Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BH1348

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
16/4422778-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a en van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte is veroordeelt tot een werkstraf van 40 uren. Indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht zal een vervangende hechtenis worden toegepast van 20 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/442778-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats](Spanje),

wonende aan de [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 november 2008, waarbij de officier van justitie, mr. M. Grüschke, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Feit 1

hij op of omstreeks 29 december 2006 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft

bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef

en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 370 microgram, in elk geval hoger dan

220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Feit 2

hij op of omstreeks 05 augustus 2006 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Utrecht, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit

voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het

alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8,

tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 260 microgram, in

elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek

te zijn;

Feit 3

hij, op of omstreeks 01 november 2007 te Amersfoort terwijl hij wist of

redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor alle

categorieën ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor

het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën

was afgegeven, op de weg, de Molenstraat, als bestuurder een motorrijtuig,

(personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot feit 3 het standpunt ingenomen dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de aangetekende brief waarin stond vermeld dat het rijbewijs ongeldig is verklaard de verdachte niet heeft bereikt, maar is geretourneerd aan de afzender, en dat ook de brief met dezelfde inhoud, die per gewone post is verzonden niet door de verdachte is ontvangen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting;

- het proces-verbaal d.d. 27 maart 2007;

- het ademanalyseformulier, waaruit tevens blijkt dat aan alle formaliteiten met betrekking tot het ademonderzoek is voldaan.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting;

- het proces-verbaal d.d. 24 november 2006;

- het ademanalyseformulier, waaruit tevens blijkt dat aan alle formaliteiten met betrekking tot het ademonderzoek is voldaan.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 november 2007, waaruit blijkt dat twee politieambtenaren de verdachte op

1 november 2007 in Amersfoort hebben zien rijden in een personenauto en hebben geconstateerd dat zijn rijbewijs op dat moment ongeldig was verklaard;

- een kopie van de aangetekende brief die op 21 februari 2007 aan het adres van de verdachte is verzonden, waarin het CBR aan de verdachte bericht dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard indien hij niet meewerkt aan de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer;

- een kopie van de brief die op 21 februari 2007 per gewone post aan het adres van de verdachte is verzonden, waarin het CBR aan de verdachte bericht dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard indien hij niet meewerkt aan de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer;

- het besluit van het CBR d.d. 24 mei 2007 dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard.

- een kopie van de aangetekende brief die op 24 mei 2007 aan de verdachte is verzonden, waarin het CBR bericht dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.

De rechtbank overweegt dat zowel de aangetekende brieven als de gewone brief naar het juiste adres van de verdachte zijn verzonden. De rechtbank overweegt voorts dat de gevolgen voor het niet in ontvangst nemen van een aangetekende brief of het vervolgens niet afhalen van die aangetekende brief op de daartoe aangewezen plek geheel voor eigen rekening van de verdachte komen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 29 december 2006 te Utrecht als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 370 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Feit 2

op 05 augustus 2006 te Amersfoort als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 260 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Feit 3

op 01 november 2007 te Amersfoort terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor alle categorieën ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Molenstraat, als bestuurder een motorrijtuig,

(personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot feit 2 het standpunt ingenomen dat de verdachte niet strafbaar is, omdat hij de auto moest verzetten van een politieagent, ook nadat hij aan de politieagent had medegedeeld dat hij onder invloed van alcohol was. De verdediging verzoekt de verdachte met betrekking tot feit 2 te ontslaan van alle rechtvervolging.

6.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte met betrekking tot feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte reeds in het politieverhoor na zijn aanhouding heeft verklaard dat het rijden van het voertuig niet uit vrije wil is gegaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met betrekking tot feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aannemelijk is geworden dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan ter uitvoering van een ambtelijk bevel gegeven door een politieambtenaar.

Verdachte is strafbaar voor de feiten 1 en 3, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid met betrekking tot die feiten uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis indien de straf niet naar behoren wordt uitgevoerd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen geldboete op te leggen vanwege de financiële situatie van de verdachte, maar de verdachte in plaats daarvan te veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Doordat de verdachte onder invloed van alcohol heeft deelgenomen aan het verkeer heeft hij voor een gevaarlijke situatie gezorgd, waarbij hij niet alleen zichzelf, maar ook de overige verkeersdeelnemers in gevaar heeft gebracht, dan wel heeft kunnen brengen.

Nadat de verdachte reeds op een eerder moment is veroordeeld voor het rijden onder invloed heeft hij de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer moeten uitvoeren. Doordat de verdachte deze maatregel niet met succes heeft afgerond is zijn rijbewijs ongeldig verklaard. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij deze van overheidswege genomen beslissing heeft genegeerd en toch is blijven rijden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte neemt de rechtbank in overweging dat de verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2008 reeds meerdere malen voor verkeersdelicten is veroorzaakt. Bij de op te leggen straf houdt de rechtbank voorts rekening met de financiële situatie van de verdachte.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met onder meer het eerder uitgesproken vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht op 9 december 2008 met parketnummer 16/600187-08.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van 40 uur.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en feit 2

Telkens, overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 3

Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart de verdachte strafbaar met betrekking tot feit 1 en feit 3;

- verklaart dat de verdachte niet strafbaar is met betrekking tot feit 2 en ontslaat de verdachte met betrekking tot dat feit van alle rechtsvervolging;

Strafoplegging met betrekking tot feit 1 en 3

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van

20 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Falkmann, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2008.