Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG6168

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
16/604221-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art 6 WVW 1994

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604221-07

Datum uitspraak: 3 september 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

Raadsman: mr. R.M. Maanicus.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 4 primair ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

Op 29 september 2006 omstreeks 19.45 uur vond een ongeval plaats op de kruising van de Randweg en de Plesmanstraat te Leusden. Hierbij waren betrokken een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, kleur groen, en een fiets, bestuurd door het slachtoffer mevrouw [slachtoffer]. Verdachte heeft verklaard dat hij daar toen als bestuurder van de Volkswagen Golf was en dat hij reed met de door hem bestuurde volkswagen Golf over de Randweg in de richting van Leusden. Verder heeft hij hierover verklaard:

op het moment dat hij de kruising naderde zag hij dat het verkeerslicht voor hem op oranje sprong. Omdat verdachte nog door het oranje licht wilde rijden heeft hij gas bijgegeven. Op de kruising heeft hij naar rechts heeft gekeken. Plots hoorde hij zijn broertje, die als passagier naast hem zat in de auto, zeggen: “Pas op”. Verdachte draaide zijn hoofd vervolgens naar voren en hoorde een harde knal. Hij zag dat een fiets over de auto schoof waarna hij direct de rem en de koppeling vol heeft ingetrapt.

Pas op het moment dat verdachte stilstond met de auto hoorde hij van zijn broertje dat hij een vrouw had aangereden. Verdachte heeft verklaard dat hij de vrouw op de fiets helemaal niet heeft zien aankomen. Verdachte heeft verklaard dat hij de rem pas heeft ingetrapt direct nadat hij de vrouw had geraakt of op het moment dat hij de vrouw op de fiets raakte.

De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat zij op 29 september 2006 omstreeks 18.45 uur met haar auto voor het rode licht stond te wachten op de Groene Zoom ter hoogte van de Randweg te Leusden. Zij zag dat het verkeerslicht voor haar richting groen werd. Op hetzelfde moment zag zij dat een groene auto over de Randweg uit de richting van de snelweg kwam gereden. Zij zag dat deze auto behoorlijk hard reed.

De getuige [getuige] zag dat vanuit de richting Plesmanstraat een fietser over het fietspad aan kwam fietsen. Deze fietser reed redelijk snel. Zij zag dat de fietser de kruising over wilde steken.

Toen [getuige] zag dat de fietser halverwege de kruising was, zag zij dat deze in de richting van de auto keek en zag [getuige] een schrikreactie op het gezicht van de fietser.

Getuige [getuige] zag dat de auto inmiddels met onverminderde vaart al ver de kruising was opgereden. Zij hoorde vervolgens het piepende geluid van blokkerende wielen omdat de auto hard remde. Getuige zag vervolgens dat de fietser tegen de voorzijde van de auto knalde en hoog door de lucht vloog.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 29 september 2006 de bestuurder is geweest van de groene Volkswagen Golf, met welke auto hij betrokken is geweest bij het ongeval waarbij mevrouw [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat hij op dat moment een ontzegging van de rijbevoegdheid had. Verdachte heeft eveneens toegegeven dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd door het tekenen van zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris met de naam van zijn broer [naam broer].

Tenslotte heeft verdachte verklaard dat hij een betalingsachterstand had bij de verzekeringsmaatschappij waar hij zijn auto verzekerd had.

Van het ongeval is een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse opgemaakt. Uit dit proces-verbaal komt naar voren dat verdachte ten tijde van het ongeval heeft gereden met een snelheid van minimaal 76 kilometer per uur en maximaal 78 kilometer per uur. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

In de verkeersongevalsanalyse wordt geconcludeerd dat indien de bestuurder van de auto maximaal 50 km per uur had gereden hij een aanrijding had kunnen voorkomen.

Uit een gesprek op 30 september 2006 met de zoon van het slachtoffer bleek dat het slachtoffer ernstig gewond op de intensive care van het UMC te Utrecht was opgenomen met onder andere gebroken ribben, een dwarsleasie, een verbrijzelde elleboog en een ingeklapte long.

Uit de verklaring van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris op 2 februari 2007 is gebleken dat zij op dat moment nog vijf dagen per week revalidatie kreeg. Het slachtoffer heeft na het ongeval in coma gelegen en is vijf weken slapende gehouden. Zij had gebroken ribben, een verschoven rugwervel, deels verlamde pols en het gedeelte boven de elleboog was verbrijzeld. De pols van het slachtoffer zal nooit meer helemaal goed komen, die blijft verlamd.

Uit een kopie van een extract-vonnis van het Gerechtshof te Amsterdam blijkt dat verdachte op 17 mei 2006 is veroordeeld tot onder meer een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden, welke uitspraak op 1 augustus 2006 aan verdachte in persoon is betekend.

Blijkens een schrijven van het ressortsparket Amsterdam d.d. 2 augustus 2006 is het rijbewijs van verdachte op die datum ontvangen en uit een schrijven van eerdergenoemd ressortsparket van 20 oktober 2006 blijkt dat de ontzegging liep tot en met 27 oktober 2006.

De bij het ongeval betrokken personenauto bleek volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer niet verzekerd te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden tengevolge waarvan het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank heeft hierbij overwogen dat verdachte heeft gereden met een snelheid die ruim 50% hoger was dan ter plaatse was toegestaan, te weten minimaal 76 kilometer per uur waar 50 kilometer per uur was toegestaan, dat hij op zijn minst door het voor hem oranje lichtuitstralende verkeerslicht heeft gereden, dat verdachte naar rechts heeft gekeken maar dat hij niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht bij het op- en overrijden van de kruising door ook naar links te kijken en zich ervan te vergewissen dat de weg voor hem vrij was.

Het oprijden van een kruising terwijl men door het oranje licht rijdt, vergt extra voorzichtigheid, omdat verkeer van andere kanten gelijktijdig danwel na zeer korte tijd de kruising mag oversteken. Verdachte heeft deze extra voorzichtigheid niet betracht.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Als bestuurder van een motorvoertuig (een personenauto) daarmede op een weg rijden, zonder dat er voor dat voertuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is afgesloten en in stand gehouden;

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 9, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij hij met de door hem bestuurde auto tegen een overstekende fietser is aangereden.

Hij is met de door hem bestuurde auto een kruising opgereden waarbij hij op zijn minst door het oranje licht gereden is met een snelheid van minimaal 76 kilometer per uur waar maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan. Verdachte heeft hierbij door niet naar links te kijken alvorens de kruising op te rijden een fietser over het hoofd gezien die op dat moment de kruising overstak. Tengevolge hiervan heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat van verdachte een grotere mate van oplettendheid kon en mocht worden verwacht in de verkeerssituatie ter plaatse.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat het slachtoffer ruim een jaar na het ongeval nog steeds de gevolgen daarvan ondervindt en is van oordeel dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op het moment van het ongeval heeft gereden in een auto die niet verzekerd was en hem bij rechtelijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd.

Voorts rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris zijn ware identiteit heeft verhuld, doordat hij zich valselijk heeft uitgegeven voor [naam broer], zijn broer, en met die naam ook zijn verklaringen heeft ondertekend.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 augustus 2008, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte bij vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 17 mei 2006 is veroordeeld ter zake van een tweetal verkeersovertredingen, te weten een snelheidsovertreding en rechts inhalen tot een geldboete van € 600,00 subsidiair 12 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

4 maanden, welke ontzegging eindigde op 27 oktober 2006.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest

onvoorwaardelijk;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd waarover het rijbewijs van verdachte ingehouden is geweest

en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit tot:

- een geldboete van € 320,00 subsidiair 6 dagen hechtenis

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een geldboete en een deels voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur eveneens passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De rechtbank heeft hierbij met name rekening gehouden met de omstandigheid dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van een langere duur dan de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds ingehouden is geweest zeer waarschijnlijk zou betekenen dat verdachte zijn baan als automonteur kwijt zal raken, waardoor verdachte nodeloos hard zou worden getroffen. De dreiging van een vrijheidsstraf en een langdurige ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gedurende een proeftijd van 2 jaar moeten verdachte ervan weerhouden zich in de toekomst nogmaals aan dergelijke feiten schuldig te maken.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Sinds de dag van het ongeval tot aan de uitspraak is bijna een periode van twee jaar gelegen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds vermelde wetsartikelen zijn de op te leggen straffen en maatregel voorts gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 57, 62, 225 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIER (4) MAANDEN ter zake van de onder 1 primair,

3 en 4 primair bewezenverklaarde feiten.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte ter zake van de onder 1 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van honderdzestig (160) uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van tachtig (80) dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt de verdachte voorts ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot betaling van een GELDBOETE van

€ 320,00 (driehonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf (12) maanden.

Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs C.E.M. Nootenboom-Lock, P. Bender en P.J.G. van Osta, bijgestaan door H.J. Nieboer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2008.