Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5958

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
222240 / HA ZA 06-2686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen schorsing procedure in vrijwaring door faillissement eiser in hoofdzaak, art. 27 Fw, art. 30 lid 2 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 222240 / HA ZA 06-2686

Vonnis in vrijwaring van 3 december 2008

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M-L. Israëls,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WELLS CLUB SOESTERBERG BV,

gevestigd te Soesterberg,

gedaagde,

advocaat mr. J. Witvoet.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser] en Wells Club genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 juli 2008;

- de akte van [eiser];

- de antwoordakte van Wells Club.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In haar tussenvonnis van 30 juli 2008 heeft de rechtbank in de hoofdzaak tussen [X] en [eiser] geoordeeld dat [eiser] niet geslaagd is in zijn bewijsopdracht, inhoudende dat hij als gevolmachtigde van Wells Club met [X] heeft gehandeld met als gevolg dat Wells Club als wederpartij van [X] dient te worden aangemerkt. Dit oordeel brengt met zich dat [eiser] gehouden is de facturen van [X] te betalen.

2.2. In voornoemd vonnis heeft de rechtbank [eiser] en Wells Club vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen die dat vonnis en de bewijslevering door [eiser] in de hoofdzaak hebben voor de rechtspositie van partijen in de vrijwaringszaak.

2.3. [eiser] stelt dat het oordeel van de rechtbank dat hij in de hoofdzaak niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, niet betekent dat Wells Club feitelijk geen volmacht aan hem heeft verleend. Ter onderbouwing van deze stelling voert [eiser] aan dat hij met Wells Club overeen is gekomen dat hij voor rekening van Wells Club overeenkomsten mocht aangaan en ook conform deze overeenkomst heeft gehandeld. Volgens [eiser] heeft [Y] hem medio januari 2005 mondeling volmacht verleend om alle rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot de verbouwing van het pand aan de Stemerdingweg 1 te Soest. [Y] is enig bestuurder van Wells Investment BV, welke onderneming op haar beurt in de periode van 15 december 2004 tot 27 januari 2006 enig bestuurder van Wells Club was, aldus [eiser]. In dit verband verwijst [eiser] naar uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.4. Voorts stelt [eiser] dat [Y] hem in mei 2005 vanuit België telefonisch specifiek volmacht heeft verleend om met [X] te contracteren. Deze volmacht heeft [Y] hem gegeven naar aanleiding van de offerte van [X], aldus [eiser]. Volgens [eiser] was [Y] op dat moment samen [Z] Beheer BV gezamenlijk bevoegd om Wells Club te vertegenwoordigen. Volgens [eiser] had hij geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van [Y] om Wells Club alleen te vertegenwoordigen met betrekking tot een relatief kleine beslissing in verhouding tot de gehele verbouwing.

2.5. Ter onderbouwing van zijn stellingen, verwijst [eiser] naar de in de hoofdzaak afgelegde verklaringen van [Y]. [Y] heeft verklaard:

“Daarna ben ik een tweede Wells Club te Soesterberg gestart. [eiser] is voor dat project aan de slag gegaan. We hebben geen overeenkomst betreffende de door hem te verrichten werkzaamheden opgesteld. In eerste instantie besprak ik de te verrichten werkzaamheden een op een met hem. Later kwam de heer [Z] erbij. Hij is met de oprichting van Wells Club B.V. ingestapt, dat wil zeggen hij is er aandeelhouder in geworden (…). Later heeft [Z] de coördinatie van de verbouwing van mij overgenomen. Hij was dagelijks op de werkvloer aanwezig en heeft de verbouwing aangestuurd.”

En:

“[eiser] heeft mij gevraagd of [X] werkzaamheden voor Wells Club kon verrichten. Ik weet niet meer precies wat we daarop hebben geantwoord, maar we zullen daar ongetwijfeld ‘ja’ op hebben gezegd. Zonder ons akkoord kon hij de offerte niet bevestigen. [eiser] kon akkoord geven uit onze naam om werkzaamheden te verrichten en tevens kon hij mededelen dat de facturen naar Wells Club moesten worden verzonden.”

Tevens verwijst [eiser] naar de verklaring van [Y], inhoudende:

“Er waren wel vergaderingen met de heer [Z], de heer [eiser] en mij. Soms waren er ook anderen aanwezig (…) [eiser] kon niet zelfstandig beslissen. Als directeur en bestuurder van Wells Club was het [Z] die de beslissingen kon nemen.”

En voorts:

“Wells Club moet voor de betaling aan [X] opdraaien, niet [eiser]. Blijkbaar hebben wij akkoord gegeven voor het verrichten van werkzaamheden voor [X] en Wells Club moet dat dus betalen.”

2.6. Subsidiair stelt [eiser] dat Wells Club ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat de werkzaamheden die [X] heeft verricht, niet aan hem ten goede zijn gekomen maar aan de onderneming die Wells Club ging exploiteren.

2.7. Primair voert Wells Club als verweer aan dat [X] op 15 april 2008 in staat van faillissement is verklaard, waarbij mr. J.J.J.A.M. van Emstede tot curator is benoemd. Nu zowel de procedure in de hoofdzaak als die in vrijwaring op grond van het tussenvonnis van 30 juli 2008 wordt voortgezet, behoort de onderhavige procedure volgens Wells Club ex artikel 27 tot en met artikel 29 jo. artikel 30 lid 2 Fw. te worden geschorst om de curator de gelegenheid te geven zich uit te laten over het al dan niet voortzetten van de procedure in de hoofdzaak. Wells Club heeft er belang bij te weten of de curator het geschil in de hoofdzaak overneemt, omdat die procedure van invloed is op de procedure in de vrijwaringszaak, aldus Wells Club.

2.8. Subsidiair voert Wells Club – samengevat – als verweer aan dat zij geen volmacht aan [eiser] heeft verleend om uit haar naam opdrachten aan [X] te geven. Hierbij verwijst Wells Club naar hetgeen zij in haar conclusie van antwoord heeft aangevoerd, waarbij Wells Club zich tevens beroept op de verklaringen die door [eiser] en [Y] in de hoofdzaak zijn afgelegd. In het bijzonder stelt Wells Club zich op het standpunt dat [Y] niet namens haar, maar namens Wells Club Bunnik BV dan wel Wells Investment heeft gehandeld. Laatstgenoemde ondernemingen behoren aan [Y] toe, aldus Wells Club.

2.9. Met haar verweer dat de procedure in vrijwaring dient te worden geschorst, bedoelt Wells Club kennelijk te zeggen dat de procedure in vrijwaring niet los kan worden gezien van de procedure in de hoofdzaak. De rechtbank passeert dit verweer, omdat zich hier niet de situatie voordoet dat alleen door beslissingen in beide zaken kan worden vastgesteld of en zo ja, wat Wells Club mogelijk aan [eiser] verschuldigd is. Nu het evenwel in de rede ligt dat het belang bij voortzetting van de procedure in vrijwaring komt te ontvallen als de curator op de voet van artikel 27 jo. artikel 30 lid 2 Fw. besluit de procedure in de hoofdzaak niet over te nemen, zal de rechtbank [eiser] om proceseconomische redenen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten of hij, net zoals Wells Club, de wens heeft de vrijwaringsprocedure te schorsen totdat duidelijkheid is verkregen of de curator de procedure in de hoofdzaak overneemt.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 december 2008 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is weergegeven onder r.o. 2.9,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.