Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG9031

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
SBR 08-812
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ7755, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996. Vervanging woonschip. Ontheffing voor het innemen van een ligplaats geweigerd, de hoogte past niet binnen het afmetingenbeleid van de provincie. Definitie goothoogte. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/812

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 22 december 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 januari 2008 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 18 april 2006 en 22 maart 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder de door eiser gevraagde ontheffingen als bedoeld in artikel 8 van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 (hierna: de Verordening) voor het innemen van een ligplaats met het woonschip "[naam woonschip]" en het hebben van de met de ligplaats verband houdende voorzieningen, geweigerd.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 4 december 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D. Haije, advocaat te Amsterdam. Namens verweerder zijn verschenen mr. D.E.M. Bergers en S. Tensen, beiden werkzaam bij de provincie Utrecht.

Overwegingen

2.1 Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft verweerder aan eiser ontheffing verleend van het verbod in artikel 2 van de destijds van kracht zijnde Woonschepenverordening provincie Utrecht 1978 voor het vervangen van zijn woonschip, gelegen in de rivier de Vecht aan de [adres] te [woonplaats], gemeente Loenen aan de Vecht, door een nieuw te bouwen woonschip. Aan de ontheffing is onder meer het voorschrift verbonden dat de maximale hoogte van de opbouw van het woonschip waarvoor ontheffing wordt verleend 3,50 meter boven de waterspiegel bedraagt.

2.2 Op 14 april 2003 is geconstateerd dat de hoogte van het woonschip van eiser 4,00 meter vanaf de waterspiegel bedraagt. Bij besluit van 7 februari 2005 heeft verweerder eiser aangeschreven deze overtreding vóór 1 juli 2005 ongedaan te maken, op verbeurte van een dwangsom indien daaraan niet tijdig wordt voldaan. Deze handhavingsprocedure is door verweerder aangehouden.

2.3 Op 18 mei 2005 heeft eiser een nieuwe ontheffingsaanvraag ingediend voor verbouwing/vervanging van het woonschip. De aanvraag betreft hetzelfde woonschip waarop de in 2001 verleende ontheffing betrekking heeft, echter met een hoogte van 3,75 meter boven de waterspiegel.

2.4 Bij besluit van 18 april 2006 heeft verweerder de gevraagde ontheffing geweigerd omdat een plat dak met een hoogte van 3,75 meter boven de waterspiegel, waarin de aanvraag voorziet, niet past binnen het afmetingenbeleid van de provincie. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.5 Op 16 november 2006 heeft eiser een nieuwe ontheffingsaanvraag ingediend voor verbouwing/vervanging van het woonschip, waarin het woonschip een mansarde dakvorm heeft met een nokhoogte van 4,00 meter boven de waterspiegel.

2.6 Bij besluit van 22 maart 2007 heeft verweerder ook deze ontheffing geweigerd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.7 Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 15 januari 2008, de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 18 april 2006 en 22 maart 2007 ongegrond verklaard.

2.8 De Verordening is op 18 oktober 2002 in werking getreden en was derhalve ten tijde van het bestreden besluit van toepassing.

Ingevolge artikel 1a van de Verordening wordt ontheffing krachtens deze verordening verleend, indien als gevolg van hetgeen daarbij wordt toegestaan natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad.

Ingevolge artikel 7c, eerste lid, van de Verordening is het de zakelijk gerechtigde tot en de bezitter, houder of gebruiker van een woonschip verboden dat woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren of te meren, of anderszins in een water te plaatsen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan van dit verbod onder nader genoemde voorwaarden ontheffing worden verleend.

2.9 Ingevolge artikel 7e, eerste lid, van de Verordening gelden bij een ontheffing, voor zover hier van belang, in elk geval de volgende voorschriften:

a. lengte, breedte en hoogte van het woonschip zijn respectievelijk ten hoogste 18 meter, 6 meter en 3,50 meter;

b. bij een puntdak, lessenaarsdak, gebogen dak, schilddak of splitlevel kan de nokhoogte ten hoogste 4 meter zijn, mits de goothoogte rondom ten hoogste 3,50 meter is.

Ingevolge het tweede lid worden de maten vastgesteld waar zij het grootst zijn. De hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen gedeputeerde staten in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid gestelde voorschriften.

2.10 De toelichting van artikel 7e, eerste lid, van de Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Om het schoenendoos karakter van veel woonschepen te doorbreken mag gebouwd worden tot een hoogte van maximaal 4,00 meter boven de waterlijn, mits is afgezien van een plat dak en de goothoogte rondom op maximaal 3,50 meter boven de waterlijn blijft liggen.(...) De maximale goothoogte is een maximum.".

2.11 Partijen zijn onder meer verdeeld over de vraag of artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening limitatief is bedoeld.

2.12 Zoals deze rechtbank in haar uitspraak van 9 augustus 2006 (procedurenummer SBR 06/515) heeft geoordeeld, welk oordeel is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in de uitspraak van 4 juli 2007 (www.rechtspraak.nl, LJN: BA8725), stelt artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorop dat de hoogte van een woonschip maximaal 3,50 meter is. Onderdeel b van dit artikellid nuanceert dit uitgangspunt - mede gelet op de toelichting op dit artikellid - door te bepalen dat de hoogte van een woonschip 4 meter mag bedragen, indien is afgezien van een plat dak en de goothoogte rondom maximaal 3,50 meter is.

Gelet op de gebruikte woordkeuze in de toelichting gaat de rechtbank er, anders dan verweerder, vanuit dat de opsomming van typen daken in artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening niet limitatief is bedoeld en slechts beoogt woonboten met een plat dak van de toepassing van dit artikel uit te sluiten.

2.13 Tussen partijen is voorts in geschil wat moet worden verstaan onder de term 'goothoogte', zoals bedoeld in de Verordening.

2.14 De term 'goothoogte' wordt in de Verordening niet nader toegelicht. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 9 augustus 2006, dient naar het oordeel van de rechtbank onder dit begrip naar normaal spraakgebruik te worden verstaan: de afstand vanaf de waterspiegel tot de snijlijn tussen het dakvlak en een verticaal gevelvlak. Dit oordeel is bevestigd in voormelde uitspraak van de ABRvS van 4 juli 2007, waarin is geoordeeld dat het uitgangspunt van artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening is dat rechte wanden aan weerszijden van een woonschip in de lengterichting niet hoger mogen zijn dan 3,50 meter. Eisers betoog dat deze uitspraak van de ABRvS in dit geval niet van toepassing is omdat het in die zaak ging om een zogenoemd lessenaarsdak, volgt de rechtbank niet, aangezien de ABRvS in algemene bewoordingen heeft aangegeven wat naar haar oordeel de strekking is van artikel

7e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening.

2.15 Niet is in geschil dat de aanvraag om ontheffing van 18 mei 2005 voor een woonschip met een plat dak en een hoogte van 3,75 meter niet voldoet aan de in artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening genoemde eisen. Nu in dit ontwerp sprake is van een plat dak, is naar het oordeel van de rechtbank - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - evenmin voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Verweerder heeft de gevraagde ontheffing dan ook terecht geweigerd.

2.16 Voorts is niet in geschil dat de aanvraag om ontheffing van 16 november 2006 voor een woonschip met een mansarde dakvorm niet voldoet aan de in artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening gestelde maximale hoogte, nu de nokhoogte 4,00 meter is. Gelet op de onder 2.14 gegeven definitie van het begrip 'goothoogte', stelt de rechtbank aan de hand van de bouwtekeningen vast dat de goothoogte van dit ontwerp is gelegen op een hoogte van 3,75 meter. Derhalve is evenmin voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Verweerder heeft ook deze ontheffing terecht geweigerd.

2.17 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn belangen niet heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 7e, vierde lid, van de Verordening. Eiser acht het niet in aanmerking nemen van zijn belangen in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.18 Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van 4 juli 2007 van de ABRvS (www.rechtspraak.nl, LJN: BA8713 en BA8707), op het standpunt gesteld dat bij de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 7e, vierde lid, van de Verordening uitgangspunt is dat de afwijking een aantoonbare meerwaarde voor de in de Verordening te beschermen belangen oplevert, of dat deze belangen door nieuwe ontwikkelingen niet meer ontoelaatbaar worden geschaad. In artikel 1a, eerste lid, van de Verordening zijn de belangen die de Verordening beoogt te beschermen neergelegd. De grote natuur- en landschapswaarden van het Vechtgebied waarin het woonschip ligt, en de ligplaats alsmede de positie van het woonschip hierin, zijn volgens verweerder reden om zeer strikt en consequent vast te houden aan de in de Verordening opgenomen maximale afmetingen. Een grotere hoogte dan 3.50 meter, zoals opgenomen in de (eerder verleende) ontheffing, wordt daarom niet toegestaan. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de afmetingen van het woonschip ook na de voorgestelde aanpassingen van de dakvorm een onaanvaardbare aantasting van de te beschermen waarden vormen. Het woonschip ligt in een rijtje van vijf woonschepen en steekt daar qua hoogte opvallend boven uit. Daarnaast heeft het woonschip geen bijzondere cultuurhistorische of archeologische waarde. Volgens verweerder kan niet gesteld worden dat het woonschip een aantoonbare meerwaarde voor de in de Verordening te beschermen belangen oplevert.

2.19 De toelichting van artikel 7e, vierde lid, van de Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Het artikel biedt de mogelijkheid in bijzondere gevallen af te wijken van de bij een ontheffing geldende voorschriften. In sommige situaties is maatwerk denkbaar of het inspelen op nieuwe ontwikkelingen gewenst. Het uitgangspunt is enerzijds dat de afwijking een aantoonbare meerwaarde voor de in de verordening te beschermen belangen oplevert of anderzijds dat deze belangen door de nieuwe ontwikkelingen niet meer toelaatbaar worden geschaad. Te denken valt aan een solitaire woonschepenligplaats omzoomd door camouflerende beplanting met afwijkende afmetingen, maar wel binnen de 108 m² vloeroppervlak of woonschepen met historische waarden met een afwijkende lengtemaat of afwijkende authentieke kleurstelling.".

2.20 Anders dan eiser heeft betoogd, volgt uit onder meer de uitspraak van 4 juli 2007 van de ABRvS (LJN: BA8713) dat de ABRvS van oordeel is dat bij de beantwoording van de vraag of zich een bijzonder geval voordoet in de zin van artikel

7e, vierde lid, van de Verordening, slechts de belangen worden betrokken die de Verordening beoogt te beschermen. In deze uitspraak overweegt de ABRvS onder meer dat in de toelichting op artikel 7e, vierde lid, van de Verordening niet uiteen is gezet, wat met de term "bijzondere gevallen" in deze bepaling wordt bedoeld. Of daarvan sprake is, moet volgens de toelichting worden beoordeeld aan de hand van het uitgangspunt dat afwijking een aantoonbare meerwaarde voor de in de Verordening te beschermen belangen oplevert, dan wel dat deze belangen door de nieuwe ontwikkelingen niet onaanvaardbaar worden geschaad. In artikel 1a, eerste lid, zijn de belangen die de Verordening beoogt te beschermen neergelegd. Gelet op die bepaling, gelezen in samenhang met de toelichting op artikel 7e, vierde lid, kunnen bij de beantwoording van de vraag of zich een bijzonder geval voordoet slechts die belangen worden betrokken, die de Verordening beoogt te beschermen.

2.21 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door eiser gestelde (financiële) gevolgen die de weigering om ontheffing te verlenen voor hem heeft (wat hiervan zij), dan ook terecht niet bij de beantwoording van de vraag of het gaat om een bijzonder geval als bedoeld in artikel 7e, vierde lid, van de Verordening, betrokken.

Eisers betoog dat het niet in aanmerking nemen van zijn persoonlijke belangen in strijd is met artikel 3:4 van de Awb, volgt de rechtbank niet. Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Awb weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Nu, zoals hiervoor is gebleken, in dit geval uit artikel 7e, vierde lid, van de Verordening een beperking voortvloeit, heeft verweerder de belangenafweging zoals bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb terecht beperkt tot die belangen die de Verordening beoogt te beschermen.

2.22 Gelet op de door verweerder gegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van de in artikel 7e, vierde lid, van de Verordening neergelegde mogelijkheid om af te wijken van de op grond van de Verordening geldende voorschriften.

2.23 Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel, zoals door eiser betoogd, is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiser in dit verband heeft verwezen naar toezeggingen die door de gemeente Loenen zijn gedaan, overweegt de rechtbank dat - wat daarvan zij - verweerder niet is gebonden aan toezeggingen van een ander bestuursorgaan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder heeft aangegeven dat hij een ander belang behartigt en een ander toetsingskader heeft dan de gemeente Loenen. In zoverre volgt de rechtbank ook niet de stelling van eiser dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de gemeente Loenen.

2.24 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2008.

De griffier: De rechter:

mr. K. de Waard mr. G.J. van Binsbergen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.