Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BG9870

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
SBR 07-2376
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Legesheffing voor verleende evenementenvergunning. Uiteenlopende rechtspraak van hoogste bestuursrechters ten aanzien van de vraag of het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule leidt tot verschoonbare termijnoverschrijding. Onwenselijk dat rechtszoekenden worden geconfronteerd met tegenstrijdige beslissingen van de bestuursrechter. Termijnoverschrijding in het onderhavige geval niet verschoonbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 139 met annotatie van R. Ortlep
Belastingblad 2009/592 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/2376

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 januari 2009

in de zaak van

[eiser], handelend onder de naam [naam bedrijf],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

de Directeur Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op de uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2007, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen de legesnota van 30 maart 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde beschikking heeft verweerder voor het in behandeling nemen van een op 30 maart 2007 verleende evenementenvergunning leges geheven ten bedrage van € 2.121,37.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 28 oktober 2008, waar eiser niet is verschenen.

Verweerder is verschenen bij mr. M.F.M. Boerlage, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

1.3 Op 12 november 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser een aantal vragen gesteld. Bij brief van

10 november 2008 heeft eiser gereageerd. Bij brief van 10 december 2008 heeft eiser nogmaals gereageerd.

1.4 Bij brieven van 22 en 23 december 2008 hebben partijen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. Op 6 januari 2009 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 Bij besluit van 30 maart 2007 heeft de burgemeester van Utrecht eiser een evenementenvergunning verleend voor een concert van Bløf, te houden op 13 april 2007 in de Vechtsebanen te Utrecht.

2.2 Voor het in behandeling nemen van eisers aanvraag om een evenementenvergunning heeft verweerder eiser bij beschikking van 30 maart 2007 leges geheven ten bedrage van € 2.121,37. Eiser heeft bij brief van 7 juli 2007 bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

2.3 Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft - kort weergegeven - overwogen dat de leges zijn opgelegd overeenkomstig artikel 2.3.1.2 van de tarieventabel behorend bij de Verordening op de heffing en invordering van leges 2007.

2.4 Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In afwijking van artikel 6:8 van de Awb bepaalt artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, dan wel met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.5 De rechtbank stelt voorop dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van openbare orde is. Dit betekent dat het partijen niet vrijstaat om deze termijn te verlengen. De feiten die bij deze beoordeling van belang zijn, staan evenmin ter vrije bepaling van partijen.

2.6 De beschikking van 30 maart 2007 waarbij de leges zijn geheven, is volgens de stempel die op de beschikking is gezet, verzonden op 2 april 2007. Uit artikel 22j van de Awr volgt dan ook dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is gaan lopen op 3 april 2007 en is geëindigd op 14 mei 2007. Eiser heeft eerst bij brief van 7 juli 2007 bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 juli 2007. Het bezwaarschrift is dan ook niet tijdig ingediend.

2.7 Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de termijnoverschrijding als verschoonbaar is aangemerkt omdat bij de nota geen rechtsmiddelenverwijzing was vermeld.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat bij de bekendmaking van deze beschikking niet te kennen is gegeven dat binnen zes weken na de bekendmaking bezwaar kon worden gemaakt.

2.8 Bij brief van 12 november 2008 heeft de rechtbank eiser verzocht mee te delen of hij, aangezien hij regelmatig legesnota’s ontvangt, op de hoogte was van de geldende bezwaartermijn. Bij brief van 10 november 2008 heeft eiser (nadat de rechtbank daarom eerder had verzocht) te kennen gegeven dat het bezwaarschrift te laat is ingediend omdat er op de nota geen bezwaartermijn was vermeld.

2.9 De rechtbank merkt op dat door de hoogste bestuursrechters verschillend wordt geoordeeld over de vraag of het enkele ontbreken van een rechtsmiddelenclausule leidt tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 29 februari 2001, www.rechtspraak.nl, LJN: ZB8777) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 8 mei 2001, www.rechtspraak.nl, LJN: AB1706) hanteren als uitgangspunt dat het enkele ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing niet tot de conclusie kan leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het college van Beroep voor het bedrijfsleven (onder meer de uitspraak van

13 januari 2004, www.rechtspraak.nl, LJN: AO2300) en de Hoge Raad (onder meer de uitspraak van 7 december 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: BB9541) hanteren daarentegen als uitgangspunt dat het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing wel kan leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

2.10 De rechtbank acht onwenselijk dat rechtszoekenden worden geconfronteerd met tegenstrijdige beslissingen van de bestuursrechter. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld welk uitgangspunt moet gelden indien een rechtsmiddelenverwijzing ontbreekt.

De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing dan ook niet onder alle omstandigheden leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

Uit de dossierstukken blijkt dat eiser regelmatig evenementen organiseert waarvoor hem vergunningen worden verleend. Voor het in behandeling nemen van deze vergunningaanvragen, ontvangt eiser regelmatig beschikkingen tot heffing van leges. Eiser heeft een aantal evenementenvergunningen en beschikkingen tot heffing van leges overgelegd. Eiser was er dan ook bekend mee dat het indienen van een bezwaarschrift moet plaatsvinden binnen een bepaalde termijn. Indien eiser zou hebben getwijfeld over de lengte van deze termijn had het op zijn weg gelegen bij verweerder daarnaar navraag te doen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is.

2.11 De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat de rechtbank niet kan toekomen aan de vraag of de hoogte van de geheven leges juist is.

2.12 De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel zal de gemeente Utrecht het door eiser betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3. 1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2007;

3.3 verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

3.4 bepaalt dat de gemeente Utrecht het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter als voorzitter en mr. S. Wijna en mr. M.P. van der Burg als leden, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009.

De griffier: De voorzitter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.