Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG9124

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
257497/ KG ZA 08-1108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Auteurs-/persoonlijkheidsrechten met betrekking tot modellenboek; fictief en feitelijk makerschap;

gemeenschappelijk auteursrecht; recht op naamsvermelding; postcontractuele verhouding werkgever

en feitelijk maker; grensoverschrijdend bevel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 257497 / KG ZA 08-1108

Vonnis in kort geding van 24 december 2008

in de zaak van

1. [eiser sub1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. G.S.P. Vos,

procesadvocaat: mr. J.M. van Noort,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BERENSCHOT GROEP B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H. Struik.

Partijen zullen hierna eisers (dan wel individueel: [eiser sub1], [eiser sub2] en [eiser sub3]) en Berenschot genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van eisers

- de pleitnota van Berenschot.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser sub1] en [eiser sub2] zijn werkzaam geweest voor Berenschot als respectievelijk directielid en managing director. [eiser sub3] is niet werkzaam geweest voor Berenschot.

2.2. In het jaar 1999 heeft Berenschot ter gelegenheid van haar zestigjarig bestaan een (Nederlandstalig) boek uitgebracht waarin diverse managementmodellen zijn beschreven, genaamd “Het managementmodellenboek”. Dit modellenboek zal in het navolgende worden aangeduid als: de Editie 1999.

2.3. In het jaar 2003 is een Engelstalig boek verschenen met de naam “Key management models” waarin beschrijvingen van diverse managementmodellen zijn opgenomen. Op de omslag van het boek en op de eerste pagina’s daarvan zijn eisers als auteurs vermeld. Dit boek zal hierna worden aangeduid als: de Editie 2003.

De uitgeefovereenkomst met betrekking tot de Editie 2003 is gesloten tussen de uitgever (Pearson) en Berenschot.

2.4. Berenschot heeft recentelijk een Engelstalig managementmodellenboek doen drukken met de naam “Key management models” en de vermelding “2nd edition”. Het boek vermeldt [naam auteur 1], [naam auteur 2] en [naam auteur 3] als auteurs. Eisers zijn niet vermeld op de omslag of de eerste pagina’s van het boek. Zij worden op de hieronder weergegeven wijze genoemd in het voorwoord (“Preface”, die volgt op “About the authors” en “Publisher’s acknowledgements”):

“(…) I thank all our consultants who provided input for this Key Management Model edition and extend these feelings to the authors of the previous edition, [eiser sub3], [eiser sub2] and [eiser sub1].

(…)

The first edition of Key Management Models was published in 2003. At that time our highly respected colleague [eiser sub1], [eiser sub2] and [eiser sub3]) rose to the challenge of imposing some sense of order on the range of models available. (…)”

Dit boek zal in het navolgende worden aangeduid als: de Editie 2008.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen - zoals nader toegelicht ter zitting - het volgende:

primair:

- dat Berenschot bevolen wordt iedere inbreuk op de auteurs- en/of persoonlijkheidsrechten van eisers te staken en gestaakt te houden, waaronder in ieder geval het publiceren van de Editie 2008 of enige andere bewerking van de Editie 2003,

subsidiair:

- dat Berenschot bevolen wordt eisers te vermelden op de Editie 2008 op dezelfde wijze, dat wil zeggen op dezelfde plekken en in dezelfde lettergrootte als de wijze waarop zij op en in de Editie 2003 staan vermeld, en

- dat Berenschot bevolen wordt [eiser sub3] jaarlijks een vergoeding van 10% van de netto-omzet van de Editie 2003 te betalen voor het gebruik van zijn deel van de Editie 2003 in de Editie 2008 althans met [eiser sub3] te goeder trouw in onderhandeling te treden over een billijke vergoeding voor dit gebruik althans een vergoeding voor dit gebruik te betalen, nader op te maken bij staat,

primair en subsidiair:

- dat de voorzieningenrechter de termijn ex artikel 1019i Rv stelt op zes maanden vanaf de dag van betekening van het te wijzen vonnis,

- dat Berenschot veroordeeld wordt in de volledige kosten van deze procedure.

3.2. Berenschot voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voor de beoordeling van de door eisers ingestelde vorderingen zijn in het onderhavige geval de antwoorden op de volgende vragen van belang:

- wie is of zijn als makers aan te merken van de Editie 2003?

- is de Editie 2003 een auteursrechtelijk beschermd werk?

- is de Editie 2008 een verveelvoudiging van de Editie 2003?

- aan wie komen de persoonlijkheidsrechten toe met betrekking tot de Editie 2003?

- is er sprake van schending van deze persoonlijkheidsrechten door Berenschot?

- is een beroep van eisers op hun auteursrechten dan wel persoonlijkheidsrechten met betrekking tot de Editie 2003 jegens Berenschot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

- zijn de vorderingen op de in de dagvaarding geformuleerde wijze voor toewijzing vatbaar?

De voorzieningenrechter zal deze vragen in het navolgende behandelen.

Wie is of zijn als makers aan te merken van de Editie 2003?

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat Berenschot op grond van artikel 7 Auteurswet (fictief) maker is van de Editie 2003 voor zover het betreft de bijdragen van [eiser sub1] en [eiser sub2] aan de totstandkoming van de Editie 2003. Partijen verschillen wel van mening over het antwoord op de vraag of [eiser sub3] tevens als maker van de Editie 2003 moet worden beschouwd.

4.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser sub3] verklaard dat hij vanaf het begin bij het vervaardigen van de Editie 2003 betrokken is geweest. Hij heeft meegedacht over de opzet en de wijze van uitvoering van het boek, aangeleverde modellen van correcties voorzien en deze correcties besproken met [eiser sub1] en [eiser sub2]. Hij schat het daaraan bestede aantal uren op 100.

4.4. Berenschot heeft niets gesteld dat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van deze verklaring, zodat de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding van de juistheid daarvan uitgaat. De verklaring van [eiser sub3] duidt op een zodanige, auteursrechtelijk relevante bijdrage van [eiser sub3] aan de totstandkoming van de Editie 2003, dat

[eiser sub3] naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter eveneens (naast Berenschot) als maker van de Editie 2003 moet worden gekwalificeerd. Dit stemt overeen met de aanduiding van [eiser sub3] als zodanig in de Editie 2003, waarmee alle partijen kennelijk tot 2008 ook hebben ingestemd.

Uit de in deze verklaring geschetste gang van zaken volgt voorshands voorts dat sprake is van een onscheidbaarheid van de bijdrages van [eiser sub3] van die van [eiser sub1] en [eiser sub2], zodat sprake is van een gemeenschappelijk auteursrecht van Berenschot en [eiser sub3] in de zin van artikel 3:166 e.v. BW.

Is de Editie 2003 een auteursrechtelijk beschermd werk?

4.5. Berenschot heeft betwist dat de Editie 2003 een auteursrechtelijk beschermd werk is met de stelling dat dit boek is ontleend aan de Editie 1999.

4.6. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een auteursrechtelijk beschermd werk indien het werk een eigen, oorspronkelijke karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt. In zijn arrest van 30 mei 2008 (LJN: BC2153) heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat de eis dat het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, inhoudt dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk en dat de eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen, betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen, aldus de Hoge Raad.

4.7. In het onderhavige geval gaat het om modellenboeken, waarin diverse bestaande modellen op het gebied van management worden beschreven. Naar zijn aard zullen dergelijke modellenboeken veel op elkaar lijken. Desondanks zijn er diverse keuzes te maken in de vormgeving van de boeken, de keuze van de te beschrijven modellen en de wijze van beschrijving van de modellen om de modellenboeken een eigen oorspronkelijk karakter te geven en het stempel van de makers te doen dragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers in de Editie 2003 onder andere op deze terreinen zodanige andere keuzes gemaakt ten opzichte van de Editie 1999, dat de Editie 2003 voldoet aan de onder 4.6 vermelde minimumeisen van de Hoge Raad en dat dit boek derhalve als een auteursrechtelijk beschermd werk moet worden beschouwd. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het volgende:

- de Editie 2003 draagt een andere naam dan de Editie 1999 (“Key management models” tegenover “Het Managementmodellenboek”);

- de Editie 2003 heeft een soberder uitstraling door het gebruik van (enkel) zwart en wit, dan de Editie 1999 die gekleurde bladzijden bevat en speelser van opzet is (onder meer door het gebruik van kindertekeningen);

- de Editie 1999 is zowel blijkens de keuze van de modellen als de gebruikte taal gericht op de Nederlandse markt, terwijl Editie 2003 - blijkens het gebruik van de Engelse taal en met name modellen van buitenlandse origine - gericht is op de internationale markt;

- uit een vergelijking van de beschrijvingen van de modellen blijkt dat er sprake is van vele verschillen tussen de Editie 1999 en de Editie 2003 met betrekking tot de onderdelen van de beschrijving (“essentie”/”bruikbaarheid”/“kanttekening” tegenover “The big idea”/”When to use it”/”The final analysis”) en dat ook de inhoud van de beschrijvingen en gebruikte grafische voorstellingen op vele punten in aanmerkelijke mate van elkaar verschillen.

4.8. De conclusie van het voorgaande is dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat de Editie 2003 een auteursrechtelijk beschermd werk is, en niet is ontleend aan de Editie 1999.

Is de Editie 2008 een verveelvoudiging van de Editie 2003?

4.9. Naar vaste jurisprudentie dient in dit kader te worden beoordeeld of de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Editie 2003 herkenbaar zijn overgenomen in de Editie 2008. Een aanwijzing dat dit het geval is, vormt de aanduiding door Berenschot zelf van de Editie 2008 als “2nd edition” van de Editie 2003. Berenschot heeft ter zitting de, volgens haar stellingen inmiddels gedrukte, versie van de Editie 2008 niet overgelegd. Van de drukproeven van de Editie 2008 heeft zij slechts de inhoudsopgave, het voorwoord en de beschrijvingen van twee modellen overgelegd. Dit bemoeilijkt de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre auteursrechtelijk beschermde trekken van de Editie 2003 in de Editie 2008 zijn overgenomen. Deze bemoeilijking is te wijten aan Berenschot en komt mitsdien voor haar rekening en risico. Dit leidt er in casu toe dat de voorzieningenrechter zal uitgaan van een zodanige auteursrechtelijk relevante overeenstemming tussen de Editie 2003 en de Editie 2008 dat de Editie 2008, in auteursrechtelijke zin, aangemerkt moet worden als een verveelvoudiging van de Editie 2003.

Aan wie komen de persoonlijkheidsrechten toe met betrekking tot de Editie 2003?

4.10. Op grond van het voorgaande moet als uitgangspunt gelden dat het auteursrecht van [eiser sub3] met betrekking tot de Editie 2003 tevens omvat het recht om een beroep te doen op de persoonlijkheidsrechten van artikel 25 Auteurswet.

Tussen partijen is thans nog wel in geschil of [eiser sub1] en [eiser sub2] als feitelijke makers van de Editie 2003 zich kunnen beroepen op de persoonlijkheidsrechten van artikel 25 Auteurswet.

4.11. Vooropgesteld dient te worden dat het stelsel van de Auteurswet meebrengt dat de rechten die daarin zijn opgenomen, en in het bijzonder de rechten die zijn neergelegd in artikel 25, alleen toekomen aan degenen die door de Auteurswet als “maker” worden beschouwd. Vaststaat dat in het onderhavige geval Berenschot op grond van artikel 7 Auteurswet geldt als fictieve maker van de Editie 2003. Uit deze bepaling vloeit voort dat de feitelijk maker van een werk al vanaf het begin van het (in dienstbetrekking) vervaardigen daarvan door de Auteurswet niet als maker wordt beschouwd, maar dat de dienstbetrekking van de feitelijk maker meebrengt dat zijn plaats als maker vanaf het begin wordt ingenomen door de werkgever. Dit betekent dat de persoonlijkheidsrechten van artikel 25 Auteurswet niet toekomen aan [eiser sub1] en [eiser sub2] als de feitelijke makers, maar alleen aan Berenschot als fictieve maker.

4.12. De omstandigheid dat de wetgever niet met zoveel woorden heeft bepaald dat het persoonlijkheidsrecht ook aan de fictieve maker toekomt, rechtvaardigt niet de conclusie dat het persoonlijkheidsrecht aan de feitelijke maker toekomt. Immers, de wetgever hoefde dat ook niet uitdrukkelijk te bepalen, omdat dit uit het stelsel van de wet zelf voortvloeit, namelijk uit het feit dat de “maker” die aanspraak kan maken op de persoonlijkheidsrechten van artikel 25 Auteurswet de “maker” is in de zin van paragraaf 2 van Hoofdstuk I van de Auteurswet, waaronder de fictieve makers van de artikelen 7 en 8 van de Auteurswet.

4.13. De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat (zoals eisers hebben aangevoerd) de post-contractuele verhouding tussen [eiser sub1] en [eiser sub2] enerzijds en Berenschot anderzijds meebrengt dat Berenschot bij de uitoefening van haar auteursrechten met betrekking tot de Editie 2003 rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser sub1] en [eiser sub2], en in het bijzonder met de belangen die verband houden met de persoonlijke betrekking die bestaat tussen [eiser sub1] en [eiser sub2] en de Editie 2003. Naamsvermelding op het werk vormt de ultieme uiting van deze persoonlijke betrekking tussen de feitelijke maker en zijn werk, en vormt daarmee een gerechtvaardigd belang waarmee Berenschot rekening had behoren te houden. [eiser sub1] en [eiser sub2] kunnen derhalve in zoverre, en uitsluitend jegens hun ex-werkgever, Berenschot, wél aanspraak maken op honorering van hun persoonlijkheidsrechten met betrekking tot de Editie 2003.

Is sprake van schending van deze persoonlijkheidsrechten door Berenschot?

4.14. Vaststaat dat de namen van eisers prominent op de omslag van de Editie 2003 zijn vermeld alsmede op de derde, vierde en zevende pagina van het boek zelf. Uit de verklaringen van [eiser sub2] en [eiser sub3] ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de bemoeienis van eisers met de totstandkoming van de Editie 2003 ook voldoende inhoud heeft gehad om een persoonlijke band tussen hen en dit werk aanwezig te achten. Zoals in het voorgaande reeds is overwogen, moet de Editie 2008 als een verveelvoudiging van de Editie 2003 worden beschouwd. Dit brengt mee dat eisers niet behoeven te dulden dat hun namen in de Editie 2008 niet meer op vergelijkbare wijze als in de Editie 2003 zijn vermeld. Dit geldt temeer, nu voldoende aannemelijk is geworden dat bij boeken in de branche als de onderhavige gebruikelijk is dat bij bewerkingen van een boek de namen van de oorspronkelijke auteurs worden gehandhaafd en aangevuld met de auteurs die de bewerking hebben verricht. Berenschot had dan ook niet mogen volstaan met het vermelden van de namen van eisers in het voorwoord, maar had hen moeten vermelden op dezelfde wijze als op en in de Editie 2003. In zoverre is dan ook sprake van schending van de persoonlijkheidsrechten van eisers.

Is een beroep van eisers op hun auteursrechten dan wel persoonlijkheidsrechten met betrekking tot de Editie 2003 jegens Berenschot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

4.15. Berenschot heeft in dit kader aangevoerd, en ter zitting nog nader mondeling toegelicht, dat [eiser sub3] weliswaar niet gebonden is aan de door Berenschot met Pearson gesloten uitgeefovereenkomst, maar dat een beroep van [eiser sub3] op zijn auteursrecht met betrekking tot de Editie 2003 - in het licht van de door hem destijds verleende toestemming voor het sluiten van deze overeenkomst - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.16. Voor de beoordeling van deze stelling is van belang welke waarde Berenschot destijds aan de gestelde toestemming van [eiser sub3] heeft toegekend en heeft mogen toekennen. Ter zitting heeft [eiser sub3] verklaard dat hij destijds toestemming voor het sluiten van de uitgeefovereenkomst heeft verleend, omdat hij geen behoefte had aan het verkrijgen van royalties met betrekking tot de Editie 2003. De overeenkomst heeft hij om die reden ook niet onder ogen gehad.

4.17. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Berenschot uit de door deze verklaring geschetste gang van zaken omtrent de toestemming van [eiser sub3] kunnen en moeten afleiden dat [eiser sub3] met deze toestemming slechts heeft aangegeven af te zien van het uitoefenen van zijn auteursrechten met betrekking tot de publicatie van de Editie 2003. Niet gesteld of gebleken is dat in het kader van het verlenen van toestemming destijds met [eiser sub3] is besproken dat ook de publicatie van gewijzigde versies deel uit zou maken van de overeenkomst. Berenschot heeft uit de toestemming van [eiser sub3] dan ook niet kunnen en mogen afleiden dat [eiser sub3]daarmee ook afstand deed van enig beroep op zijn auteursrechten met betrekking tot elke toekomstige, auteursrechtelijk relevante handeling ten aanzien van de Editie 2003. De omstandigheid dat [eiser sub3] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst op dit punt in te zien, betekent niet dat om die reden de toestemming van [eiser sub3] anders zou moeten worden opgevat. Indien Berenschot had willen bereiken dat [eiser sub3] ook afstand zou doen van zijn auteursrechten met betrekking tot de publicatie van gewijzigde versies, had zij dat van hem moeten bedingen. Dat heeft zij echter nagelaten. Dit betekent dat de omstandigheid dat [eiser sub3] destijds toestemming heeft gegeven voor de publicatie van de Editie 2003 niet ertoe leidt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om zich thans op zijn auteursrecht te beroepen ten aanzien van de Editie 2008.

4.18. Ten aanzien van [eiser sub1] en [eiser sub2] heeft Berenschot aangevoerd dat hun beroep op persoonlijkheidsrechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aangezien [eiser sub1] de uitgeefovereenkomst in zijn hoedanigheid van bestuurder van Berenschot heeft gesloten, zich in deze overeenkomst heeft verbonden om van de feitelijke makers van de Editie 2003 een afstandsverklaring met betrekking tot de persoonlijkheidsrechten te verkrijgen, en heeft nagelaten daaraan uitvoering te geven.

4.19. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser sub1] de betreffende overeenkomst heeft gesloten in zijn hoedanigheid van bestuurder van Berenschot, en niet in zijn hoedanigheid van feitelijk maker van de Editie 2003. Een jegens Pearson bestaande verplichting tot afstand betreft dan ook geen verplichting van [eiser sub1], maar van Berenschot. Eventuele nalatigheid om te zorgen voor afstandsverklaringen is wellicht [eiser sub1] in zijn hoedanigheid van bestuurder te verwijten, maar dit betekent niet dat het in de weg staat aan een beroep van [eiser sub1] en [eiser sub2] jegens Berenschot als feitelijk makers op hun persoonlijkheidsrechten met betrekking tot de Editie 2003. Dit zou anders kunnen zijn, indien [eiser sub1] opzettelijk geen uitvoering zou hebben gegeven aan deze verplichting en [eiser sub2] dit zou hebben geweten, maar dat heeft Berenschot niet gesteld of aannemelijk gemaakt.

Zijn de vorderingen op de in de dagvaarding geformuleerde wijze voor toewijzing vatbaar?

4.20. Uit het voorgaande volgt dat [eiser sub3] een beroep toekomt op zijn auteursrecht met betrekking tot de Editie 2003, en dat Berenschot door het zonder toestemming van [eiser sub3] uitbrengen van de Editie 2008 in strijd met dit auteursrecht heeft gehandeld. In beginsel heeft [eiser sub3] dan ook het recht om staking van de publicatie van de Editie 2008 dan wel iedere andere bewerkte versie van de Editie 2003 te vorderen.

4.21. Ten aanzien van [eiser sub1] en [eiser sub2] geldt dat zij geen auteursrechten hebben met betrekking tot de Editie 2003, maar ‘slechts’ persoonlijkheidsrechten. Zij hebben niet (althans onvoldoende concreet) gesteld dat de inhoud van de Editie 2008 in strijd komt met hun persoonlijkheidsrechten met betrekking tot de Editie 2003, zodat zij geen aanspraak kunnen maken op staking van de verveelvoudiging van de Editie 2003 op dezelfde voet als [eiser sub3]. Zij hebben hun bezwaar tegen publicatie van een verveelvoudiging van de Editie 2003 uitsluitend gericht op het ontbreken van de vermelding van hun naam. De schending van de plicht tot naamsvermelding betekent dat [eiser sub1] en [eiser sub2] aanspraak kunnen maken op staking van de publicatie van de huidige Editie 2008 of een andere bewerking van de Editie 2003 zonder vermelding van hun namen op dezelfde wijze waarop deze heeft plaatsgevonden in de Editie 2003. Zij kunnen daaraan niet het recht ontlenen om zich tegen enige andere bewerking te verzetten. De vordering is dan ook in beginsel in zoverre toewijsbaar.

4.22. Een belangenafweging brengt hierin geen verandering. Ondanks het feit dat de namen van eisers duidelijk op de omslag van de Editie 2003 waren vermeld als auteurs, heeft Berenschot geen enkel contact met hen opgenomen omtrent hun belang bij de Editie 2008, noch het uitkomen daarvan aan eisers aangekondigd. Zij heeft de Editie 2008 geheel buiten eisers om tot stand gebracht en laten drukken. Ook nadat eisers hadden aangegeven bezwaar te hebben tegen het ontbreken van de naamsvermelding op de Editie 2008, heeft Berenschot de publicatie voortgezet. Ook indien, zoals Berenschot stelt, de Editie 2008 thans reeds gedrukt is, heeft Berenschot dat, en daarmee ook eventuele schade die zou ontstaan als de Editie 2008 niet kan worden verkocht, dan ook aan zichzelf te wijten, en betekent dit dus niet dat haar belang bij het voortzetten van publicatie opweegt tegen het belang van eisers bij honorering van hun auteurs- respectievelijk persoonlijkheidsrechten.

4.23. Ook het verweer van Berenschot dat zij geen zeggenschap meer heeft over de publicatie van de Editie 2008 (omdat dit berust bij de uitgever), en dat mitsdien de vordering tot staking van de publicatie niet kan worden toegewezen, wordt verworpen. Berenschot is de partij die de drukproeven van de Editie 2008 aan de uitgever ter beschikking heeft gesteld, en is partij bij de uitgeefovereenkomst met de uitgever. Op grond daarvan moet Berenschot in staat worden geacht voldoende invloed op de uitgever uit te kunnen oefenen om de publicatie van het boek tegen te houden. Daarbij komt dat blijkens de overgelegde producties de uitgever ook gevoelig blijkt te zijn voor gerezen onduidelijkheden of problemen met betrekking tot auteurs- en persoonlijkheidsrechten. Bovendien geldt dat indien Berenschot er niet in zou slagen om de uitgever tot staking van de publicatie te bewegen, dat voor haar rekening en risico komt, aangezien zij al vanaf juli 2008 wist van de bezwaren van eisers tegen de publicatie van de Editie 2008, en zij desondanks heeft besloten om het proces tot publicatie voort te zetten.

4.24. Voorts heeft Berenschot verzocht het bevel tot staking te beperken tot Nederlands grondgebied, aangezien in het onderhavige geval geen grensoverschrijdend bevel kan worden gegeven. Met deze stelling miskent Berenschot dat in casu geen sprake is van een buitenlandse veroordeelde partij, maar van een veroordeelde partij die in Nederland is gevestigd. Ten aanzien daarvan is naar vaste rechtspraak de voorzieningenrechter zonder beperking bevoegd maatregelen op te leggen die een grensoverschrijdend karakter hebben.

4.25. Het voorgaande betekent dat de primaire vordering ten aanzien van [eiser sub3] zal worden toegewezen in die zin dat de inbreuk op diens auteursrecht dient te worden gestaakt, waaronder de publicatie van de Editie 2008 alsmede elke andere bewerking van de Editie 2003.

4.26. Ten aanzien van [eiser sub1] en [eiser sub2] zal de primaire vordering in die zin worden toegewezen dat Berenschot bevolen wordt iedere inbreuk op hun persoonlijkheidsrechten te staken in die zin dat zij de publicatie staakt van de Editie 2008 dan wel iedere bewerking daarvan die geen vermelding bevat van hun namen op dezelfde plaatsen en op dezelfde lettergrootte als waarop deze namen in de Editie 2003 waren vermeld.

4.27. De termijn ingevolge artikel 1019i Rv zal worden bepaald op zes maanden na betekening van dit vonnis.

4.28. Berenschot zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Ter zitting hebben partijen meegedeeld dat zij hebben afgesproken over en weer hun vordering in verband met advocaatkosten te stellen op

EUR 15.000,--. Gelet op deze overeenstemming van partijen zal de voorzieningenrechter Berenschot dienovereenkomstig veroordelen in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt Berenschot iedere inbreuk te staken op het auteursrecht van [eiser sub3] met betrekking tot de Editie 2003, waaronder de publicatie van de Editie 2008 alsmede de publicatie van enige andere bewerking van de Editie 2003,

5.2. beveelt Berenschot iedere inbreuk te staken op de persoonlijkheidsrechten van [eiser sub1] en [eiser sub2] in die zin dat zij de publicatie staakt van de Editie 2008 dan wel enige andere bewerking daarvan waarin geen naamsvermelding van hen plaatsvindt op dezelfde plaatsen en op dezelfde lettergrootte als waarop hun namen in de Editie 2003 waren vermeld,

5.3. veroordeelt Berenschot in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 15.000,--,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. bepaalt dat eisers binnen zes maanden na heden de eis in de hoofdzaak dienen in te stellen,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.AE. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2008.

w.g. griffier w.g. rechter