Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG6627

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
16-602528-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereikt heeft gebracht door middel van braak (poging tot opblazen van een pinautomaat); Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen; Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en werkstraf van 80 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/602528-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. A.C.J. Nettenbreijers, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 november 2008, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: heeft gepoogd om geld uit een pinautomaat te stelen door deze pinautomaat middels een zelfgemaakte bom op te blazen;

Feit 1 subsidiair: de pinautomaat middels een zelfgemaakte bom heeft vernield;

Feit 2: samen met een ander of anderen een speeltoestel heeft vernield of beschadigd middels vuurwerk;

Feit 3: heeft geprobeerd door het inslaan van een ruit uit een auto iets te stelen

Feit 4: uit een andere auto goederen heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte betoogd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair tenlastegelegde, aangezien de door verdachte zelfgemaakte bom als een absoluut ondeugdelijk middel kan worden beschouwd om de pinautomaat op te blazen.

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 23 december 2007 te De Meern een zelfgemaakte (crofty)bom op een pinautomaat van de Postbank heeft geplakt en aangestoken met de bedoeling om geld uit de pinautomaat te kunnen wegnemen. Uit de aangifte namens de Postbank blijkt dat de pinautomaat ernstig beschadigd is en buiten gebruik is geraakt.

Het onder 4.2. genoemde – overigens niet onderbouwde- standpunt van de verdediging volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat, gezien de omvang van de schade aan de pinautomaat zoals deze blijkt uit de foto van de schade , niet ondenkbaar is dat door middel van de door verdachte gebruikte (crofty)bom hij bij het geld in de pinautomaat had kunnen komen.

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij op 29 december 2007 te De Meern met een groepje van 4 à 5 personen vuurwerk aan het afsteken was en hij op een gegeven moment vuurwerk, van een type door verdachte aangeduid met ‘vlinder’ in het gat van een paal van het speeltoestel heeft gestopt, naar zijn zeggen om te zien of de ‘vlinder’ in het gat paste, maar dat hij vervolgens het vuurwerk niet meer uit het gat kreeg. Toen één van de andere jongens de ‘vlinder’ aanstak, renden - volgens verdachte ter terechtzitting - de andere jongens en hij uit het groepje weg, waarna het speeltoestel door het vuurwerk vernield bleek te zijn. Van deze vernieling is aangifte gedaan namens de gemeente Utrecht.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte door zijn handelen samen met een ander of anderen het onder 2 tenlastegelegde heeft gepleegd.

De onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten acht de rechtbank eveneens bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de aangiften van

[aangever A] en [aangever B] .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. Primair

op 23 december 2007 te De Meern, gemeente Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een geld-/pinautomaat weg te nemen enig geldbedrag, toebehorende aan de Postbank en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van braak, inhoudende dat hij, verdachte, een zelfgemaakte (crofty)bom op die geld-/pinautomaat heeft geplaatst en vervolgens die (crofty)bom heeft aangestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

in de periode van 29 december 2007 tot en met 1 januari 2008 te De Meern, gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een klimtoestel/speeltoestel, toebehorende aan de gemeente Utrecht, heeft vernield, door toen aldaar tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), opzettelijk en wederrechtelijk een vlinder(bom), in een paaltje van dat klimtoestel/speeltoestel te plaatsen en de vlinder(bom) vervolgens aan te steken;

3.

op 21 januari 2008 te De Meern, gemeente Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

personenauto (merk Toyota, kenteken [kenteken]) weg te nemen (een) goed(eren)

en/of geld van zijn gading, toebehorende aan [aangever A], zich daarbij de toegang tot die personenauto heeft verschaft door middel van braak op een ruit van die auto, die ruit heeft ingeslagen en vervolgens het portier heeft geopend, het dashboardkastje en de auto heeft doorzocht,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op 21 januari 2008 te De Meern, gemeente Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit personenauto (merk Volkswagen, kenteken [kenteken]) heeft weggenomen een frontje van een autoradio (merk Pioneer) en een GPS-ontvanger (merk I.Trek), toebehorende aan [aangever B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak op een ruit van die auto.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte betoogd dat een werkstraf zoals gevorderd op zijn plaats is. Ten aanzien van de voorwaardelijke jeugddetentie heeft de raadsman opgemerkt dat de gevorderde drie maanden aan de hoge kant is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten. Door middel van vuurwerk heeft verdachte getracht een pinautomaat op te blazen met het doel geld weg te nemen en hij heeft met anderen een klim/-speeltoestel vernield. Door deze feiten is forse materiële schade veroorzaakt.

Ook heeft verdachte in twee auto’s ingebroken, waarbij hij uit één auto goederen heeft weggenomen. Dergelijke feiten hebben voor de slachtoffers tot gevolg gehad dat zij daardoor ergernis en ongemak hebben ondervonden. Bovendien is de schade vaak groter dan de waarde van de gestolen goederen. De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met het feit dat verdachte nog een blanco strafblad heeft en het gedrag van verdachte sedert het begaan van de feiten een redelijk positieve inzet te zien geeft.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij Gemeente Utrecht vordert een schadevergoeding van € 319,20 voor feit 2.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering de gemachtigde [gemachtigde] niet op de juiste wijze heeft aangewezen en dat, behalve de foto’s, de schriftelijke onderbouwing ontbreekt.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting onbesproken gelaten. Wel heeft de raadsman aangegeven dat verdachte reeds aan het sparen was om de ontstane schade te vergoeden.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de heer [gemachtigde] wel als gemachtigde van de benadeelde partij kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar de aangifte van de Gemeente Utrecht d.d. 11 februari 2008, welke eveneens door [gemachtigde] is gedaan en waartoe hij was gemachtigd.

Gelet op de stukken van het dossier is de rechtbank van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht de rechtbank verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is aangegeven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair: Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereikt heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2: Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 3: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 4: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht;

- draagt voornoemde instelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Gemeente Utrecht van

€ 319,20, terzake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de Gemeente Utrecht, € 319,20 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. E.F. Bueno en mr. P.J.G. Osta, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2008.