Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG3699

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
SBR 07-3641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente Amersfoort heeft vergunning verleend voor het verplaatsen van een inrit, op voorwaarde dat de vergunninghouder de kosten voor het verplaatsen van een lantaarnpaal voor eigen rekening neemt. Eiser heeft beroep aangetekend. De huidige inritsituatie mag volgens eiser onveilig zijn, de nieuwe is dat ook zonder verplaatsing van de lantaarnpaal. De gemeente had de vergunning kunnen weigeren, maar is eiser tegemoet gekomen. De rechtbank verklaart het beroep wel gegrond voor zover het de kosten voor de uitvoering van de werkzaamheden betreft en stelt die vast op € 1.394,08.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/3641

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 24 oktober 2008

in de zaak van

[eiser 1] en [eiser 2],

wonende te Amersfoort,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 november 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser [eiser 1] tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan eiser op grond van de Algemene plaatselijke verordening Amersfoort 2006-II (hierna: APV) onder voorwaarden een vergunning verleend voor het verplaatsen en gebruiken van een inrit ter plaatse van het perceel [adres] te Amersfoort.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2008, waar eisers in persoon zijn verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. A.J. Ensing, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

1.3 Na de behandeling ter zitting is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft zij het onderzoek heropend.

1.4 Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank bij brief van 7 juli 2008 stukken ingediend. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en hebben daarvan bij brief van 15 juli 2008 gebruik gemaakt.

1.5 Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 Eiser [eiser 1]heeft op 22 maart 2007 een aanvraag om een inritvergunning bij verweerder ingediend. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft verweerder de gevraagde inritvergunning verleend, onder de voorwaarden dat een aantal voorzieningen in de openbare ruimte wordt getroffen, waaronder het verplaatsen van een lantaarnpaal. De kosten hiervan komen voor rekening van eiser. Eiser [eiser 1]heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.2 De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat eiseres [eiser 2] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 juli 2007, zodat het beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet ontvankelijk is voor zover het door haar is ingediend. Ter zitting is met partijen overeengekomen dat eiseres wordt aangemerkt als gemachtigde van eiser [eiser 1]en dat het beroep voor zover ingediend door haar als ingetrokken kan worden beschouwd.

2.3 Artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV kunnen burgemeester en wethouders de inritvergunning weigeren in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, van de APV kunnen aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge het tweede lid is degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

2.4 Eiser heeft in beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat de huidige situatie leidt tot een onveilig en ondoelmatig gebruik van de weg. Verplaatsing van de inrit vergemakkelijkt volgens eiser het gebruik, verduidelijkt de parkeersituatie op de openbare weg en maakt de verkeerssituatie veiliger. Eiser heeft aangeven dat hij geen belang heeft bij verplaatsing van de lantaarnpaal en dat verweerder, indien hij meent de lantaarnpaal op grond van het openbaar belang te moeten verplaatsen, zelf de kosten daarvan dient te dragen. Door te bepalen dat de kosten van het verplaatsen voor rekening van eiser zijn, heeft verweerder volgens eiser misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid om vergunningen te verlenen.

2.5 Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het realiseren van de gewenste inrit, zonder de lantaarnpaal te verplaatsen, het veilige en doelmatige gebruik van de weg ter plaatse belemmert en het uiterlijke aanzien van de omgeving aantast. Dat juist de huidige situatie volgens eiser leidt tot een onveilig en ondoelmatig gebruik van de weg, neemt niet weg dat de door eiser gewenste situatie evenmin voldoet. Ook is van belang dat eiser deze situatie zelf heeft gecreëerd.

Onder deze omstandigheden had verweerder kunnen besluiten de vergunning te weigeren. Verweerder is evenwel aan eiser tegemoet gekomen door de vergunning te verlenen onder de voorwaarde dat de lantaarnpaal wordt verplaatst en de kosten daarvan worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 1.4, eerste lid, van de APV aan de verleende vergunning de voorwaarde heeft kunnen verbinden dat de lantaarnpaal dient te worden verplaatst. Verweerder maakt geen misbruik van zijn bevoegdheid door aan de vergunning ook de voorwaarde te verbinden dat eiser de kosten vergoedt van de werkzaamheden. Onder de belangen om welke het vereiste van vergunning is gesteld, mag mede worden gerekend het financiële belang van de gemeente, ook in die zin dat dit ten gevolge van het vergunnen van de gevraagde uitweg geen financiële schade zal lijden. De rechtbank ziet ondersteuning voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 1996 (AB 1996/480). Van misbruik van bevoegdheden door verweerder of strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur is in dit geval geen sprake.

2.6 Tussen partijen is voorts in geschil de hoogte van de (door eiser te vergoeden) kosten voor het verplaatsen van de lantaarnpaal. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank gedurende de beroepsprocedure een specificatie van de geraamde kosten van € 1.100,- (exclusief BTW) voor het verplaatsen van de lantaarnpaal overgelegd. Volgens deze specificatie bestaan deze kosten uit de volgende kostenposten:

- asfalt zagen 2 x 4 strekkende meter à € 20,00 € 160,00

- asfalt breken en afvoeren 2 x 1 m² à € 135,00 per m³ € 27,00

- tijdelijk herbestraten 2 x 1 m² incl. materialen à € 68,50 € 137,00

- definitief repareren met 10 cm dik warm asfalt 2 m² à € 138,00 € 276,00

- verplaatsen lantaarnpaal (civiel werk) € 175,00

- verplaatsen lantaarnpaal (electrotechnisch werk) € 325,00

2.7 De rechtbank heeft, anders dan eiser, geen aanknopingspunten om eraan te twijfelen dat voor de verplaatsing van de lantaarnpaal een gat van 1 m² moet worden gegraven. Voor het graven van een gat met enige diepte is ruimte nodig. Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat de lantaarnpaal niet zo dicht op de stoeprand zal worden geplaatst dat een nieuw gat, naast het gat dat ontstaat door het verwijderen van de nu aanwezige schuine stoepranden, niet nodig zal zijn.

Eiser heeft echter terecht aangevoerd dat de in verweerders kostenspecificatie opgenomen post van €160,- voor het zagen van asfalt, ten onrechte is opgenomen. Deze kosten waren immers in de oorspronkelijke (bij de vergunning behorende) berekening als afzonderlijke post vermeld. Niet aannemelijk is dan ook dat deze kostenpost deel uitmaakt van de door eiser te betalen kosten van € 1.100,-.

Ten aanzien van de kostenpost voor het tijdelijk herbestraten is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat deze ten onrechte is opgenomen. Eiser heeft er wel terecht op gewezen dat verweerder in de nadere kostenspecificatie hiervoor een hoger tarief per m² hanteert (€ 68,50) dan in een eerder overzicht (€ 56,50). De meerkosten van in totaal € 24,- heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt.

Verweerder heeft voor het verplaatsen van de lantaarnpaal (electrotechnisch werk), bestaande uit het afkoppelen en aankoppelen van de lantaarnpaal op het electriciteitsnet, op basis van ervaringscijfers berekend dat de kosten daarvan in 70% van de gevallen € 192,50 bedragen. In 30% van de gevallen bedragen de kosten € 626,88. De door verweerder vastgestelde gemiddelde prijs van € 325,00 acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat een hoogwerker nodig zal zijn voor het verplaatsen van de lantaarnpaal.

2.8 Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder in verband met de vernieuwing van het trottoir van de [adres]en de [nabijgelegen straat] (een gedeelte van) de kosten toch al zou maken, overweegt de rechtbank dat haar beoordeling in deze zaak betrekking heeft op de situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op bezwaar van 14 november 2007. Onvoldoende is aannemelijk geworden dat (een deel van) de door verweerder berekende kosten voor de werkzaamheden op korte termijn door verweerder zouden zijn gemaakt bij de uitvoering van andere publieke taken.

2.9 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep tegen het besluit van verweerder gegrond te worden verklaard en dient de beslissing gedeeltelijk te worden vernietigd. Om dit geschil tot een einde te brengen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal de kosten voor het verplaatsen van de lantaarnpaal vaststellen op € 916,-. De rechtbank heeft daartoe het bedrag van € 1.100,- te verminderen met € 160,- en met € 24,-. Naast het bedrag van € 916,- dient eiser te vergoeden:

- 4m asfalt zagen à € 20,- € 80,-

- 3m trottoirbanden verplaatsen en stellen à € 19,50 € 58,50

- 3m inritblokken verplaatsen en stellen à € 39,- € 117,-

Subtotaal € 225,50

- verplaatsen lantaarnpaal € 916,-

Totaal € 1.171,50 (excl. BTW)

€ 1.394,08 (incl. BTW)

2.10 Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat wel aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 14 november 2007 voor zover daarbij de kosten van de uit te voeren werkzaamheden waren vastgesteld op € 1.613,05;

3.3 voorziet zelf in de zaak en stelt de kosten van de uit te voeren werkzaamheden vast op in totaal € 1.394,08 (incl. BTW) en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit(onderdeel),

3.4 bepaalt dat de gemeente Amersfoort het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan hen vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2008.

De griffier: De rechter:

mr. K. de Waard mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.