Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG6657

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
SBR 08-3458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Evenementenvergunning, vrees voor geluidsoverlast, evenementenbeleid Maarssen, geluidsnormen blijven binnen grenzen redelijke beleidsbepaling, vv afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/3458

1a

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2008

inzake

[verzoeker],

wonende te Maarssen,

verzoeker,

tegen

de burgemeester van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 30 oktober 2008, waarbij aan de Stichting Koninginnedag Maarssen (hierna: vergunninghoudster), een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van het evenement “Schaatsen op de Vecht”, op pontons, aan de oever bij en ter hoogte van Wilhelminaweg 1a, van maandag

8 december 2008 tot en met zondag 4 januari 2009. Dit evenement wordt voor betalende bezoekers gehouden op gewone weekdagen van 09.00 uur tot 21.00 uur en op zon- en feestdagen van 13.00 uur tot 21.00 uur.

1.2 Het verzoek is op 8 december 2008 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van de Laarschot en R.E.R. Harderwijk, beiden werkzaam bij de gemeente Maarssen, en M. Smits en L. Herveille, beiden adviseur geluid bij de Milieudienst Noord-West Utrecht.

Namens vergunninghouder is verschenen F.M.J.A. Eglem. Voorts is verschenen A. van den Hoek van rederij “De Tijd”, die het partyschip exploiteert gelegen naast de tijdelijke schaatsbaan.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Verzoeker heeft betoogd dat de besluitvorming dermate laat is geweest dat een beoordeling van de bezwaren pas plaats zal vinden na afloop van het evenement. Verzoeker acht dit onzorgvuldig. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hier in niet. Voor een bestuursorgaan zal het niet altijd haalbaar zijn om ruim voor het plaatsvinden van een evenement de bezwaarprocedure af te ronden. In dit geval is gebleken dat na de behandeling van het verzoek door de voorzieningenrechter ten aanzien van de reeds gemaakte bezwaren een hoorzitting in de bezwaarprocedure zal plaatsvinden, waar eiser zijn bezwaren nader kan toelichten. Verweerder is gehouden op het bezwaarschrift te beslissen. De omstandigheid dat deze besluitvorming langer op zich zal laten wachten dan gewenst, leidt niet tot de conclusie dat verzoeker in zijn belangen is geschaad. Verzoeker heeft immers tevens van de mogelijkheid gebruik gemaakt de voorzieningenrechter te vragen een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de bezwaarprocedure.

2.4 Verzoeker heeft betoogd dat verweerder ten onrechte niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd, zoals beschreven in bijlage 3 bij de Notitie evenementenbeleid gemeente Maarssen. Daarover heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat deze procedure slechts wordt gevolgd bij grote, luidruchtige festivals, zoals het Rockit Open Air Festival, waarbij veel geluidshinder te verwachten is. Het schaatsevenement heeft een gemiddeld geluidsniveau, waardoor het volgen van deze speciale procedure niet in de rede lag.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onderhavige evenement naar zijn aard niet met een dergelijk festival is te vergelijken. Gelet daarop heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien deze procedure van toepassing te achten op het onderhavige evenement.

2.5 Verzoeker heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat het evenement op genoemde locatie zal plaatsvinden. Verzoeker vreest dat een onevenredige mate van geluidsoverlast zal worden ondervonden, met name door de ruime geluidseisen die aan de vergunning zijn verbonden en de lange duur van het evenement. Verder heeft verzoeker gewezen op verkeers- en parkeeroverlast.

2.6 Ten aanzien van de verkeersaspecten heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat de genomen verkeersmaatregelen ten aanzien van de bereikbaarheid van de evenementenlocatie, de verkeersdoorstroming, verkeersveiligheid en het parkeren, geen betrekking hebben op de [adres]. Gelet hierop is verweerder van mening dat verzoeker, die woonachtig is aan de [adres], niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding het standpunt van verweerder voor onjuist te houden. Te meer niet nu verzoeker ook zelf ter zitting heeft erkend niet te verwachten dat hij verkeershinder in de straat zal ondervinden. Nu aannemelijk is dat verweerder verzoeker op dit punt niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn bezwaar, laat de voorzieningenrechter in het kader van dit verzoek een bespreking van deze aspecten achterwege.

2.7 Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Maarssen (verder: de APV) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d. de zedelijkheid of gezondheid.

2.8 Een evenementenvergunning kan slechts worden geweigerd op een van de in het tweede lid van artikel 2.2.2 van de APV genoemde gronden. Daarbij komt verweerder, zoals blijkt uit de formulering van het artikel, beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij de beoordeling van de belangenafweging die in dat kader heeft plaatsgevonden.

2.9 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder het bestreden besluit en de daaraan gekoppelde voorschriften met name heeft gebaseerd op de “Notitie evenementenbeleid gemeente Maarssen” van januari 2007 (verder: de Notitie). Deze notitie biedt een leidraad om de vergunningverlening van evenementen in goede banen te leiden. Met het evenementenbeleid worden drie doelen nagestreefd, te weten: een gezonde balans tussen het openstaan voor initiatieven en het waarborgen van woongenot, het stellen van duidelijke kaders en een snellere en efficiëntere afdoening van aanvragen en betere informatie aan aanvragers/belanghebbenden. In hoofdstuk 4 worden de evenementen in categorieën ingedeeld aan de hand van geluidsaspecten. Het onderhavige evenement is door verweerder aangemerkt als vallend in categorie C2. Deze categorie betreft evenementen die in openbare ruimte plaatsvinden, waarbij het gaat om grote markten, sportevenementen met geluid en kortstondige muziekevenementen. Voor deze categorie gelden de geluidsnormen:

- 70 dB (A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur;

- 65 dB (A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur:

(…).

Het gaat daarbij om een gemiddeld geluidniveau dat op de gevel van een woning wordt waargenomen.

2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid, zoals weergegeven in de Notitie, wat betreft de categorie-indeling en de vaststelling van het maximale geluidsniveau, blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat bij het opstellen van de Notitie de Nota “Evenementen met een luidruchtig karakter”, van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg, als uitgangspunt is gebruikt. De vraag of en wanneer de Notitie is vastgesteld acht de voorzieningenrechter minder van belang nu voldoende duidelijk is geworden dat verweerder de notitie als een vaste bestuurspraktijk hanteert.

2.11 Aan het onderhavige besluit is het voorschrift verbonden dat het maximale geluidsniveau van de op de schaatsbaan ten gehore gebrachte muziek van maandag tot en met zaterdag tussen 15.00 uur en 21.00 uur en op zon- en feestdagen tussen 17.00 uur en 21.00 uur maximaal 65 dB(A) mag bedragen.

2.12 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder onderhavig evenement heeft aangemerkt als categorie C2-evenement. Hoewel de tijdelijke schaatsbaan niet precies valt binnen de daarvan gegeven algemene omschrijving, evenmin overigens als onder de beschrijving van een andere categorie, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat deze karakterisering onjuist is. De voorzieningenrechter constateert dat de geluidsvoorschriften voor het onderhavige evenement strenger zijn dan de normen die de Notitie worden vermeld voor deze categorie evenementen. Zo is de tijdsduur waarin muziek gedurende de dag ten gehore mag worden gebracht bekort en geldt tot 19.00 uur een lagere geluidsnorm dan volgens de Notitie is toegestaan, te weten 65 dB (A) in plaats van 70 dB (A). Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht dat gelet op het type muziek dat gedraaid zal worden, namelijk lichte muziek bedoeld om extra sfeer en gezelligheid te creëren, weinig echte piekgeluiden zullen ontstaan. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. Nu de gevel van verzoekers woning op 75 meter van het evenement is gelegen, zodat aannemelijk is dat ter plaatse van zijn woning een lagere geluidwaarde zal worden bereikt dan ter plaatse van de gevel van de meest nabij gelegen woning op 25 meter, en voorts de meer nabij wonenden zich blijkens het verhandelde ter zitting met het evenement, zoals vergund, akkoord hebben verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het toegestane geluidsniveau als onacceptabel moet worden aangemerkt.

2.13 Met betrekking tot verzoekers bezwaar over geluidsoverlast van partyschip De Tijd overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De evenementenvergunning, waarin onder meer voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot openingstijden en geluid, is verleend aan de Stichting Koninginnedag Maarssen, in de persoon van F.M.J.A. Eglem. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vraag gerechtvaardigd of de in de vergunning opgenomen voorschriften met betrekking tot geluid ten aanzien van het partyschip wel zijn te handhaven. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding het besluit te schorsen aangezien verweerder deze lacune in het nemen besluit op bezwaar zal kunnen herstellen. Bovendien heeft de vertegenwoordiger van het partyschip, A. van den Hoek, ter zitting gesteld dat het schip is gekeurd door de scheepvaartinspectie en dat uit hoofde van die regelgeving het maximaal toegestane geluidsniveau 55 dB (A) bedraagt.

2.14 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op grond van de in artikel 2.2.2., tweede lid, van de APV genoemde belangen in redelijkheid de vergunning had moeten weigeren. Niet ontkend kan worden dat het vergunde evenement een zekere belasting vormt voor de omgeving, echter deze is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onaanvaardbaar.

2.15 De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Onder deze omstandigheden wordt evenmin aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op

9 december 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. V.N. Sluiter mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Raad van State staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.