Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH0111

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
19-01-2009
Zaaknummer
SBR 08-2075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huisvestingsverordening. Verzoek om urgentie. Co-ouderschap. Wijziging in zorgverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/2075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het op 6 juni 2008 verzonden besluit (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 maart 2008 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de op 10 januari 2008 door eiseres ingediende aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de regels voor urgentie als neergelegd in artikel 2.5.1 van de Regionale huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht, 1 januari 2008 (hierna: de verordening).

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 11 december 2008, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. V.L.M. Lapidaire, advocaat te Maarssen. Voorts is verschenen [X], ex-echtgenoot van eiseres.

Verweerder is, onder berichtgeving daartoe, niet verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 2.5.1, eerste lid, van de verordening kunnen burgemeester en wethouders een in het register ingeschreven woningzoekende onder voorwaarden urgent verklaren.

Ingevolge artikel 2.5.1, derde lid, onder A, eerste volzin, van de verordening, zijn sociaal geïndiceerden ingezetenen van de regio die in verband met sociale problemen in combinatie met omstandigheden in de huidige in de regio gelegen woning dringend op korte termijn een andere woning nodig hebben. Volgens de tweede volzin wordt een sociale indicatie slechts in een viertal expliciet omschreven omstandigheden verleend. Voor dit geval is het bepaalde bij sub b en c relevant.

Ingevolge het bepaalde in sub b ‘Relatiebeëindiging’ kunnen degenen die de zorg voor minderjarige kinderen hebben en bij wie de kinderen geregistreerd staan volgens de gemeentelijke basisadministratie van een van de regiogemeenten, in aanmerking komen voor urgentie nadat een (voorlopige) voorziening bij echtscheiding is getroffen (waarbij urgentie op basis van voorlopige voorziening alleen kan worden afgegeven indien aantoonbaar het echtscheidingsverzoek is ingediend), danwel sprake is van verbreking van een geregistreerd partnerschap of een notarieel vastgelegd samenlevingscontract, dan wel blijkend uit de Gemeentelijke basisadministratie dat betrokkenen minimaal twee jaar samenwonen, voor zover:

I. in geval van echtscheiding:

- de rechter heeft afgeweken van het verzoek tot toewijzing van de in de regio gelegen woning door de partij, die de zorg voor het (de) minderjarige kind(eren) op zich neemt;

- aantoonbaar is dat in de echtscheidingsprocedure het recht om in de huidige woning te blijven wonen, alsmede voldoende alimentatie of ander inkomen om de woonlasten op te kunnen brengen zijn geclaimd en

- het verzoek om sociale indicatie voor urgentie binnen drie maanden na de gerechtelijke uitspraak wordt gedaan.

II (…)

Aan de onder I en II genoemde verplichting tot het claimen van het recht om in de huidige woning te blijven wonen, alsmede voldoende alimentatie of ander inkomen te claimen om de woonlasten op te kunnen brengen, hoeft niet te worden voldaan als schriftelijk aantoonbaar kan worden gemaakt dat het niet zinvol is een dergelijke claim te leggen.

Hiervan is in ieder geval sprake indien:

- de betreffende woning op naam van de partner staat, voor zover er geen sprake is van gemeenschap van goederen, of

- de partner waarbij de claim zou worden neergelegd slechts uitkering op bijstandsniveau heeft.

Ingevolge het bepaalde in sub c. ‘Relatiebeëindiging met gedeelde zorg voor minderjarige kinderen (co-ouderschap)’ kan in het geval van co-ouderschap slechts urgentie aan één van de ouders worden verleend. De hierboven onder I en II genoemde voorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing. In het geval dat één van beide ouders in de huidige woning kan blijven wonen wordt in geval van co-ouderschap geen urgentie verleend aan de andere ouder.

In de toelichting bij de verordening ten aanzien van dit artikelonderdeel het volgende vermeld.

Met co-ouderschap wordt een regeling aangeduid tussen de ouders over de zorg voor de kinderen. Dit kan betekenen dat de praktische en de financiële zorg voor de kinderen wordt gedeeld. Co-ouderschap kan maar tot maximaal één urgentie leiden en als één van de ouders in de huidige woning blijft wonen wordt geen urgentie verleend. De gemeente heeft daarmee voldaan aan de zorgplicht, namelijk het voorkomen van dakloosheid van minderjarige kinderen. Dat beide partijen co-ouderschap overeenkomen maar dit voorlopig niet kunnen uitvoeren, behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van partijen.

2.2 De rechtbank stelt vast dat door de rechtbank Utrecht bij beschikking van 12 december 2007 de echtscheiding is uitgesproken tussen eiseres en haar ex-echtgenoot. Het overeengekomen echtscheidingsconvenant van 9 november 2007 maakt deel uit van die beschikking. In artikel 1 van het echtscheidingsconvenant is overeengekomen dat eiseres en haar ex-echtgenoot na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijke gezag over de beide kinderen blijven uitoefenen en dat zowel voor de praktische als financiële aspecten een zorgverdeling is overeengekomen. De kinderen blijven, totdat eiseres vervangende passende woonruimte heeft gevonden, woonachtig in de huidige woning [adres] te [woonplaats].

2.3 Eiseres voert in beroep aan dat de in het convenant overeengekomen zorgverhouding na de scheiding is gewijzigd en dat zij thans gedurende 70% van de tijd de zorg voor beide kinderen voor haar rekening neemt, en haar ex-echtgenoot 30%. Deze zorgregeling is niet en mag niet gelijk gesteld worden met co-ouderschap, omdat daaronder moet worden verstaan een gelijke verdeling van zorg voor de kinderen tussen de ouders. Het begrip co-ouderschap is in de verordening niet nader uitgewerkt. Verweerder merkt elke regeling die ouders treffen over de verdeling van de zorg voor de kinderen aan als co-ouderschap. Dit ook in gevallen waarin de zorgtaak niet gelijkelijk over de ouders is verdeeld. Dit kan en mag, aldus eiseres, niet de bedoeling van de regeling zijn. Zij betoogt dat zij haar aandeel in de zorg slechts kan verlenen indien zij beschikt over een zelfstandige woning voor haarzelf en de kinderen.

2.4 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de beschikking van

12 december 2007 van de rechtbank Utrecht en het echtscheidingsconvenant van 9 november 2007, er sprake is van een relatiebeëindiging met gedeelde zorg voor minderjarige kinderen.

Verweerder heeft zijn beslissing tot weigering van de gevraagd urgentie gebaseerd op het bepaalde in artikel 2.5.1, derde lid, onder A, sub c, van de verordening. Daaruit volgt dat verweerder zich, kennelijk, op het standpunt stelt dat sprake is van co-ouderschap.

2.5 Gelet op hetgeen eiseres op dit punt heeft aangevoerd ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval sprake is van co-ouderschap. In dit verband overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 1:251, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het uitgangspunt is dat ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen, dit na hun scheiding behouden. De wetgever heeft de invulling van het doorlopende gezamenlijk gezag aan de ouders overgelaten. Aangezien het begrip co-ouderschap geen wettelijk begrip is, en ook in de verordening niet is gedefinieerd, is het aan de rechtbank dit begrip in te vullen. De rechtbank gaat er voor de beoordeling van het onderhavige geding van uit dat co-ouderschap de afspraak betreft die ouders vrijwillig maken om de feitelijke verzorging en opvoeding van de kinderen elk voor ongeveer 50% voor hun rekening te nemen, waarbij de kinderen afwisselend bij een van de ouders verblijven. De rechtbank merkt daarbij nog op dat voor de uitoefening van het ouderlijke gezag na de scheiding co-ouderschap geen voorwaarde is. Evenmin behoeft het gezamenlijke gezag in co-ouderschap te resulteren.

2.7 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verdeling van de zorg voor de kinderen tussen de beide ouders ten tijde van het convenant en de beschikking van de rechtbank d.d. 12 december 2007 kan worden aangemerkt als co-ouderschap in vorenbedoelde zin. Eiseres heeft echter reeds in bezwaar aangegeven dat in die verdeling nadien een relevante wijziging is opgetreden en deze sedertdien 70 % (moeder) – 30% (vader) is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze stellingen onvoldoende heeft betrokken bij het nemen van de beslissing op het bezwaar. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en genomen, en dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.8 Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres dienen te nemen en daarbij acht moeten slaan op hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Indien verweerder geen reden heeft te twijfelen aan de stellingen van eiseres omtrent de verdeling van de zorgtaken tussen de ouders, dan moet worden geoordeeld dat die verdeling (70% - 30%) dermate afwijkt van co-ouderschap in vorenbedoelde zin, dat eiseres het bepaalde in artikel 2.5.1, derde lid, onder A, sub c, van de verordening niet kan worden tegengeworpen. Verweerder zal het verzoek om urgentie dan hebben te herbeoordelen aan de hand van de verordening, en met name het bepaalde in artikel 2.5.1, derde lid, onder A, sub b van de verordening. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat de kinderen niet bij haar staan geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie, aangezien de inzet van deze procedure juist is om via een urgentie voor eigen huisvesting in aanmerking te komen. Mocht het verzoek niet alsnog met toepassing van deze bepaling voor honorering in aanmerking komen dan zal verweerder hebben te beoordelen of er aanleiding is de hardheidsclausule toe te passen.

2.9 De rechtbank ziet aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- wegens kosten van verleende rechtsbijstand. In verband met de afgegeven toevoeging onder nummer 4GZ1321 dient dit bedrag te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 6 juni 2008;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 maart 2008,

3.4 wijst de gemeente Maarssen aan als rechtspersoon die het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan haar dient te vergoeden;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de gemeente Maarssen als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van de rechtbank moet voldoen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.