Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BH0105

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
19-01-2009
Zaaknummer
SBR 07-2369
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Exploitatievergunning padvindersclubhuizen. Verhuur. Overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/2369

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 januari 2009

in de zaken van

[eiser 1],

[eiser 2],

[eiser 3],

[eiser 4] en [eiseres 5],

[eiser 6],

[eiseres 7],

[eiser 8],

[eiser 9]

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

de burgemeester van de gemeente Zeist,

verweerder.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 29 november 2006 heeft verweerder aan de scoutinggroepen Stichting De Prinses Beatrixgroep, clubhuis ‘De Brakel’, Padvinderslaantje 2 te Zeist, Stichting Scouting Dryade, clubhuis ‘De Traa’, Padvinderslaantje 4 te Zeist, Stichting Luchtvaartgroep Zeist, clubhuis ‘Luvaze’, Padvinderslaantje 10 te Zeist, Stichting Padvindershuis De Bison, clubhuis ‘De Bison’, Padvinderslaantje 12 te Zeist, en Stichting Rambonnet Zeist, clubhuis ‘De Vonk’, Padvinderslaantje

14 te Zeist, op grond van de artikelen 2.3.1.2 en 2.3.1.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zeist (hierna: APV) onder voorschriften een exploitatievergunning verleend. Deze vergunning geldt voor het exploiteren van de scoutingclubhuizen, waarbij tegen vergoeding logies aan scoutinggroepen en groepen van kinderen van basisscholen en hun begeleid(st)ers wordt verstrekt. Bij besluit van 13 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 29 november 2006 gegrond verklaard, in die zin dat aan de exploitatievergunningen een voorwaarde is toegevoegd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld.

1.2 De vergunninghouders Stichting Rambonnet Zeist, Stichting Scouting Dryade en Stichting Padvindershuis De Bison hebben aangegeven als partij aan deze beroepszaak te willen deelnemen.

1.3 De zaken zijn, samen met de zaken SBR 07/2294, SBR 07/2295 en SBR 07/2349, gevoegd behandeld ter zitting van

21 november 2008, waar [eiser 2] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.M.L. Schilder Spel, werkzaam bij Van Benthem & Keulen advocaten te Utrecht. De overige eiseres zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N.K.J. Wiggers werkzaam bij de gemeente Zeist.

De vergunninghouder Stichting Rambonnet Zeist heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. van der Jagt, P.C. van Duivenbode en M.C. van Aartsen. De vergunninghouder Stichting Padvindershuis De Bison heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J. de Klein. De Stichting Scouting Dryade is niet verschenen.

1.4 Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt daarin afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

2.1 Bij besluit van 15 april 2004 heeft verweerder aan de onder overweging 1.1 genoemde scoutinggroepen een vergunning verleend voor de exploitatie van de respectievelijke clubhuizen. Tegen het verlenen van die vergunningen is door omwonenden bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 februari 2005 heeft verweerder, in navolging van het advies van de externe Awb hoor- en adviescommissie (hierna: de commissie), de besluiten van 15 april 2004 herroepen wegens strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in verband met het gebruik van de clubhuizen door anderen dan de betreffende scoutinggroepen.

2.2 Burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist hebben bij besluiten van 25 juli 2006 aan ieder van de scoutinggroepen vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ voor het gebruik van de clubhuizen aan het Padvinderslaantje en bijbehorende terreinen door groepen kinderen van basisscholen met hun begeleiders en daarmee gelijk te stellen groepen. Tegen het verlenen van deze vrijstelling is geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn geworden. Op grond hiervan is verhuur aan andere scoutinggroepen en basisscholieren met hun begeleiders niet in strijd met het bestemmingsplan. Hierdoor staat artikel 2.3.1.2, tweede lid, van de APV niet aan verlening van de exploitatievergunning in de weg.

2.3 Bij besluiten van 29 november 2006 heeft verweerder vervolgens aan ieder van de scoutinggroepen op grond van de artikelen 2.3.1.2 en 2.3.1.4 van de APV een exploitatievergunning verleend voor het tegen vergoeding verstrekken van logies aan scoutinggroepen en groepen kinderen van basisscholen en hun begeleiders in het scoutingclubhuis onder het stellen van nadere voorschriften. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen die besluiten. Op 1 maart 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en op 26 maart 2007 heeft de commissie verweerder van advies gediend.

2.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ten aanzien van het aantal malen dat de clubhuizen per jaar mogen worden verhuurd, onder meer gezien de beperkte overlast die daaruit voortvloeit, ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de huisregels gegrond verklaard, in die zin dat bij huisregel 8, nr. e, wordt toegevoegd dat bij buitenspelen na 22.00 uur altijd contact moet worden opgenomen met de boswachter.

2.5 Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de woon- en leefsituatie en de overlast sterk heeft onderschat. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 7 september 2005, rechtspraak.nl LJN:AU2119, betogen eisers dat de overlast afdoende blijkt uit verklaringen van omwonenden, ten bewijze waarvan eisers de rechtbank op 7 november 2008 een zogeheten ‘klachtenlogboek scouting 2007 en 2008’ hebben doen toekomen. De verruiming van de verhuur heeft een negatieve invloed op de woon- en leefsituatie. Verweerder heeft bij zijn belangenafweging aan de belangen van de omwonenden te weinig gewicht gehecht.

2.6 Artikel 2.3.1.1, eerste lid, van de APV luidt als volgt:

Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de APV is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

In artikel 2.3.1.2, tweede lid, van de APV is bepaald dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigert indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, derde lid, van de APV kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, vierde lid, van de APV houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond, rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

In artikel 2.3.1.4, eerste lid, van de APV is bepaald dat het de houder van een horecabedrijf verboden is dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 en 06.00 uur.

2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat de clubhuizen van de scoutinggroepen kunnen worden aangemerkt als horecabedrijven als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, van de APV.

2.8 Burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist hebben aan de verleende vrijstellingen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geen beperking verbonden ten aanzien van het aantal dagen dat de clubhuizen per jaar mogen worden verhuurd. Tegen deze vrijstellingen zijn geen rechtsmiddelen aangewend zodat die besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.

2.9 In deze zaak is de vraag aan de orde of verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 2.3.1.2, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 2.3.2.1, vierde lid, van de APV, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de (verhuur)activiteiten van de clubhuizen de woon- en leefsituatie of de openbare orde op en in de nabijheid van het Padvinderslaantje te Zeist niet op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloeden. Verweerder dient daarbij mede rekening te houden met het karakter van de omgeving waar de clubhuizen zijn gevestigd, evenals met de uitstraling van de clubhuizen - in hun totaliteit - op die omgeving.

2.10 Gelet op de vrijheid die verweerder bij die beoordeling toekomt, dient de rechtbank zich te beperken tot de vraag of verweerder, indachtig artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, zijn besluit deugdelijk heeft gemotiveerd, zodanig dat op kenbare wijze recht wordt gedaan aan de eisen die onder meer in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb aan behoorlijke besluitvorming worden gesteld.

2.11 Vast staat dat verhuur van de clubhuizen sinds 1947 plaatsvindt en dat de verhuur sinds de jaren zeventig is toegenomen. Volgens verweerder zal de omvang van de verhuur met de verleende vergunningen niet (verder) toenemen. Ter voorkoming van overlast zijn voorschriften aan de vergunningen verbonden. Verweerder acht de nadelige beïnvloeding van woon- en leefomgeving minimaal. Bij hem zijn weinig klachten bekend over overlast ten gevolge van de verhuur (een per jaar). Een beperking van de verhuur ligt volgens verweerder niet voor de hand, omdat geen sprake is van overtreding van het bestemmingsplan als de clubhuizen worden gebruikt door groepen die naar hun aard gelijk gesteld kunnen worden aan scoutinggroepen.

2.12 Ingevolge het op de Wet Milieubeheer berustende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (in oktober 2007 vervangen door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) dienen door een inrichting specifieke maatregelen getroffen te worden om onder meer geluidsoverlast te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Dit laat echter onverlet, zoals de ABRvS in onder meer zijn uitspraak van 9 januari 2008, LJN: BC1506, heeft overwogen, dat verweerder bij zijn belangenafweging aan de (totaliteit van) geluidsaspecten aandacht dient te besteden.

2.13 Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit het belang van de openbare orde en in verband daarmee dat van de woon- en leefsituatie in de omgeving van de clubhuizen betrokken. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat er in de loop der jaren klachten zijn geuit over de aantasting van het woon- en leefklimaat, maar hetgeen eisers dienaangaande hebben aangevoerd maakt niet aannemelijk dat de vergunde exploitatie zal leiden tot een zodanige verstoring van de woon- en leefsituatie in de omgeving van de clubhuizen en/of van de openbare orde, dat verweerder niet in redelijkheid tot vergunningverlening heeft kunnen komen. De rechtbank merkt daarbij op dat klachten slechts kunnen leiden tot eventuele aanpassing van de vergunningsvoorwaarden indien zij rechtstreeks zijn terug te voeren op de (tekortschietende) wijze van bedrijfsvoering van de vergunninghouders. Daarvan is onvoldoende gebleken.

Met betrekking tot het klachtenlogboek scouting 2007 en 2008 moet worden vastgesteld dat verweerder daar ten tijde van zijn besluitvorming niet mee bekend was en dat het merendeel van de opgenomen klachten dateert van na de datum van het bestreden besluit, zodat verweerder die klachten ook niet bij zijn belangenafweging heeft kunnen betrekken. Een deel van de klachten kan niet worden teruggevoerd op een tekortschietende wijze van bedrijfsvoering en een deel van die klachten ziet op het geluid veroorzaakt door onder meer auto- en busverkeer van en naar de clubhuizen en op de toegenomen verkeersbewegingen. Handhaving van die laatste klachten valt in beginsel onder de bepalingen van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, als hiervoor bedoeld in overweging 2.12. Ten slotte hebben de klachten deels ook betrekking op anderen dan de vergunninghouders (de Woudlopers). Uit de stukken is niet gebleken van in de omgeving van de clubhuizen veroorzaakte meer dan incidentele overlast waartegen handhavend optreden nodig was. Verweerder heeft de hem bekend zijnde klachten ten tijde van zijn besluitvorming van onvoldoende gewicht mogen achten om de exploitatievergunningen nader te beperken in de door eisers gewenste zin. De enkele stelling dat vaker geluidsoverlast is ondervonden dan de bij de politie geregistreerde meldingen, biedt onvoldoende grondslag voor een andersluidend oordeel.

2.14 De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen als voorzitter en mrs. D.A.J. Overdijk en

R. Crowe als leden en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009.

De griffier: De voorzitter:

mr. E. Mulder mr. G.J. van Binsbergen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.