Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG9841

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
SBR 08-752
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge weigering door de marktmeester van een standwerkersplaats op de zaterdagmarkt is neergelegd in een brief van burgemeester en wethouders en daarmee een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het gehanteerde beleid ten aanzien van de verdeling van standwerkersplaatsen geeft een redelijke invulling aan de Marktverordening. Het beroep is gegrond, de beslissing op bezwaar wordt vernietigd en het bezwaar wordt, zelf voorziend, alsnog ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/752

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 23 december 2008

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 januari 2008 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 24 augustus 2007 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij laatstgenoemde brief heeft verweerder onder meer bevestigd dat eiser op 30 juni 2007 geen vergunning is verleend voor een standwerkersplaats op de zaterdagmarkt in Nieuwegein.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 4 december 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde B.Th.J. de Vrij. Namens verweerder zijn verschenen A.G. Verbeek en H. Koekoek, beiden werkzaam bij de gemeente Nieuwegein.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2 Artikel 20 van de Marktverordening Nieuwegein 2002 (hierna: de Marktverordening) luidt als volgt:

1. Het is uitsluitend op de daartoe aangewezen standplaatsen toegestaan als standwerker op te treden.

2. De toewijzing van standwerkersplaatsen geschiedt bij door burgemeester en wethouders per marktdag af te geven vergunningen.

2.3 Eiser heeft aangevoerd dat het feit dat de marktmeester hem op 30 juni 2007 een vergunning voor een standwerkersplaats heeft geweigerd, is aan te merken als een besluit dat is gericht op rechtsgevolg. Eiser is van mening dat het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift door verweerder ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat zijn beroep uitsluitend is gericht tegen de weigering hem op 30 juni 2007 een vergunning voor een standwerkersplaats toe te wijzen.

2.4 Verweerder heeft gesteld dat het bezwaar van eiser is gericht tegen een informatieve brief van 24 augustus 2007. Deze brief is volgens verweerder niet op rechtsgevolg gericht en reeds daarom niet aan te merken als een besluit. Het bezwaarschrift is om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft voorts gesteld dat de mondelinge weigering van de marktmeester om eiser op 30 juni 2007 een vergunning voor een standwerkersplaats te verlenen, geen besluit is aangezien deze niet schriftelijk is vastgelegd.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt. Met betrekking tot de eis dat een besluit schriftelijk moet zijn genomen, is in de Memorie van Toelichting bij de Algemene wet bestuursrecht (TK 1988-1989, 21221, nr 3) gesteld dat de schriftelijkheidseis niet meer betekent dan dat het genomen besluit uit een schriftelijk stuk kenbaar moet zijn om aan de definitie te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van de marktmeester dat eiser op 30 juni 2007 niet in aanmerking kwam voor de gevraagde vergunning, naar haar aard op onmiddellijke uitvoering was gericht. De marktmeester handelde daarbij in mandaat namens verweerder. Een schriftelijke vastlegging van deze mededeling lag toen niet in de rede, aangezien de inhoud van de mededeling en de gevolgen daarvan voor eiser volstrekt duidelijk waren. De brief van 12 juli 2007

(op 13 juli 2007 verzonden) bevat de schriftelijke neerslag van het mondeling gegeven besluit van 30 juni 2007. Verweerder heeft in deze brief het besluit van 30 juni 2007 bevestigd en nader gemotiveerd. Met de bevestiging in de brief van 12 juli 2007 door verweerder [het orgaan dat zijn bevoegdheid tot het toewijzen van de gevraagde vergunning heeft gemandateerd aan de marktmeester] is voldaan aan de schriftelijkheidseis. Het in die brief neergelegde besluit is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden opgekomen.

2.6 Eiser heeft vervolgens in zijn brief van 8 augustus 2007 expliciet gesteld dat hij zich niet kan verenigen met de verklaring van verweerder over de gang van zaken op 30 juni 2007 en de uitleg daaromtrent in voornoemde brief van 12 juli 2007. Verweerder heeft hieruit moeten begrijpen dat eiser met deze brief beoogde bezwaar te maken tegen het weigeringsbesluit. De omstandigheid dat eiser in zijn brief van 8 augustus 2007 verzoekt om een ‘beroepsbevattelijke beslissing’, brengt niet mee dat verweerder in de brief van eiser geen bezwaar in de zin van de Awb tegen het besluit van 30 juni 2007 hoefde te lezen. Eiser heeft met zijn brief van 8 augustus 2007 tijdig bezwaar gemaakt tegen het weigeringsbesluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser, zoals aangevuld in eisers brief van 25 september 2007, dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5 Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet op de omstandigheid dat partijen ter zitting hebben aangegeven een inhoudelijke uitspraak te willen over de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd om op 30 juni 2007 aan eiser een vergunning voor een standwerkersplaats te verlenen, ziet de rechtbank, mede uit het oogpunt van doelmatige rechtspleging, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb. In dat kader wordt als volgt overwogen.

2.6 In artikel 20, vijfde lid, van de Marktverordening is bepaald dat burgemeester en wethouders, indien de omstandigheden op de markt daartoe aanleiding geven, beperkingen kunnen stellen aan het aantal af te geven vergunningen voor standwerkersplaatsen per artikelengroep.

2.7 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verweerder gevoerde beleid ten aanzien van de verdeling van de standwerkersplaatsen aan de hand van het te verkopen artikel, onder meer in strijd is met Europese regelgeving en met het gelijkheidsbeginsel.

2.8 Verweerder heeft in de brieven van 12 juli 2007 en 24 augustus 2007 het door hem gehanteerde beleid met betrekking tot het verlenen van vergunningen voor standwerkersplaatsen als volgt toegelicht. Op de wekelijkse zaterdagmarkt zijn drie standwerkersplaatsen beschikbaar. Als zich op een zaterdag meer dan drie standwerkers melden dan houdt de marktmeester bij het toewijzen van de standwerkersplaatsen rekening met de branche. In eerste instantie komen slechts de standwerkers in aanmerking voor een standwerkersplaats, die willen standwerken met een artikel dat nog niet op de markt is vertegenwoordigd. Onder hen vindt eventueel een loting plaats. Onder de standwerkers die willen standwerken met een artikel dat al op de markt vertegenwoordigd is, vindt alleen dan een loting plaats indien zich minder dan drie standwerkers hebben gemeld die willen werken met een artikel dat nog niet op de markt vertegenwoordigd is. Er zal dus feitelijk maar één loting plaatsvinden, die door verweerder wordt aangeduid als eerste of tweede loting, naar gelang de categorie standwerkers waartussen wordt geloot.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het door hem gehanteerde beleid een redelijke invulling geeft aan artikel 20, vijfde lid, van de Marktverordening, waarin expliciet is bepaald dat verweerder per artikelengroep beperkingen mag stellen aan het aantal af te geven vergunningen voor standwerkersplaatsen. De rechtbank is niet gebleken van strijd met Europese regelgeving en/of het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting is voorts aannemelijk geworden dat dit beleid, anders dan door eiser is gesteld, door de marktmeester ook daadwerkelijk wordt gehanteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 30 juni 2007 wilde standwerken met sierraden, een artikel dat, zo is door verweerder onweersproken gesteld, die dag al op de markt vertegenwoordigd was. Voorts blijkt uit de brief van 24 augustus 2007 dat op 30 juni 2007 reeds drie personen, met een artikel dat nog niet op de markt was vertegenwoordigd, waren ingeloot voor de drie beschikbare standwerkersplaatsen. Dit betekent dat verweerder, op grond van het door hem gehanteerde beleid, eiser de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren.

2.10 Nu het primaire besluit is genomen met inachtneming van de toepasselijke wettelijke bepalingen en het daarop gebaseerde beleid en er geen bijzondere omstandigheden zijn voorgedragen die noopten van dit beleid af te wijken is er geen reden voor herroeping van het weigeringsbesluit.

2.11 De rechtbank zal verweerder op grond van artikel 8:75, in samenhang met artikel 7:15, van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiser in bezwaar en beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.288,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand.

2.12 Voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, is geen plaats, aangezien het bezwaar tegen het primaire besluit alsnog ongegrond zal worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 22 januari 2008;

3.3 verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit alsnog ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 januari 2008;

3.4 bepaalt dat de gemeente Nieuwegein het door eiser betaalde griffiegeld ad € 143,- aan hem vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de gemeente Nieuwegein

Aldus vastgesteld door mr. E.P. de Beij en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2008.

De griffier: De rechter:

mr. J.K. van de Poel mr. E.P. de Beij

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te ‘s-Gravenhage.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.