Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5383

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-11-2008
Datum publicatie
27-11-2008
Zaaknummer
213059 / HA ZA 06-1304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Hoogte uitgekeerd dividend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

213059 / HA ZA 06-130419 november 2008

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 213059 / HA ZA 06-1304

Vonnis van 19 november 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEFAM FINANCIERINGEN B.V.,

gevestigd te Bunnik,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FORTIS BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Eisers zullen hierna [eiser c.s.] en gedaagden gezamenlijk Defam/FB(N) of afzonderlijk Defam en FB(N) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 26 maart 2008;

• de akte na tussenvonnis aan de zijde van [eiser c.s.], met producties;

• de antwoordakte na tussenvonnis aan de zijde van Defam.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Bij voormeld tussenvonnis, dat als uitgangspunt dient bij de verdere beoordeling, heeft de rechtbank, onder meer, geoordeeld dat Defam de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden voor zover het de effectenleaseovereenkomst betreft. Daarmee heeft Defam onrechtmatig gehandeld jegens [eiser c.s.] en is zij in beginsel schadeplichtig. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van schending van de zorgplicht van Defam voor zover deze ziet op het sluiten van de kredietovereenkomst.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van schending van de zorgplicht door FB(N) en daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor door [eiser c.s.] geleden schade. De vordering ten aanzien van FB(N) is derhalve niet toewijsbaar.

2.2. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de schade die [eiser c.s.] als gevolg van de zorgplichtschending lijden, bestaat uit de restschuld en de door [eiser c.s.] betaalde rentetermijnen. Op het hiermee gemoeide bedrag strekken vervolgens in mindering de door [eiser c.s.] ontvangen dividenden. Wegens eigen schuld aan de zijde van [eiser c.s.] dient Defam 80% van het alsdan resterende bedrag te dragen. De rechtbank heeft [eiser c.s.] in de gelegenheid gesteld hier bij akte opgave van te doen en Defam de mogelijkheid geboden hier bij akte op te reageren.

2.3. [eiser c.s.] hebben bij akte betoogd dat een bedrag van € 425,48 bruto aan dividenden is uitgekeerd en dat geen fiscale voordelen zijn genoten. Defam heeft hierop bij antwoordakte gereageerd.

2.4. Defam heeft, met betrekking tot de hoogte van de ontvangen dividenden, het volgende aangevoerd:

- [eiser c.s.] hebben over 2001 tot en met 2005 totaal € 3.259,32 bruto aan dividend ontvangen (over 2001 € 710,45, over 2002 € 691,28, over 2003 € 660,61, over 2004 € 547,55 en over 2005 € 671,43);

- [eiser c.s.] hebben op het bedrag van de kredietovereenkomst op 15 maart 2001 een extra aflossing van € 7.000,- gedaan, zodat het uitstaande krediet, na de eerdere vermindering met voornoemd bedrag, per 31 april 2008 € 30.260,04 bedraagt;

- [eiser c.s.] kunnen, gelet op de ingangsdatum van de overeenkomst, 21 februari 2001, geen fiscaal voordeel hebben genoten.

Tot slot heeft Defam verzocht een veroordeling van Defam niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, teneinde te voorkomen dat zij voor een beslissing in hoger beroep enig bedrag aan [eiser c.s.] zal dienen te betalen en derhalve een restitutierisico loopt.

2.5. De rechtbank overweegt als eerste dat, nu Defam in haar akte tevens heeft betoogd dat zij, kort gezegd, niet dan wel slechts gedeeltelijk aansprakelijk is voor de door [eiser c.s.] geleden schade en heeft verzocht om heroverweging van in het tussenvonnis genomen beslissingen, in dat tussenvonnis op deze punten reeds een bindende eindbeslissing is genomen. In hetgeen Defam heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding hierop terug te komen. Anders dan Defam is de rechtbank van oordeel dat behalve de restschuld ook de door [eiser c.s.] betaalde rente als schade aangemerkt kan worden.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in de meer recente arresten van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484) en, door Defam aangehaald, van het Hof Amsterdam van 17 april 2008 (LJN BC 9788), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals in het tussenvonnis van 26 maart 2008 is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geld zelf, of aan een ander doel, te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Defam aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat zowel de restschuld als de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Defam verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

2.6. De rechtbank is voorts van oordeel dat het in beginsel op de weg van [eiser c.s.]. ligt om de schade waarvan zij vergoeding verlangen deugdelijk te onderbouwen. [eiser c.s.] hebben enkel volstaan met het overleggen van stukken die betrekking hebben op 2005. Deze opgave is, mede gelet op de door Defam bij conclusie van antwoord al in het geding gebrachte stukken - die zien op een langere periode en die meer verstrekkers van dividend noemen - niet compleet. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door Defam genoemde bedragen, voor zover deze met stukken zijn onderbouwd.

Uit door Defam overgelegde stukken blijkt dat zij zowel (gewone) dividenden als stockdividenden in haar berekening heeft betrokken. De rechtbank zal enkel de dividenden bij haar beoordeling betrekken nu bij stockdividend geen sprake is van een uitkering in geld, maar van een uitkering in aandelen. Daarmee komt het totaalbedrag van aan [eiser c.s.] uitgekeerde dividenden op € 1.552,72 bruto.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij de berekening van de schade geen rekening hoeft te worden gehouden met door [eiser c.s.] genoten fiscaal voordeel.

2.7. Op het totaalbedrag van de door [eiser c.s.] betaalde rentetermijnen (€ 9.865,04) en de restschuld

(€ 5.103,52) strekt het genoten dividend in mindering, zodat de geleden schade aldus bedraagt (€ 14.968,56 - € 1.552,72 =)

€ 13.415,84.

2.8. Ingevolge hetgeen in het tussenvonnis is overwogen is Defam voor 80% van de schade aansprakelijk, derhalve voor een bedrag van (80% van € 13.415,84 =) € 10.732,67. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen over steeds 80% van de maandelijks door [eiser c.s.] uit hoofde van de overeenkomst aan Defam betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze betaling tot de dag van volledige betaling.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding de hierna uit te spreken veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zoals door Defam verzocht. Defam heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aangenomen moet worden dat zij een restitutierisico loopt. Voorts is niet gebleken dat haar belangen bij het niet uitvoerbaar verklaren van deze veroordeling zodanig zijn dat dit belang, bij een belangenafweging, zou dienen te prevaleren boven het belang van [eiser c.s.] bij uitbetaling van het bedrag van hun schade.

2.10. Defam zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser c.s.]. op basis van het toegewezen bedrag op:

- in debet gestelde kosten van dagvaarding € 84,87

- in debet gesteld vast recht € 124,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.338,87

Daarmee geeft de rechtbank toepassing aan het bepaalde in artikel 243 Rv.

in reconventie

2.11. In haar tussenvonnis van 26 maart 2008, dat als uitgangspunt dient bij de verdere beoordeling, heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vordering tot betaling van het openstaande bedrag van de kredietovereenkomst, inclusief de contractuele rente daarover, toewijsbaar is. Uit de stukken die Defam bij akte na tussenvonnis nog heeft overgelegd volgt dat de tussentijdse betaling door [eiser c.s.] van € 7.000,-, op 15 maart 2001, destijds op de kredietsom in mindering is gebracht.

2.12. Nu de rechtbank in conventie heeft overwogen dat 80% van de restschuld voor rekening van Defam dient te komen, komt de resterende 20% hiervan voor rekening van [eiser c.s.]. Dit betekent dat de vordering tot betaling van de restschuld zal worden toegewezen tot een bedrag van (20% van € 5.103,52 =) € 1.020,70.

De gevorderde vertragingsvergoeding is toewijsbaar vanaf het moment waarop de in de brief van 21 maart 2006, waarin om betaling van de restschuld werd verzocht, genoemde termijn van 14 dagen is verlopen, derhalve vanaf 5 april 2006.

2.13. [eiser c.s.]. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Defam op basis van het toegewezen bedrag op:

- salaris advocaat € 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00

_

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt Defam om aan [eiser c.s.] te betalen een bedrag van € 10.732,67 (tienduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en zevenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over 80% van de maandelijks door [eiser c.s.] uit hoofde van de overeenkomst aan Defam betaalde bedragen, telkens vanaf de datum van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt Defam tot het afmelden bij het BKR te Tiel van het daar geregistreerde bedrag voor zover dat hoger is dan het in reconventie toe te wijzen bedrag,

3.3. veroordeelt Defam in de proceskosten, aan de zijde van [eiser c.s.] tot op heden begroot op € 1.338,87, te voldoen aan de griffier,

3.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6. veroordeelt [eiser c.s.] om aan Defam, uit hoofde van het Doorlopend Krediet, te betalen een bedrag van € 24.476,79 (vierentwintigduizend vierhonderdzesenzeventig euro en negenenzeventig eurocent), vermeerderd met de verschuldigde vertragingsrente vanaf 28 februari 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.7. veroordeelt [eiser c.s.] om aan Defam, uit hoofde van de effectenleaseovereen-komst, te betalen een bedrag van € 1.020,70 (duizend twintig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de verschuldigde vertragingsvergoeding vanaf 5 april 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.8. veroordeelt [eiser c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van Defam tot op heden begroot op € 452,00,

3.9. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2008.