechtsgeldig de nietigheid van de tussen [eiser] c.s. en Levob gesloten overeenkomsten is ingeroepen wegens strijd met de wet, wordt dan ook afgewezen.

Misleidende reclame

4.9. [eiser] c.s. heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat Levob misleidende informatie heeft verstrekt, aangevoerd dat de informatie met name onvolledig is, nu niet is vermeld wat de (financiële) gevolgen zijn van een koersdaling.

4.10. Bij de beoordeling of er sprake is van misleidende mededelingen, stelt de rechtbank voorop dat, gezien de uitspraak van Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 juli 1998, C-210/96 (NJ 2000, 374), moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument. De rechtbank komt tot de conclusie dat een deelnemer bij oplettende bestudering van de hiervoor onder 2.3. en 2.5. opgenomen informatie had kunnen en moeten begrijpen dat er bij de overeenkomsten kennelijk een risico was dat als gevolg van de daling van de waarde van de aandelen de deelnemer een bedrag zou moeten bijbetalen. Er is derhalve wel enige informatie over de financiële gevolgen van een koersdaling. Het feit dat deze informatie weinig specifiek is en in het geheel niet uitgewerkt, is onvoldoende om te oordelend dat het hier om misleidende reclame gaat.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat Levob onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld, afwijst voor zover de onrechtmatigheid is gebaseerd op het verstrekken van misleidende informatie in de zin van artikel 6:194 BW.

Schending zorgplicht

Standpunten van partijen

4.11. Aan de meer subsidiaire vordering legt [eiser] c.s. voorts ten grondslag dat sprake is van een schending van de zorgplicht door Levob. [eiser] c.s. doet daarbij een beroep op de artikelen 24 en 25 Bte 1995 en (onder meer en met name) de artikelen 28 en 33 NR 1999. [eiser] c.s. stelt dat de informatieverstrekking door Levob onjuist en onvolledig is geweest. Levob had concreet moeten waarschuwen voor de risico's die aan de overeenkomsten verbonden waren. Voorts had Levob inlichtingen moeten inwinnen over de financiële positie, beleggingservaring en doelstellingen van [eiser] c.s. Ook had moeten worden bezien of [eiser] c.s. een eventuele restschuld wel zou kunnen voldoen.

4.12. Levob heeft aangevoerd dat de tekst van de overeenkomst en de bijbehorende documenten duidelijk is en voldoende inzicht geven in de overeenkomst en de risico's. Voorts heeft Levob aangevoerd dat de overeenkomst een kant-en-klaar product is, waarin geen beleggingskeuzes hoeven te worden gemaakt en dat daarom op haar geen verdergaande taak of informatieplicht rust. Levob heeft de financiële positie van alle potentiële cliënten onderzocht door een acceptatietoets uit te voeren, waaronder een toets bij het BKR en een inkomenstoets. De uitslag van deze toets leidde niet tot de conclusie dat aan [eiser] c.s. geen of minder overeenkomsten hadden mogen worden aangeboden.

Algemeen

4.13. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2003, JOR 2003/199, heeft overwogen dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product. In zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999/285 heeft de Hoge Raad overwogen “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Deze zorgplicht – die naar zijn aard strekt tot bescherming van de (potentiële) cliënt tegen het gevaar van zijn eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht – vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de contractuele verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen.

4.14. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) geoordeeld dat de omvang van de zorgplicht wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer omtrent hun financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstellingen. Deze vonnissen zijn weliswaar gewezen in procedures, waarin niet Levob, doch een andere aanbieder van een ander aandelenlease-product partij was, doch gelet op de grote overeenkomsten in beide zaken tussen zowel de aanbieders als het door hen aangeboden product, geldt deze zorgplicht eveneens voor Levob. De rechtbank heeft dit al eerder overwogen in haar vonnissen van 4 augustus 2004 (LJN: AQ6491) en 4 juli 2007 (LJN: BA9375) en heeft dit oordeel nadien herhaald in de meer recente vonnissen van onder meer 16 januari 2008 (LJN: BC1910) en 11 juni 2008 (LJN: BD3554). Deze zorgplicht vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Het betoog van Levob ten aanzien van de niet-toepasselijkheid van het Bte 1995 en de NR 1999 op producten als de onderhavige wordt daarom als niet ter zake doende gepasseerd.

4.15. De genoemde twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële cliënt, moeten in samenhang worden bezien, in die zin dat naarmate er meer uitgebreide informatie is verstrekt, de noodzaak tot het inwinnen van uitgebreide informatie over de cliënt kan verminderen.

Bij de beoordeling in hoeverre een juiste balans is aangelegd tussen deze twee verplichtingen, speelt de aard van het product en de daaraan verbonden risico's een rol. Voorts is de wijze waarop het product is gepresenteerd van belang, alsmede de beoogde doelgroep.

De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging die in de Hefboomovereenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

Informatie verstrekken

4.16. Levob diende aan [eiser] c.s. informatie te verschaffen. De overeenkomsten behelzen het risico op een restschuld. Dit risico is zodanig dat een potentiële deelnemer hiervoor voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst(-en) uitdrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen dient te worden gewaarschuwd.

De brochure bevat wat dat betreft helemaal aan het einde onder het kopje 'Let op' wat niet-specifieke zinnen die hiervoor onder rechtsoverweging 2.3. staan vermeld, waaruit alleen blijkt dat de waarde van beleggingen kan fluctueren en dat de voorgestelde rendementen slechts rekenvoorbeelden zijn. Ook in artikel 14 van de overeenkomst wordt gewaarschuwd voor beleggingsrisico's. Deze waarschuwingen in meer of minder algemene bewoordingen voor risico's verbonden aan het beleggen in effecten kunnen niet als een uitdrukkelijke en niet mis te verstane waarschuwing voor de mogelijkheid van een restschuld worden aangemerkt, reeds omdat zij die mogelijkheid niet specifiek noemen.

Dergelijke, overwegend algemeen geformuleerde waarschuwingen miskennen dat juist de bescherming van particuliere beleggers tegen eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht vereist dat zodanige beleggers uitdrukkelijk en ondubbelzinnig op het risico van een restschuld opmerkzaam worden gemaakt. In artikel 5 van de overeenkomst is opgenomen dat een “eventueel resterend tekort” dient te worden aangezuiverd. Dit betreft (slechts) een weergave van een verplichting uit de overeenkomst en is niet als een waarschuwing geformuleerd. Kortom, de noodzakelijke specifieke waarschuwing heeft Levob achterwege gelaten.

Evenmin heeft Levob gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat er weliswaar geen restschuld ontstaat, maar dat het rendement van de belegging zodanig is dat de betaalde rente verloren gaat.

4.17. Aan het bestaan van de bovenbedoelde waarschuwingsplicht doet overigens niet af hetgeen hiervoor is overwogen ter verwerping van het beroep op dwaling en in het bijzonder over datgene wat [eiser] c.s. uit de overeenkomsten had kunnen begrijpen en de eigen verplichting van [eiser] c.s. om zich redelijke inspanningen te getroosten om daarvan kennis te nemen en het te begrijpen. De bijzondere zorgplicht van een effecteninstelling strekt immers mede tot bescherming van personen die net als [eiser] c.s. deze verplichting veronachtzamen of te licht opvatten of van wie de inspanningen tot doorgronding van de overeenkomst zonder vrucht blijven dan wel tot een onjuist of onvolledig begrip van hun verplichtingen en risico's uit die overeenkomst leiden. Daarom staat de omstandigheid dat in het kader van het beroep op dwaling een onjuiste voorstelling van zaken voor rekening van [eiser] c.s. komt, níet in de weg aan het aannemen van een tekortkoming van Levob in de nakoming van de in haar zorgplicht begrepen waarschuwingsplicht en een op deze tekortkoming berustende aansprakelijkheid.

Informatie inwinnen

4.18. Levob diende voorts bij [eiser] c.s. informatie in te winnen over zijn financiële positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstelling voor zover dit redelijkerwijs relevant is bij de uitvoering van de door de effecteninstelling te verrichten diensten. Dat sprake is van een kant-en-klaar product, doet daaraan niet af. Juist vanwege de kenmerken van het product is het inwinnen van die informatie van belang. [eiser] c.s. ging bij het sluiten van de overeenkomsten zeer wezenlijke beleggingsrisico's aan. Een professionele en op dit terrein bij uitstek deskundig te achten partij als Levob had zich rekenschap moeten geven dat langdurige koersdalingen zich zouden kunnen voordoen zoals deze ook zijn opgetreden, waardoor de uiteindelijke betalingsverplichting van [eiser] c.s. in wanverhouding zou kunnen komen te staan met zijn inkomens- en vermogenspositie.

Daarnaast speelt ook een rol dat het product naar zijn aard juist is ontwikkeld voor mensen die niet of weinig bekend zijn met beleggen en over onvoldoende middelen beschikken om te beleggen. Zeker voor die groep beleggers is het ondoenlijk om zelf berekeningen te maken over de risico's van aandelenlease, gezien de vele factoren die daarbij een rol kunnen spelen. Dit betekent dat het, anders dan Levob heeft gesteld, wel relevant is om van te voren enig inzicht te verkrijgen in de totale financiële positie, waaronder de vermogenspositie, van [eiser] c.s. om te bezien of zij een eventuele restschuld zou kunnen voldoen.

4.19. Wat betreft het inwinnen van informatie over de financiële positie van [eiser] c.s. heeft Levob aangevoerd een zogenaamde acceptatietoets te hebben uitgevoerd.

4.20. Levob heeft met het uitvoeren van die toets niet voldaan aan haar verplichting. Er heeft slechts een summiere inkomenstoets plaatsgevonden, terwijl in het geheel niet is geïnformeerd naar de vermogenspositie van [eiser] c.s. Het BKR register vermeldt slechts welk bedrag iemand aan schulden heeft, die voldoen aan de voorwaarden voor registratie en bij instellingen die bij het BKR zijn aangesloten. Een adequaat beeld van de financiële draagkracht van [eiser] c.s. – in verband met de risico's die met de overeenkomst gepaard gaan – is daarmee niet verkregen. De uitgevoerde toets geeft onvoldoende informatie over de vraag of [eiser] c.s. in staat is om een eventuele restschuld te kunnen dragen.

4.21. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat hij geen beleggingservaring had en ook niet wilde beleggen. Hij wilde enkel een lening afsluiten om een auto aan te schaffen. Op aanraden van de tussenpersoon heeft hij de overeenkomsten afgesloten om vermogen op te bouwen ter aflossing van die lening. [eiser] c.s. heeft niet beseft dat hij belegde met geleend geld en dat hij het risico liep op een restschuld.

4.22. Levob heeft niet onderzocht of [eiser] c.s. zich bewust was van de gevaren die voor hem aan het aangaan van de overeenkomsten waren verbonden en of hij de overeenkomsten desondanks wenste aan te gaan.

4.23. Concluderend heeft Levob haar zorgplicht verzaakt. Hetgeen door [eiser] c.s. overigens is aangevoerd ten aanzien van de gestelde schending van de zorgplicht behoeft, gelet op het voorgaande, geen verdere bespreking.

Positie Gelink

4.24. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat Gelink een cliëntenremisier is en dat Levob bij de totstandkoming van de overeenkomsten gebruik heeft gemaakt van de hulp van Gelink, zodat Levob op grond van artikel 6:76 dan wel 6:171 BW aansprakelijk is voor de handelingen van Gelink.

4.25. Levob heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de tussenpersoon Gelink in de relatie tot Levob moet worden beschouwd als een vertegenwoordiger van [eiser] c.s. in de zin van artikel 7:400 BW, zodat de kennis van Gelink over de overeenkomsten moet worden toegerekend aan [eiser] c.s.

Subsidiair stelt Levob dat zij niet aansprakelijk is voor de handelingen van Gelink, nu Levob niet bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik heeft gemaakt van Gelink. Ten tijde van de advisering door Gelink was er van een overeenkomst tussen [eiser] c.s. en Levob nog geen sprake, zodat artikel 6:76 BW niet van toepassing is. Ook artikel 6:171 BW leidt volgens Levob niet tot haar aansprakelijkheid voor de activiteiten van Gelink, omdat, naar de rechtbank begrijpt, er geen opdrachtrelatie tussen Gelink en Levob was.

4.26. De rechtbank oordeelt dat Levob niet aansprakelijk is voor handelingen van Gelink op grond van artikel 6:76 of 6:171 BW. Terecht heeft Levob in dit verband aangevoerd dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 6:76 BW niet is voldaan, nu Gelink niet was betrokken bij de uitvoering van een verplichting van Levob, doch bij de totstandkoming van verplichtingen van Levob voortvloeiend uit door [eiser] c.s. met Levob af te sluiten Hefboomovereenkomsten. Verder is niet gebleken dat het bedrijf van Gelink en van Levob door [eiser] c.s. konden worden beschouwd als een eenheid, zodat ook artikel 6:171 BW in deze niet van toepassing is.

4.27. Ook als de rechtbank dat standpunt van Levob dat Gelink moet worden beschouwd als een opdrachtnemer van [eiser] c.s. in de zin van artikel 7:400 BW, zou volgen – daargelaten in hoeverre dit inderdaad het geval is – leidt dat er niet toe dat er voor Levob geen verplichting meer is om te voldoen aan haar zorgplicht. De stellingname van Levob komt er in feite op neer dat haar zorgplicht – in een geval als het onderhavige waarin door de tussenpersoon meer is gedaan dan alleen het bemiddelen bij de totstandkoming van Hefboomovereenkomsten tussen [eiser] c.s. en Levob – zou zijn beperkt tot het informeren van de tussenpersoon. Zij zou vervolgens geen verantwoordelijkheid meer hebben ten opzichte van de consument. Dat is echter niet in overeenstemming met de hiervoor onder 4.13 vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad en de specifieke zorgplicht van Levob. Het gaat hier immers om producten met een – per overeenkomst – lage maandlast die breed in de markt worden gezet voor een publiek dat van beleggen geen verstand heeft, zonder dat is gebleken dat Levob ervoor heeft gezorgd dat tussenpersonen voldoende en adequate voorlichting bieden. Levob kan zich dan ook niet verschuilen achter de tussenpersoon. Het handelen van Gelink, die als cliëntenremisier althans financieel adviseur een eigen verantwoordelijkheid heeft, neemt de verantwoordelijkheid van Levob in het kader van de hierboven omschreven bijzondere zorgplicht niet weg. Wel kan het zo zijn dat door het handelen van een cliëntenremisier voldoende invulling wordt gegeven aan de zorgplicht die op Levob rust. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is geweest.

Kwalificatie

4.28. De schending van de zorgplicht door Levob kwalificeert de rechtbank, gelet op de uitspraken van het Hof Den Bosch van 5 april 2005 (LJN AT2375) en het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684), als een onrechtmatige daad.

Dit heeft tot gevolg dat de (eerste) meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht in zoverre toewijsbaar is dat voor recht zal worden verklaard dat Levob onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld.

Onder de meer subsidiaire vordering heeft [eiser] c.s. voorts gevorderd om voor recht te verklaren dat Levob gehouden is om alle door [eiser] c.s. geleden schade te vergoeden. De toewijsbaarheid hiervan zal in het navolgende worden beoordeeld.

Causaal verband

4.29. [eiser] c.s. heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de overeenkomsten niet zou hebben afgesloten als Levob hem in niet in mis te verstane bewoordingen had gewezen op het risico van een restschuld. Nu de verplichting waarin Levob is tekortgeschoten ertoe strekt te voorkomen dat een belegger lichtvaardig of met ontoereikend inzicht een beleggingsovereenkomst sluit, kan het aangaan van de overeenkomsten daarom als een gevolg hiervan aan haar worden toegerekend. Levob dient derhalve in beginsel als geleden schade te vergoeden de nadelige financiële gevolgen die voor [eiser] c.s. gemoeid waren met het aangaan van de overeenkomsten.

Schade

4.30. Volgens [eiser] c.s. bestaat zijn schade uit de maandelijks door hem aan Levob betaalde rente van in totaal EUR 3.731,57 en de door hem aan Levob betaalde restschuld ad EUR 6.003,71, verminderd met de uitgekeerde dividenden ad EUR 1.008,89.

De schade bedraagt volgens [eiser] c.s. derhalve EUR 8.726,39.

4.31. De stelling van Levob dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geleende geld zelf, of aan een ander doel te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Levob aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat zowel de rente als de restschuld in beginsel als schade tengevolge van het aan Levob verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

De rechtbank ziet zich inmiddels mede gesteund door de arresten van het Hof Amsterdam van 9 december 2008 (LJN BG6261 en LJN BG6263) waarin het Hof kennelijk terug is gekomen op haar eerdere oordeel dat de over de lening betaalde rente (in de vorm van de maandelijks voldane termijnbedragen) niet als schade kan worden aangemerkt.

4.32. Partijen zijn het erover eens dat het door [eiser] c.s. genoten dividend van de schade moet worden afgetrokken. [eiser] c.s. heeft dat in zijn schadeberekening ook reeds gedaan. Dat ander voordeel is genoten dat verrekend moet worden of dat tussentijds uitkeringen aan [eiser] c.s. zijn gedaan is niet gesteld of gebleken. De schadeberekening van [eiser] c.s. is derhalve correct; de schade bedraagt

EUR 8.726,39.

Eigen schuld

4.33. Levob heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat een billijkheidscorrectie dient te worden toegepast ex artikel 6:101 BW. Zij heeft daartoe gesteld dat [eiser] c.s. de overeenkomst doelbewust is aangegaan, terwijl hij bekend was met de daaruit voortvloeiende verplichtingen, de kenmerken en risico's daarvan en met zijn eigen financiële positie.

4.34. Deze rechtbank heeft in andere aandelenleasezaken waarin zij vonnis heeft gewezen, reeds diverse keren aanleiding gezien om met toepassing van artikel 6:101 BW de schade over partijen te verdelen in evenredigheid met de mate waaraan de desbetreffende partij heeft bijgedragen tot de schade, indien de schade mede het gevolg was van omstandigheden die aan de deelnemer konden worden toegerekend. De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het aandelenleaseproduct als een spaarproduct (of een risicoloos beleggingsproduct) kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren.

De rechtbank zal bij de beoordeling de eigen schuld die [eiser] c.s. heeft aan het ontstaan van zijn schade door geen nader onderzoek naar het product in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten, afzetten tegen de zorgplicht die op Levob rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Levob zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico's van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Levob hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

4.35. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van de schending van de zorgplicht door Levob heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Levob dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Levob blijft.

4.36. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien de specifieke omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. Omstandigheden die daartoe van belang kunnen zijn, betreffen bijvoorbeeld:

• de omvang van de risico's die de deelnemer heeft genomen;

• de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

• de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

• de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

• de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het product heeft ontvangen;

• de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

4.37. Ten aanzien van [eiser] c.s. zijn de volgende omstandigheden van belang. De heer [eiser sub 1] is geboren op [1949] en was ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst derhalve 52 jaar oud. Hij heeft een MULO-diploma behaald. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst was hij met Functioneel Leeftijds Ontslag. Voordien werkte hij bij de marine als kashoudend officier. Hij verrichtte in die hoedanigheid administratieve werkzaamheden bij de Logistieke Dienst Administratie.

Mevrouw [eiser sub 2] is geboren op [1955] en was derhalve 46 jaar oud toen de overeenkomsten werden gesloten. Zij heeft de MBO-opleiding Sociale Dienstverlening afgerond en was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten werkzaam als relatiebeheerder in de thuiszorg.

Het gezamenlijk netto jaarinkomen van de heer en mevrouw [eisers] bedroeg in 2001 EUR 44.306,52. Zij bewoonden een huurwoning en betaalden maandelijks een bedrag van NLG 1.200,00 (EUR 544,54) aan huur. Daarnaast hadden zij de gebruikelijke vaste lasten. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten beschikten zij over een bedrag van

EUR 14.263,00 aan spaargeld. Zij hadden destijds geen schulden.

De heer en mevrouw [eisers] hadden geen beleggingservaring.

De overeenkomsten zijn tot stand gekomen door bemiddeling van Gelink. Gelink heeft hen de aard en werking van de overeenkomsten niet of nauwelijks uiteengezet. Voorafgaand aan het afsluiten van de overeenkomsten hadden zij echter wel de beschikking over een brochure betreffende het Levob Hefboom Effect.

4.38. De rechtbank ziet, alles afwegend, in bovengenoemde omstandigheden geen aanleiding om hetzij ten voordele hetzij ten nadele van [eiser] c.s. af te wijken van het hiervoor vermelde uitgangspunt voor de schadeverdeling. Dat betekent dat 60% van de schade voor rekening van Levob komt en dat 40% van de schade voor rekening van [eiser] c.s. blijft.

De vordering tot het geven van een verklaring voor recht dat Levob gehouden is om de door [eiser] c.s. geleden schade te vergoeden is derhalve gedeeltelijk toewijsbaar, met dien verstande dat voor recht zal worden verklaard dat Levob gehouden is om een bedrag van EUR 5.235,60 (60% van EUR 8.726,39) aan [eiser] c.s. te vergoeden.

4.39. Anders dan Levob stelt, is voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. Gelijk door [eiser] c.s. is gevorderd, zal derhalve eveneens voor recht worden verklaard dat Levob wettelijke rente verschuldigd is.

4.39.1. Bij de berekening van de wettelijke rente over de door [eiser] c.s. betaalde rente termijnen dient rekening te worden gehouden met de voordelen (in het onderhavige geval het ontvangen dividend) die de overeenkomst gedurende de looptijd daarvan voor de deelnemer heeft gehad. Nu [eiser] c.s. niet heeft gesteld op welke data hij de rentetermijnen heeft betaald en de dividenden heeft ontvangen, is toewijzing van de wettelijke rente op een concrete wijze niet mogelijk. De verschuldigde wettelijke rente over de betaalde rentetermijnen zal door de rechtbank dan ook overeenkomstig artikel 6:97 BW worden begroot, en wel door het percentage te bepalen van het toewijsbare bedrag aan rente termijnen (EUR 1.633,48 (EUR 2.722,68, verminderd met 40% eigen schuld) ten opzichte van het totaal betaalde bedrag aan rente termijnen (EUR 3.731,57), en dit percentage toe te passen op de rentetermijnen waarover de wettelijke rente verschuldigd is. In het onderhavige geval betekent dit dat de wettelijke rente zal worden toegewezen over 44% van de onderliggende betaalde rentetermijnen vanaf het moment van de betaling van deze rentetermijnen door [eiser] c.s. tot de dag van voldoening.

4.39.2. De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de betaalde restschuld is toewijsbaar tot een bedrag van EUR 3.602,40 (60% van EUR 6.003,71). De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de dag van betaling van de restschuld door [eiser] c.s. tot de dag van voldoening.

4.40. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-Werk II -worden afgewezen. [eiser] c.s. heeft immers niet gestel dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] c.s. vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.41. Levob zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- betaald vast recht 300,00

- salaris procureur 768,00 (2 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.153,44

4.42. De gevorderde veroordeling in de nakosten wordt afgewezen, nu dergelijke kosten na afloop van de procedure dienen te worden begroot volgens de bijzondere procedure die is voorgeschreven in artikel 237 lid 4 Rv.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Levob onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s. en dat Levob gehouden is om de door [eiser] c.s. geleden schade tot een bedrag van EUR 5.235,60 aan [eiser] c.s. te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente over steeds 44% van de onderliggende door [eiser] c.s. aan Levob betaalde rentetermijnen, telkens vanaf het moment van betaling van deze rentetermijnen door [eiser] c.s. tot de dag van voldoening, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 3.602,40, vanaf de dag van betaling van de restschuld door [eiser] c.s. tot de dag van voldoening,

5.2. veroordeelt Levob in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.153,44,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2. vermelde beslissing uitvoerbaar

bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.