Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BH0619

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
22-01-2009
Zaaknummer
16/601116-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 voorwaardelijk vanwege het plegen van ontucht met minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601116-08

Datum uitspraak: 30 december 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1964 te Utrecht,

thans gedetineerd in PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsvrouw: mr. N.A. Pasveer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 december 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Utrecht, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2. Primair

hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Utrecht, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en / of opleiding en / of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, bestaande die ontuchtige handelingen uit het, meermalen althans eenmaal,

- strelen en/of wrijven en/of aanraken van/tussen de benen en/of op/over de vagina en/of

- het op-/aanrijen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het uittrekken van het slipje van die [slachtoffer];

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Utrecht, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het meermalen, althans eenmaal, ontuchtig

- strelen en/of wrijven en/of aanraken van/tussen de benen en/of op/over de vagina en/of

- het op-/aanrijen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het uittrekken van het slipje van die [slachtoffer];

De bewezenverklaring

Door de raadsvrouw is het verweer gevoerd dat niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan worden verkregen dat haar cliënt daadwerkelijk met zijn vinger in het lichaam van [slachtoffer] is binnengedrongen. Het slachtoffer heeft niet meteen tegen haar vader verteld dat verdachte met zijn vinger in haar kruis was geweest en dus moeten de latere verklaringen door het slachtoffer in twijfel getrokken worden, aldus de raadsvrouw.

Met de officier van justitie acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer], afgelegd bij zowel haar moeder als in het studioverhoor, zijn consequent. Dat het slachtoffer in beginsel bij haar vader nog niet over alle gebeurtenissen heeft verklaard doet niets af aan de betrouwbaarheid van haar later afgelegde verklaringen. Vast staat immers dat de vader in eerste instantie emotioneel heeft gereageerd waardoor aannemelijk is dat [slachtoffer] niet alles heeft kunnen vertellen. De moeder van [slachtoffer] heeft in haar aangifte d.d. 1 september 2008 verklaard: “Ik heb [slachtoffer] op woensdag 6 augustus 2008 bij me geroepen en gezegd dat ze alles tegen mij kon vertellen. Ik hoorde dat [slachtoffer] toen zei dat ze eigenlijk nog wel iets moest vertellen over [verdachte]. Ik hoorde dat [slachtoffer] mij toen vertelde dat [verdachte] zijn vinger in haar kruis had gestopt. Ik hoorde dat [slachtoffer] toen zei dat hij die vinger in zijn oor en toen in zijn mond stopte. [slachtoffer] zei dat het geen pijn deed.

In het studioverhoor heeft [slachtoffer] d.d. 2 september 2008 verklaard: “Eh hij had gedaan….. met zijn vinger in mijn kruis” Daarnaast heeft verdachte op de vraag van [verbalisant 1] of hij met zijn vinger in het kruis van [slachtoffer] had gezeten en daarna zijn vinger had afgelikt “ja” geantwoord. Dat verdachte op de vragen van [verbalisant 1] “ja” geknikt heeft is tevens waargenomen door [verbalisant 2]. Daar staat tegenover dat verdachte bij de rechter-commissaris het met zijn vinger binnendringen van het lichaam van het slachtoffer niet heeft ontkend, maar heeft gezegd dat hij het niet meer wist. De rechtbank hecht derhalve, mede bezien in het licht van de overige door verdachte toegegeven gedragingen, geen waarde aan het feit dat verdachte ter terechtzitting d.d. 16 december 2008 heeft ontkend zijn vinger in het kruis van [slachtoffer] gebracht te hebben.

De onder 2 ten laste gelegde feitelijkheden heeft verdachte in zijn verklaring bij de politie en tijdens de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting d.d. 16 december 2008 bekend. Deze bekentenis wordt onder andere gesteund door de aangifte van de moeder van het minderjarige slachtoffer.

Het door de raadsvrouw gevoerde verweer wordt derhalve weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze dat:

1.

hij in de periode van 31 juli 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Bilthoven, gemeente

De Bilt, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2. Primair

hij in de periode van 31 juli 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Bilthoven, gemeente

De Bilt, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, bestaande die ontuchtige handelingen uit het, meermalen

- strelen en/of wrijven en/of aanraken van de vagina en

- het aanrijen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en

- het uittrekken van het slipje van die [slachtoffer];

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het

onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Feit 2 primair:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De bewezenverklaarde handelingen hebben plaatsgevonden terwijl verdachte op het slachtoffer zou passen. Aldus heeft verdachte misbruik gemaakt van deze situatie en het vertrouwen dat het meisje en haar ouders in hem mochten stellen ernstig beschaamd.

Tevens heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een jong kind (zes jaar). Het is algemeen bekend dat jonge kinderen die dergelijke handelingen hebben moeten ondergaan daarvan in hun latere leven (soms ernstige) psychische gevolgen ondervinden of kunnen ondervinden. Van deze mogelijke gevolgen heeft verdachte zich geen enkele rekenschap gegeven.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 24 oktober 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is wegens enig strafbaar feit;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 25 november 2008 van

drs. M. Eleveld, psychiater in opleiding en drs. E.A.M. Schouten, psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis in de zin van een depersonalisatiestoornis en een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering d.d. 15 december 2008, opgemaakt door mevr. B. Westra, reclasseringswerker, waarin geconcludeerd wordt dat er geen pedoseksuele trekken geconstateerd zijn bij verdachte, maar dat herhaling als gevolg van de psychiatrische problematiek niet uitgesloten kan worden. Om die reden lijkt een voorwaardelijke veroordeling met behandeling bij De Waag (sex-offenders) gekoppeld aan een reclasseringstoezicht passend en geïndiceerd;

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan

5 maanden voorwaardelijk met reclasseringstoezicht;

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf ruim voldoende recht doet aan het gegeven dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden gezien, overigens een blanco strafblad heeft en dat het bij één vergrijp aan [slachtoffer] is gebleven. Ernstige zedendelicten als de onderhavige plegen immers fors te worden bestraft. Een door de raadsvrouw bepleite lagere straf dan gevorderd is dan ook niet aan de orde.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 789,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade begroot de rechtbank op tenminste het namens [slachtoffer] gevorderde bedrag van € 789,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 244 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van

15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Stelt een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook indien dit inhoudt een behandeling bij De Waag, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], gemeente

De Bilt, toe tot een bedrag van € 789,- (zegge zevenhonderdnegenentachtig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 789,- (zegge zevenhonderdnegenentachtig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van

15 (vijftien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.C.P.M. Straver, P. Bender en A. Wassing, bijgestaan door mr. P. Groot-Smits als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2008.