Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BI0045

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
227777 / FA RK 07-1497.
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap naar Iraans recht.(oa. bruidschat) Vraagstelling aan het Int. Juridisch Instituut.

Is op het huwelijksvermogensregiime van partijen volgens het internationaal privaatrecht van Iran het interne recht van Iran van toepassing?

Zie uitspraak: LJN BH3018

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 227777 / FA RK 07-1497

beslissing na echtscheiding

Beschikking van 9 januari 2008

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, nader te noemen de man,

procureur mr. A.M. Bruin,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, nader te noemen de vrouw,

procureur mr. M.I. van Meel.

1. Verdere verloop van de procedure

Op 18 juli 2007 heeft de rechtbank onder rekestnummer 224885 FA RK 07-300 een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar die beschikking.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 december 2007.

2. Vaststaande feiten

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de op 18 juli 2007 gegeven beschikking.

3. Beoordeling van het verzochte

Tussen partijen moet nog een beslissing volgen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

De man heeft de rechtbank verzocht op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap Nederlands recht toe te passen. Hij heeft gesteld dat tot de huwelijksgemeenschap van partijen een aantal schulden behoren, tot een totaalbedrag van circa € 30.000,=.

Hij heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw verplicht is om de helft van de totale schuld te voldoen, uitgaande van het saldo vanaf het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te weten 20 november 2006.

De vrouw heeft tegen het verzoek van de man verweer gevoerd. Zij heeft betwist dat er in beginsel sprake is van een gemeenschap van goederen en zij heeft betwist dat de door de man gestelde en door haar niet erkende schuld op haar verhaald kan worden.

De vrouw heeft voorts gesteld dat - zo er al sprake is van een huwelijksgoederengemeen-schap die voor verdeling vatbaar is - tevens rekening moet worden gehouden met het vermogen van de man in Iran.

Bij latere productie d.d. 17 september 2007 heeft de man naar voren gebracht dat in de onderhavige zaak Nederlands recht van toepassing is. Hij heeft primair gesteld dat partijen op 3 maart 2003 in Iran in het huwelijk zijn getreden en dat zij daarbij geen rechtskeuze hebben gemaakt voor hun huwelijksgoederenregime. Voorts heeft hij gesteld dat hij enkele dagen na het huwelijk naar Nederland is teruggekeerd en dat partijen derhalve geen gezamenlijk hoofdverblijf in Iran hebben gehad. De vrouw is de man na ongeveer zeven maanden nagereisd, waarop partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hebben gevestigd. De man is van mening dat, uitgaande van de hoofdregel van artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (in werking getreden op 1 september 1992) het recht van het land van het eerste huwelijksdomicilie, in casu Nederland, toepasselijk is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Bij latere productie d.d. 20 september 2007 heeft de vrouw naar voren gebracht dat aan-leiding bestaat om het Iraans recht van toepassing te achten op het huwelijksvermogens-regime van partijen. Zij heeft primair gesteld dat partijen de Iraanse nationaliteit gemeen-schappelijk hebben, dat Iran een nationaliteitsland is en dat partijen hun eerste huwelijks-domicilie eveneens in een nationaliteitsland hebben gekozen. De vrouw meent dat op grond van artikel 4 jo. 5 van het Haags Huwelijksvermogensverdag van 1978 Iraans recht van toepassing is. Voorts heeft de vrouw gesteld dat er op basis van het Iraanse recht geen gemeenschap van goederen bestaat en dat op grond daarvan de door de man opgevoerde schuld niet (mede) voor haar rekening kan komen. Wel maakt de vrouw onverkort aan-spraak op de bruidschat die op grond van de huwelijksvoltrekking naar Iraans recht dient te worden vergoed bij echtscheiding.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het staat vast dat partijen voor hun huwelijk geen rechtskeuze hebben gemaakt. Dit brengt mee dat het huwelijksvermogen van partijen wordt beheerst door het recht dat wordt aangewezen door de objectieve conflictenregel van artikel 4 van het Haags Huwelijksver-mogensverdrag, in combinatie met artikel 5 en artikel 15 van dit Verdrag.

De hoofdregel, artikel 4, bepaalt dat het huwelijksvermogensregime van partijen, nu zij geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt beheerst door het interne recht van de Staat op welk grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden.

Tussen partijen staat vast dat zij hun eerste gewone verblijfplaats na hun huwelijk in Nederland hebben gevestigd. Nu Nederland echter een land is dat de verklaring van artikel 5 van het Verdrag heeft afgelegd, wordt het huwelijksvermogensregime van partijen, in uitzondering op de hoofdregel, op grond van artikel 4 lid 2 sub 2 van het Verdrag beheerst door het Iraanse recht als het recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van hun huwelijkssluiting, indien volgens het internationaal privaatrecht van Iran het interne recht van Iran van toepassing is.

Weliswaar heeft de man kanttekeningen geplaats bij zijn Iraanse nationaliteit, omdat voor hem als Koerd deze nationaliteit geen enkele betekenis heeft, het Haags Huwelijksvermo-gensverdrag kent echter geen effectiviteitstoets ( noch een realiteitstoets ). Dit brengt mee dat de gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting als aanknopings-punt moet worden toegepast, ongeacht haar effectiviteits- of realiteitswaarde in de onder-havige zaak.

De vraag of volgens het internationaal privaatrecht van Iran het interne recht van Iran van toepassing is, is voor de rechtbank niet te beantwoorden zonder deskundige voorlichting.

De rechtbank zal deze vraag dan ook, zoals ter zitting aangekondigd en besproken, aan het Internationaal Juridisch Instituut voorleggen. Tevens zal de rechtbank aan het Interna-tionaal Juridisch Instituut vragen over het eventueel toepasselijke Iraanse huwelijksver-mogensrecht voorleggen, alsmede over de bruidschat die volgens de vrouw naar Iraans huwelijks(vermogens)recht nog door de man aan haar dient te worden vergoed.

De rechtbank komt dan ook tot de volgende vraagstelling aan het Internationaal Juridisch Instituut:

1) Is op het huwelijksvermogensregime van partijen volgens het internationaal privaatrecht van Iran het interne recht van Iran van toepassing?

2) Zo ja, hoe is dit huwelijksvermogensregime geregeld? Oftewel, is sprake van een gemeenschap van goederen, een beperkte gemeenschap of geen enkele gemeen-schap van goederen? De rechtbank merkt hierbij op dat voorafgaande aan het huwe-lijk tussen partijen geen overeenkomst aangaande het huwelijksvermogensregime is gesloten.

3) Onder welke voorwaarden heeft de vrouw recht op vergoeding van de bruidschat naar Iraans recht? Indien de man op grond van Iraans recht gehouden zou zijn tot vergoeding van de bruidschat, zijn er op grond van het Iraanse recht voorwaarden verbonden aan die vergoeding, zoals bijvoorbeeld periodieke betaling?

4) Hoe verhoudt de eventuele verplichting tot vergoeding van de bruidschat door de man zich tot het alimentatieverzoek van de vrouw? Maakt het voor het eventuele recht op vergoeding van de bruidschat naar Nederlands internationaal privaatrecht uit dat op de echtscheiding en dientengevolge op het alimentatieverzoek van de vrouw Nederlands recht is toegepast?

5) Heeft U voorts nog op- of aanmerkingen die voor de beantwoording van de voornoemde vragen van belang zijn?

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de behandeling van de zaak in afwachting van een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut aanhouden.

4. Beslissing

4.1. De rechtbank verzoekt het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage gemotiveerd en schriftelijk de onder 3 genoemde vragen te beantwoorden en het rapport dienaangaande aan de rechtbank over te leggen.

4.2. De rechtbank draagt de griffier op een kopie van de dossierstukken aan het Internationaal Juridisch Instituut te verzenden.

4.3. De rechtbank bepaalt dat, zodra het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut door de rechtbank is ontvangen, de griffier hiervan een afschrift aan partijen toezendt.

4.4. De vrouw wordt als eerste in de gelegenheid gesteld zich binnen vier weken na de datum van verzending van het rapport uit te laten over haar standpunten en de voortzetting van de procedure, waarna de man in de gelegenheid wordt gesteld hier binnen vier weken op te reageren.

4.5. De rechtbank houdt iedere beslissing, in afwachting van het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut, PRO FORMA aan tot 13 MEI 2008.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Bongers, rechter, in tegenwoordigheid van

A. Hollart, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2008.