Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5951

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
199227 / HA ZA 05-1637
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet terugkomen op eindbeslissing. Weging getuigenbewijs.

Geen bestuurdersaansprakelijkheid, nu bestuurder en de eisende partij er van uitgingen dat de vennootschap over fondsen zou gaan beschikkingen om de vordering van de eisende partij te voldoen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 199227 / HA ZA 05-1637

Vonnis van 3 december 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FIDIS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Lijnden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.H. de Jonge-Wiemans,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEERVAST B.V.,

gevestigd te Maarssen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. F. Kemp.

Partijen zullen hierna Fidis, Meervast en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidentele vonnis van 14 maart 2007;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 februari 2008;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 maart 2008;

- de conclusie na getuigenverhoor zijdens Fidis;

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor zijdens Meervast en [gedaagde 2];

- de akte rectificatie zijdens Meervast en [gedaagde 2];

- de akte uitlating producties zijdens Meervast en [gedaagde 2];

- de akte rectificatie zijdens Fidis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

Met betrekking tot het tussenvonnis van 16 augustus 2006

2.1. In hun conclusie na enquête stellen Meervast en [gedaagde 2] allereerst dat, gezien hetgeen is overwogen in de laatste zin van rechtsoverweging 4.2 van het tussenvonnis van 16 augustus 2006, de beslissing over hun verweer dat de overeenkomst van november 2004 nietig is, niet zonder voorbehoud is gegeven en daarom niet als eindbeslissing kan worden gezien.

2.2. De rechtbank volgt Meervast en [gedaagde 2] hierin niet. Voor zover Meervast en [gedaagde 2] menen dat een voorbehoud is te lezen in de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken van overige feiten of omstandigheden op grond waarvan de rechtbank zou moeten oordelen dat de overeenkomst nietig is, berust dat op een verkeerde lezing van het vonnis. Met de laatste zin van rechtsoverweging 4.2 heeft de rechtbank – nadat zij had geconstateerd dat hetgeen Meervast en [gedaagde 2] op dit punt ter onderbouwing van hun verweer hadden gesteld dat verweer niet kon dragen – slechts aangegeven dat er overigens geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die dat verweer wel zouden kunnen dragen. Daarin is geen voorbehoud te lezen, noch is daaruit af te leiden dat Meervast en [gedaagde 2] de gelegenheid zouden krijgen om dergelijke andere feiten of omstandigheden te stellen of te bewijzen.

2.3. Voor zover rechtsoverweging 4.2 van het tussenvonnis wel als eindbeslissing moet worden gekwalificeerd, menen Meervast en [gedaagde 2] dat de rechtbank niet aan die beslissing gebonden is omdat uit de getuigenverhoren nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken.

2.4. Er kan slechts dan worden geoordeeld dat sprake is van een evidente feitelijke misslag of een achteraf onjuist gebleken feitelijke grondslag die niet is toe te rekenen aan de belanghebbende partij als ten tijde van het wijzen van het vonnis de juiste feiten in de procedure naar voren waren gebracht. Die situatie is anders dan in de onderhavige zaak waarin – volgens Meervast en [gedaagde 2] – de juiste feiten pas nadien, in een getuigenverhoor, aan het licht zijn gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen sprake van is dat het tussenvonnis van 16 augustus 2006 is gegrond op een feitelijke/juridische misslag of een onjuiste feitelijke grondslag die niet is toe te rekenen aan Meervast/[gedaagde 2].

2.5. Naar de rechtbank begrijpt stellen Meervast en [gedaagde 2] voorts dat het onaanvaardbaar zou zijn om vast te houden aan de eerdere beslissing, nu inmiddels feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, waarover Fidis eerder onjuiste informatie heeft verschaft. De rechtbank verwerpt die stelling. Meervast en [gedaagde 2] hebben in het geheel niet onderbouwd op welke feiten of omstandigheden zij doelen. Zij hebben voorts ter onderbouwing van het beroep op nietigheid van de huurkoopovereenkomsten gesteld dat wil en verklaring niet hebben overeengestemd ten tijde van het aangaan daarvan. Dat is echter niet een standpunt dat zij pas na het horen van de getuigen hebben kunnen innemen.

2.6. Gezien het vorenstaande verwijst de rechtbank naar en blijft zij bij hetgeen zij in het tussenvonnis van 16 augustus 2006 zonder voorbehoud heeft overwogen. De rechtbank gaat voorbij aan de nadere beschouwingen die Meervast en [gedaagde 2] daaraan hebben gewijd in hun conclusie na enquête.

Met betrekking tot het opgedragen bewijs

2.7. De rechtbank heeft Meervast en [gedaagde 2] in het tussenvonnis van 16 augustus 2006 opgedragen te bewijzen dat Meervast alleen aan Fidis hoefde (door) te betalen hetgeen zij van de [bedrijf a] als betaling voor de back orders ontving. Meervast en [gedaagde 2] hebben in dit kader de heren [getuige 1] [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] als getuigen gehoord. Het verhoor van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] vond tevens plaats in het kader van het tegenverhoor zijdens Fidis.

2.8. [getuige 1] heeft verklaard dat er drie besprekingen hebben plaatsgevonden waarin afspraken zijn gemaakt over de levering van de (door klanten van [bedrijf a]) bestelde maar nog niet geleverde auto’s. Overeenkomstig de tijdens die besprekingen gemaakte afspraken tekende [gedaagde 2] namens [bedrijf a] voor iedere te leveren auto een financierings¬overeenkomst met Fidis. De auto’s werden echter niet aan [bedrijf b] maar aan [bedrijf a] afgeleverd. Die auto’s werden door de uiteindelijke kopers deels betaald door middel van een inruilauto. Die inruilauto’s moesten door [bedrijf a] binnen 90 dagen verkocht worden. De opbrengst van die inruilauto’s moest door [bedrijf a] aan [bedrijf b] worden afgedragen. [bedrijf a] zou die bedragen doorstorten aan Fidis. [getuige 3] verzekerde [getuige 1] dat [bedrijf b] bij de uitvoering van die constructie slechts een doorgeefluik zou zijn: [bedrijf b] zou geld ontvangen van [bedrijf a] en dat doorgeven aan Fidis. Er werd niets afgesproken over het geval dat [bedrijf a] een auto niet zou betalen aan [bedrijf b]. Dat onderwerp is ook niet aan de orde geweest in de drie gesprekken die partijen hebben gevoerd.

Op verzoek van [getuige 1] zijn de door [bedrijf b] en Fidis gesloten financierings-overeenkomsten vervangen door de overeenkomst van november 2004, waarbij Meervast partij was. De overeenkomst van november 2004 is opgesteld door Fidis. Daarin stond niet dat Meervast alleen aan Fidis hoefde te betalen als [bedrijf a] aan Meervast betaalde. Later is een addendum op de overeenkomst gemaakt waarin de betalingstermijn is uitgesteld. Dit had ermee te maken dat [bedrijf a] Meervast nog niet had betaald.

2.9. [getuige 2] heeft verklaard dat hij slechts aanwezig is geweest bij een klein deel van de derde bespreking die heeft plaatsgevonden over de beoogde constructie. Bij de afspraken over de overname van de overeenkomst van [bedrijf b] door Meervast is hij niet aanwezig geweest. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat Meervast weliswaar contractspartij was, maar dat Meervast slechts de gelden die zij ontving van [bedrijf a] hoefde door te storten aan Fidis. Volgens hem was het iedereen duidelijk dat de constructie was opgetuigd in het belang van Fiat en [bedrijf a].

2.10. [getuige 3] heeft verklaard dat de bewoordingen van de overeenkomst de gemaakte afspraken correct weergeven. Volgens hem is dan ook niet juist dat Meervast, terwijl dat niet is opgenomen in de tekst van de overeenkomst, slechts hoefde af te lossen aan Fidis als zij geld van [bedrijf a] had ontvangen. Meervast droeg volgens [getuige 3] de ondernemersrisico’s van de overeenkomst.

2.11. [getuige 4] heeft verklaard niet bij de totstandkoming van de overeenkomst van november 2004 betrokken te zijn geweest. Volgens hem was Meervast echter verantwoordelijk voor de terugbetaling van de in de overeenkomst genoemde bedragen.

2.12. Tenslotte heeft [getuige 5] verklaard niet betrokken te zijn geweest bij de totstandkoming van de afspraken tussen Fidis en [bedrijf b] en de inhoud van die afspraken ook niet te kennen.

2.13. Blijkens de verklaringen van diverse getuigen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 5]) hebben er drie besprekingen plaatsgevonden over de gekozen constructie. [getuige 3] spreekt over “verschillende besprekingen”. Uit de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] volgt dat de afspraken tussen partijen in deze besprekingen gemaakt.

2.14. [getuige 5] en [getuige 4] hebben verklaard niet bij de totstandkoming van de afspraken betrokken te zijn geweest. Hun verklaringen leveren dan ook geen bewijs op voor de stelling van Meervast en [gedaagde 2] dat Meervast slechts aan Fidis hoefde te betalen wat zij zelf ontvangen had van [bedrijf a].

[getuige 3] heeft verklaard dat de afspraken zijn gemaakt zoals ze ook in de overeenkomsten zijn neergelegd. Ook zijn verklaring levert derhalve geen bewijs op voor de stelling van Meervast en [gedaagde 2] dat Meervast /[bedrijf b] alleen aan Fidis hoefde te betalen hetgeen zij van [bedrijf a] ontving.

2.15. Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] komt naar voren dat erover gesproken is dat [bedrijf b] slechts “doorgeefluik” zou zijn. Niet in geschil is echter dat partijen voor ogen stond dat [bedrijf a] binnen enige maanden het volledige bedrag waarvoor [bedrijf b]/Meervast huurkoopovereenkomsten met Fidis sloot aan [bedrijf b]/Meervast zou hebben terugbetaald. Als het in de praktijk ook zo gelopen zou zijn, zouden [bedrijf b]/Meervast feitelijk ook niet meer dan een “doorgeefluik” geweest zijn. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat [bedrijf b] niet meer dan een doorgeefluik zou zijn, niet reeds volgt dat is afgesproken dat [bedrijf b]/Meervast uitsluitend aan Fidis hoefden te betalen als zij bedragen van [bedrijf a] ontvangen hadden. Nu zowel [getuige 1] als [getuige 2] bovendien verklaard hebben dat niet is gesproken over de vraag wat er zou gebeuren als [bedrijf a] niet aan [bedrijf b]/Meervast betaalde, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] geen bewijs opleveren voor de stelling dat [bedrijf b]/Meervast alleen aan Fidis hoefden door te betalen hetgeen zij van de [bedrijf a] als betaling voor de back orders ontvingen.

2.16. De rechtbank is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat Meervast en [gedaagde 2] niet zijn geslaagd in de opdracht te bewijzen dat Meervast alleen aan Fidis hoefde door te betalen hetgeen zij van de [bedrijf a] als betaling van de back orders ontving. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de afspraken, zoals die zijn opgenomen in de overeenkomst van november 2004, tussen partijen gelden.

2.17. Meervast en [gedaagde 2] hebben zich subsidiair op het standpunt gesteld dat Fidis misbruik maakt van haar contractuele bevoegdheid betaling te eisen. Ook dit verweer is gebaseerd op de veronderstelling dat partijen – in afwijking van hetgeen is opgenomen in de overeenkomst van november 2004 – zouden hebben afgesproken dat Meervast slechts aan Fidis] hoefde te betalen hetgeen zij van de [bedrijf a] als betaling van de back orders ontving. Zoals hiervoor is overwogen is dat echter niet komen vast te staan. De rechtbank verwerpt daarom ook het subsidiaire verweer van Meervast en [gedaagde 2].

De ontbinding van de huurkoopovereenkomsten/de overeenkomst van november 2004

2.18. Meervast en [gedaagde 2] hebben in hun conclusie na enquête verklaard de huurkoopovereenkomsten te ontbinden. Naar de rechtbank begrijpt leggen zij hieraan ten grondslag dat Fidis is tekortgeschoten in de nakoming van de huurkoopovereenkomsten omdat zij geen auto’s aan [bedrijf b] heeft geleverd. Meervast en [gedaagde 2] stellen zich daarom op het standpunt dat Fidis de bedragen die [bedrijf b] op grond van de huurkoopovereenkomsten aan haar heeft betaald, dient terug te betalen. Nu het te laat is om een reconventionele vordering in te stellen, zullen zij het betaalde bedrag in een andere procedure van Fidis terugvorderen.

2.19. Voor zover Meervast en [gedaagde 2] met hun stellingen betogen dat de vorderingen van Fidis in de onderhavige zaak vanwege deze ontbinding moet worden afgewezen, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] volgt dat de afspraak tussen partijen was dat de auto’s niet zouden worden geleverd aan [bedrijf b] maar aan [bedrijf a]. [bedrijf a] leverde deze auto’s vervolgens door aan de personen die de auto’s hadden besteld. Op die wijze is de overeenkomst tussen partijen ook ten uitvoer gelegd. Dat betekent dat Fidis (en/of [bedrijf a]) niet is tekort geschoten in de nakoming van deze overeenkomst door de auto’s niet aan [bedrijf b] te leveren.

2.20. Hieraan doet niet af dat de afspraken anders op papier zijn gezet in de 503 huurkoop-overeenkomsten die zijn afgesloten. Vast staat immers dat die huurkoop-overeenkomsten op dit punt geen correcte weergave vormen van de afspraken tussen partijen. Voor zover in de huurkoopovereenkomsten verbintenissen zijn vastgelegd waartoe partijen zich – naar inmiddels vaststaat – niet hebben verbonden, betekent het niet-naleven van die verbintenissen niet dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Hetgeen Meervast en [gedaagde 2] hebben aangevoerd levert dan ook geen grond op voor ontbinding van de huurkoopovereenkomsten.

2.21. Voorts blijkt uit de diverse getuigenverklaringen dat Fidis de koopprijs voor een auto aan Fiat betaalde nadat [bedrijf b] de daarop betrekking hebbende huurkoopovereenkomst had ondertekend. Uiteindelijk resteerde een vordering van Fidis op [bedrijf b]. Anders dan Meervast en [gedaagde 2] thans stellen konden Fidis, [bedrijf b] en Meervast met elkaar overeenkomen dat de schulden van [bedrijf b] aan Fidis werden overgenomen door Meervast. Dat [bedrijf a] de overeenkomst waarin dit is vastgelegd niet mede heeft ondertekend, brengt niet met zich dat deze afspraak nietig is of anderszins niet tot stand is gekomen, zoals Meervast en [gedaagde 2] nog hebben gesteld. De rechtbank verwerpt dan ook deze verweren van Meervast en [gedaagde 2].

De vorderingen op Meervast

2.22. Nu Meervast en [gedaagde 2] niet zijn geslaagd in het leveren van het bewijs dat Meervast het in de overeenkomst van november 2004 genoemde bedrag van EUR 5.704.140,00 slechts aan Fidis hoefde door te betalen nadat zij zelf betaling had ontvangen van [bedrijf a], betekent dit dat Meervast in beginsel gehouden is dit bedrag aan Fidis te betalen.

2.23. Fidis stelt ter onderbouwing van haar vordering dat de totale som van de bedragen die zijn vermeld in de 503 huurkoopovereenkomsten EUR 8.850.479,40 bedroeg. Hiervan heeft Fidis door middel van betalingen en verrekeningen een bedrag van EUR 2.882.098,35 van [bedrijf b] ontvangen. Ook dient een bedrag van EUR 201.298,45 te worden afgetrokken, omdat dat bedrag door Fidis in rekening-courant is verrekend met [bedrijf a]. In totaal resteert dan een bedrag van (EUR 8.850.479,40 – EUR 2.882.098,35 – EUR 201.298,45 =) EUR 5.767.082,60. Het in de overeenkomst van november 2004 opgenomen bedrag is echter EUR 62.942,60 lager. Fidis kan niet meer nagaan hoe dat verklaard kan worden, maar vordert – in het voordeel van Meervast en [gedaagde 2] – het in de overeenkomst van november 2004 genoemde bedrag van EUR 5.704.140,00.

2.24. Meervast en [gedaagde 2] stellen in hun akte van 24 september 2008 dat het door Fidis gevorderde bedrag te hoog is. Ook zij gaan er van uit dat de totale som van de bedragen die zijn vermeld in de ruim 500 huurkoopovereenkomsten EUR 8.850.479,40 bedroeg en dat daarvan EUR 2.882.098,35 door Fidis is ontvangen. Het bedrag van EUR 8.850.479,40 bestaat echter volgens Meervast en [gedaagde 2] voor een gedeelte (in totaal EUR 1.552.906,56) uit financieringen die zijn verstrekt door Fidis aan de kopers van de auto’s zodat dit bedrag ook van de vordering van Fidis dient te worden afgetrokken. Volgens Meervast en [gedaagde 2] kan de vordering van Fidis daarom niet meer bedragen dan (EUR 8.850.479,40 – EUR 2.882.098,35 – EUR 1.552.906,56 =) EUR 4.415.474,49.

2.25. Anders dan Meervast en [gedaagde 2] is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van EUR 1.552.906,56 niet op de vordering van Fidis in mindering gebracht dient te worden. Dit bedrag is afkomstig van de lijst met auto’s die Fidis heeft overgelegd als productie 3 bij de conclusie na enquête. Die lijst bevat een overzicht van de gevallen waarbij Fidis de uiteindelijke kopers (geheel of ten dele) het geld heeft verstrekt dat zij nodig hadden om [bedrijf a] te betalen bij de aflevering van hun auto. Dat die uiteindelijke kopers dat geld hebben geleend bij Fidis, staat los van de betalingsverplichtingen van [bedrijf b]/Meervast jegens Fidis. De kopers van de auto’s hadden dit geld immers net zo goed kunnen lenen van een andere bank. Dat zij dat geld hebben geleend bij Fidis, betekent derhalve nog niet dat Fidis hetzelfde bedrag twee keer zou ontvangen als Meervast Fidis betaalt en dat dit geld verrekend moet worden met de vordering van Fidis op Meervast. Om die reden is de stelling van Meervast en[gedaagde 2] dat het bedrag van EUR 1.552.906,56 van het bedrag van EUR 8.850.479,40 moet worden afgetrokken onjuist.

2.26. Uit de verschillende getuigenverklaringen blijkt dat [bedrijf a], Fidis en [bedrijf b]/Meervast hadden afgesproken dat [bedrijf a] de auto’s die werden ingeruild bij de koop van de 503 auto’s waarop de back orders betrekking hadden, diende te verkopen. De opbrengsten van deze tweedehands auto’s diende [bedrijf a] af te dragen aan Meervast. Fidis en Meervast gaan er beide van uit dat [bedrijf b]/Meervast (al dan niet door middel van verrekeningen) in totaal een bedrag van EUR 2.882.098,35 aan Fidis heeft afgedragen. De rechtbank gaat er van uit dat de op dat moment door [bedrijf a] aan [bedrijf b]/Meervast afgedragen en door [bedrijf b]/Meervast aan Fidis doorbetaalde opbrengsten voor de tweedehands auto’s in dit bedrag zijn inbegrepen.

In haar akte na comparitie stelt Meervast echter dat Fidis in het najaar van 2005 haar pandrecht heeft uitgeoefend op alle auto’s die zich op dat moment bij [bedrijf a] bevonden. Onder deze auto’s bevonden zich ook de tweedehands auto’s die betrekking hadden op de 503 back orders. De opbrengst van die auto’s had [bedrijf a] volgens de afspraken tussen partijen moeten afdragen aan Meervast. Fidis heeft de opbrengst van die auto’s echter volgens Meervast en [gedaagde 2] niet in mindering gebracht op haar vordering op Meervast, maar op haar vordering op [bedrijfab]. Fidis betwist dat. Zij voert aan dat zij de opbrengst van de verpande auto’s in mindering mocht brengen op haar eigen vordering op [bedrijf a], nu de voorzieningenrechter in Amsterdam haar hiertoe verlof had verleend.

2.27. De rechtbank is met Meervast en [gedaagde 2] van oordeel dat uit de afspraken tussen partijen voortvloeit dat de opbrengst van de inruilauto’s die verband houden met de 503 back orders in mindering zou komen op de vordering van Fidis op Meervast. Daarbij maakt het niet uit of [bedrijf a] de opbrengst van die auto’s betaalde aan Meervast en Meervast dat weer doorstortte aan Fidis, danwel dat Fidis deze opbrengst direct uit de verkoop van de auto’s ontving. De rechtbank is daarom van oordeel dat de eventuele opbrengsten van inruilauto’s die verband houden met de 503 back orders, in mindering moeten worden gebracht op de vordering van Fidis. Hieraan doet niet af dat Fidis een pandrecht op deze auto’s had en deze na verkregen verlof van de voorzieningenrechter zelf heeft verkocht. Dat verlof ziet uitsluitend op het uitwinnen van het vuistpand, en zegt niets over de vraag of Fidis, in haar rechtsbetrekking tot Meervast, de opbrengst in mindering moet brengen op haar vordering.

Om vast te kunnen stellen welk bedrag Fidis thans nog van Meervast te vorderen heeft, dient Fidis aan te geven welke tweedehands auto’s die zijn ingeruild in het kader van een van de 503 back orders, zij na het sluiten van de overeenkomst van november 2005 zelf heeft verkocht en wat deze auto’s hebben opgebracht. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol om Fidis in de gelegenheid te stellen zich hierover bij akte uit te laten. De akte van Fidis dient hiertoe beperkt te zijn.

De vorderingen op [gedaagde 2]

2.28. Fidis stelt dat [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de bedragen die Meervast aan haar dient te voldoen. Zij stelt in hiertoe dat [gedaagde 2] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van november 2004 wist, althans redelijkerwijs hoorde te begrijpen, dat Meervast haar verplichtingen uit deze overeenkomst niet zou kunnen nakomen. [gedaagde 2] betwist dat.

2.29. Wanprestatie van een rechtspersoon kan onder omstandigheden meebrengen dat de bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is ten aanzien van de benadeelde, indien hem te dier zake een persoonlijk verwijt treft. Dit kan zich in het licht van de omstandigheden van het geval onder meer voordoen indien de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst door de rechtspersoon wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet in staat zou zijn die overeenkomst na te komen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade. Om vast te stellen of hiervan sprake is moet hetgeen de bestuurder voorzag of kon voorzien tijdens het vervullen van zijn taak beoordeeld worden. De onbehoorlijke taakvervulling moet onmiskenbaar zijn en bij de vaststelling daarvan komt de ondernemer het voordeel van de twijfel toe. De bestuurder moet anders hebben gehandeld dan van redelijk handelend bestuurders – onder dezelfde omstandigheden – mag worden verwacht.

2.30. Voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde 2] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van november 2004 wist of behoorde te weten dat Meervast deze niet zou kunnen nakomen, is derhalve van belang waar [gedaagde 2] op dat moment van mocht uitgaan. [gedaagde 2] stelt dat hij er in november 2004 van uitging dat Meervast aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen omdat zij de (financiële) middelen daarvoor zou ontvangen van [bedrijf b]. De afspraak was immers dat [bedrijf a] de ingeruilde tweedehands auto’s ofwel binnen drie maanden zou verkopen aan particulieren, ofwel deze auto’s zou doorverkopen aan autohandelaren (“de handel”). Het geld dat [bedrijf a] voor die auto’s ontving, zou zij afdragen aan Meervast.

2.31. Uit de verschillende verklaringen van [getuige 3] leidt de rechtbank af dat ook Fidis er in die periode van uitging dat Meervast op deze wijze over de financiële middelen zou gaan beschikken om Fidis te betalen. [getuige 3] heeft immers in zijn e-mail van 2 december 2004 geschreven:

“Please see attached file regarding the payment schedule for the JDP Holding loan. I would kindly ask you to pay attention to the first due date being 28th December 2004 for the interest payment. I trust you are putting pressure on [bedrijf a] to liquidate the stock in order to satisfy the payment schedule.

Keep me informed if there is anything I can do.”

Tijdens het getuigenverhoor heeft [getuige 3] hierover onder meer verklaard:

“U toont mij mijn e-mail aan de heer [gedaagde 2] van 2 december 2004 (productie 7 bij de producties zijdens Meervast ten behoeve van de comparitie van 13 december 2005). U houdt mij voor dat ik in die e-mail onder andere schrijf ‘I trust you are putting pressure on [bedrijf a] to liquidate the stock in order to satisfy the payment schedule’. Dat is een belangrijk punt. (…) Meervast was verantwoordelijk voor de terugbetaling door [bedrijf a] aan Meervast. Daarvoor was het nodig dat ingeruilde auto’s werden verkocht. De opbrengsten daarvan moest [bedrijf a] aan Meervast betalen. Als [bedrijf a] dat niet deed, moest Meervast toch haar betalingsverplichtingen jegens Fidis nakomen. Het risico lag dus bij Meervast. In de ‘drive now pay later’-overeenkomsten was een periode van drie maanden opgenomen waarin alleen rente hoefde te worden betaald. In die periode kon [bedrijf a] de ingeruilde auto’s doorverkopen, ofwel aan particulieren, ofwel aan de handel. Als [bedrijf a] de ingeruilde auto’s niet verkocht, ontstond geen cashflow tussen [bedrijf a] en Meervast. Dit leidde tot problemen. Vanwege deze problemen herinnerde ik [gedaagde 2] in mijn e-mail eraan dat de ingeruilde auto’s wel verkocht moesten worden. U vraagt mij of dit niet alleen het probleem van Meervast was, en niet van Fidis. Dat is juist. Ik bemoeide me er echter toch mee omdat ik wilde dat de lening werd terugbetaald.”

Voorts is in [getuige 3]’s schriftelijke verklaring van 9 november 2005 hierover opgenomen:

“The facility that was set up allowed [bedrijf a] to deliver the new cars by having a three month buy now pay later scheme for the trade in. This would give [getuige 5] three months to pay the balance into the [bedrijf b] [bedrijf a] account either by selling the trade in as a retail car to the public through [bedrijf a] dealerships or by selling the trade in to a trader in used cars. Either way all delivered cars would have been paid back in full to Fidis Nederland because [getuige 5] and [getuige 2] would have controlled both ends of the process to reconcile the cash deposit from the customer and the monies raised from the sale of the part exchange.”

2.32. [getuige 1] heeft hierover in het getuigenverhoor verklaard:

“Een deel van de koopprijs van de auto’s werd door de uiteindelijke kopers betaald door middel van een inruilauto. [bedrijf a] moest deze inruilauto’s binnen negentig dagen verkopen en het geld aan [bedrijf b] betalen. Ook die bedragen zouden we doorstorten aan Fidis.”

2.33. [gedaagde 2] heeft zelf verklaard:

“De klant betaalde zijn auto, in de meeste gevallen gedeeltelijk door een andere auto in te ruilen. Deze inruilauto’s zou [bedrijf a] binnen drie maanden verkopen. De opbrengst zou aan ons worden overgemaakt, en wij maakten dat bedrag over aan Fidis. Het deel van de verkoopprijs dat de klant had betaald in geld werd ook aan ons overgemaakt door [bedrijf a]. Ook dat bedrag betaalden wij door aan Fidis. Als een inruilauto niet binnen drie maanden werd verkocht, werd deze doorgestoten naar de handel. Een inruilauto bracht dan wel minder op. [bedrijf a] moest desondanks binnen drie maanden het volledige verschuldigde bedrag aan ons betalen.”

2.34. Uit deze verklaringen volgt dat beide partijen er ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van november 2004 vanuit gingen dat Meervast haar schuld niet uit eigen middelen aan Fidis zou voldoen, maar dat de middelen hiervoor door [bedrijf a] aan Meervast zouden worden betaald, nadat [bedrijf a] de ingeruilde auto’s had verkocht. Zoals uit de verklaring van [getuige 3] van 9 november 2005 blijkt, ging (ook) Fidis er daarbij van uit dat de opbrengst van de tweedehands auto’s hiervoor voldoende moest zijn. Gezien deze omstandigheden is het enkele feit dat Meervast zelf over onvoldoende financiële middelen beschikte om haar verplichtingen uit de overeenkomst van november 2004 na te kunnen komen, onvoldoende om te kunnen concluderen dat [gedaagde 2] moest begrijpen dat Meervast haar verplichtingen jegens Fidis niet zou kunnen nakomen. Voor zover Fidis heeft willen betogen dat [gedaagde 2] op dat moment had moeten begrijpen dat [bedrijf a] niet aan haar betalingsverplichtingen zou voldoen, verwerpt de rechtbank dat betoog. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom [gedaagde 2] dat op dat moment had moeten begrijpen, terwijl uit de verklaringen van [getuige 3] blijkt dat Fidis – nota bene de financier van [bedrijf a] – er zelf ook van uit ging dat [bedrijf a] de opbrengsten van de tweedehands auto’s aan Meervast zou afdragen. Het feit dat Meervast – zoals hiervoor reeds is geoordeeld – ook gehouden was Fidis te betalen als [bedrijf a] Meervast niet betaalde, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank zal de vorderingen van Fidis op [gedaagde 2] daarom afwijzen.

In reconventie

2.35. Meervast vordert in reconventie opheffing van de onder ABN AMRO bank ten laste van haar gelegde beslagen. Deze vordering heeft Meervast in de akte na comparitie ingetrokken onder de voorwaarde dat zij terecht aanneemt dat Fidis het beslag als ingetrokken of vervallen beschouwt. Fidis heeft hierover gesteld dat het beslag geen doel heeft getroffen. ABN AMRO heeft Fidis daarom medegedeeld de kwestie als afgehandeld te beschouwen, hetgeen deurwaarderskantoor Groot en Evers op 9 augustus 2005 heeft medegedeeld aan Meervast. De rechtbank begrijpt hieruit dat Fidis het beslag als vervallen beschouwt en de reconventionele vordering van Meervast daarom is ingetrokken.

2.36. Ook [gedaagde 2] vordert in reconventie opheffing van de beslagen die ten laste van hem zijn gelegd onder ABN AMRO bank, op zijn inboedel en op zijn woonhuis. Voorts vordert hij vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de gelegde beslagen. De hoogte van die schade dient nader te worden opgemaakt bij staat.

2.37. Voor het beslag ten laste van [gedaagde 2] onder ABN AMRO bank geldt hetzelfde als hiervoor onder ?2.35 is overwogen. De rechtbank beschouwt die vordering dan ook als ingetrokken. De vordering tot opheffing van het beslag op zijn inboedel heeft [gedaagde 2] in zijn akte na comparitie ingetrokken. Dat betekent dat [gedaagde 2] alleen nog opheffing van het beslag op zijn huis en vergoeding van de als gevolg van de gelegde beslagen geleden schade vordert.

2.38. Nu de rechtbank in conventie heeft overwogen dat de vorderingen van Fidis ten aanzien van [gedaagde 2] zullen worden afgewezen, is de vordering tot opheffing van het beslag op het woonhuis van [gedaagde 2] toewijsbaar. Nu de beslagen ten laste van [gedaagde 2] ten onrechte zijn gelegd, zal ook de vordering tot vergoeding van de schade, die [gedaagde 2] als gevolg hiervan heeft geleden, in het eindvonnis worden toegewezen.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 januari 2009 voor het nemen van een akte door Fidis over hetgeen is vermeld onder 2.27,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.