Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG2703

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
07-11-2008
Zaaknummer
256515/ KG ZA 08-1022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat de Staat der Nederlanden niet bevoegd zou zijn om tot ontruiming over te gaan, nu de Staat der Nederlanden daarmee in strijd zou handelen met artikel 12 Grondwet en artikel 8 EVRM. Meer in het bijzonder stelt eiseres dat ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op het door deze artikelen aan haar gewaarborgde recht op bescherming van de woning. In het onderhavige kort geding is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een gerechtvaardigde verdenking van overtreding van artikel 138 Sr, huisvredebreuk. Het is niet aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat eiseres door het plegen van huisvredebreuk een zelfstandig huisrecht kan vestigen, dat haar de bescherming geeft van de door haar genoemde artikelen en dat zij daarmee de ontruiming door de Officier van Justitite tot herstel van de rechtsorde en meer in het bijzonder het herstel van het huisrecht van de gebruiker zou kunnen voorkomen.

Wetsverwijzingen
Grondwet 12
Wet op de rechterlijke organisatie 124
Wetboek van Strafrecht 138
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 256515 / KG ZA 08-1022

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bijlsma.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Staat der Nederlanden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van Staat der Nederlanden.

1.2. In dit kort geding is op 17 oktober 2008 uitspraak gedaan. Dit is de nadere motivering van het reeds uitgesproken vonnis.

2. De feiten

2.1. Op of omstreeks 12 oktober 2008 heeft een groep mensen waaronder [eiseres] een deel van het pand aan de [adres] in gebruik genomen. Eigenaar van het pand is Janivo Holding B.V., waarvan Paardenveld vastgoed B.V. een onderdeel is. Op 13 oktober 2008 heeft [aangever] chef beheer van het pand, namens Janivo aangifte gedaan van onder andere huisvredebreuk en vernieling. Het totale pand bestaat uit een parkeergarage, een benedenverdieping en een tussenverdieping. De benedenverdieping van het pand is deels aan RAF Electronics B.V. en deels aan Staffhorst Muziek verhuurd. Het deel dat Staffhorst Muziek huurt is in gebruik als muziekwinkel. Dit deel van het pand is niet gekraakt. Het gekraakte deel, te weten het andere deel van de benedenverdieping en de tussenverdieping is aan RAF verhuurd (hierna het RAF-pand).

2.2. In het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2008 staat onder meer dat de [aangever] heeft verklaard:

“(…) Ik ben vorige week, 8 oktober 2008 omstreeks 14.30 uur, nog in het pand aan de [adres] geweest. Ik was daar voor electra onderhoud. Er zijn camera’s aanwezig in de genoemde panden. Wij kunnen dus zien wat er in en om het pand gebeurd. Ik heb via deze camera’s dan ook de afgelopen maanden regelmatig bewegingen gezien in en om het pand van de medewerkers van de RAF”.

2.3. De [getuige 1], assistent bedrijfsleider bij RAF, heeft volgens een proces-verbaal van verhoor op 13 oktober 2008 onder meer verklaard:

“(…) ik doe daar diverse werkzaamheden. Ik kom er zeker 1 keer in de 2 weken. Ook kom ik daar wel eens met wat vertegenwoordigers. In het pand liggen namelijk nog diverse kabel en andere onderdelen die wij regelmatig nog gebruiken of ophalen. Ook gebruiken we dat pand nog regelmatig als opslag.”

2.4. De [getuige 2], afdelingshoofd bij RAF, heeft volgens een proces-verbaal van verhoor van 13 oktober 2008 onder meer verklaard:

(…) U vraagt mij of het genoemde pand in gebruik is. Hierop kan ik u bevestigend antwoorden. Deze pand wordt gebruikt voor het opslag van oude audio apparatuur en computer apparatuur. Ook voor het opslag van diverse soorten kabels. Wij komen daar weliswaar niet elke dag maar 1 (een) keer in de 2 (twee) weken daar binnen.”

2.5. De [getuige 3], logistiek manager bij RAF heeft op 13 oktober 2008 schriftelijk verklaard:

“Bij deze verklaar ik dat wij het magazijn Paardenveld, [adres] in Utrecht in gebruik hebben voor opslag van verschillende soort kabels, meubilair en andere inventaris. Regelmatig brengen en halen wij goederen uit dit magazijn. Op dit moment staan er onder andere bij voorbeeld nog verschillende rollen met luidsprekerkabel, die wij dagelijks verkopen.”

2.6. De [getuige 4], Hoofd Magazijn bij RAF, heeft op 13 oktober 2008 schriftelijk verklaard:

“Bij deze verklaar ik dat ik in de afgelopen maanden een aantel keren goederen heb klaargezet voor transport in ons magazijn Paardenveld, [adres] in Utrecht. Het ging toen om goederen als verschillende soorten kabels, meubilair en andere inventaris.”

2.7. De [getuige 5], facilitair manager bij RAF, heeft op 13 oktober 2008 schriftelijk verklaard:

“Hierbij verklaar ik, [getuige 5],(…), dat ik voor mijn werkzaamheden als facilitair manager regelmatig, (gemiddeld 2 keer per maand) gebruik maak van onze opslag aan de [adres] in Utrecht.”

2.8. De officier van justitie heeft aangezegd het pand strafrechtelijk te zullen ontruimen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter de Officier van Justitie zal verbieden strafrechtelijke dwangmiddelen, waaronder aanhouding van [eiseres] toe te passen, voorzover deze voortvloeien uit verdenking van [eiseres] c.s. van overtreding van artikel 138 Sr dan wel 429secies Sr en/of dat de voorzieningenrechter de Officier van Justitie zal verbieden anderszins op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van het pand aan de [adres] over te gaan of te doen gaan, met veroordeling van Staat der Nederlanden in de kosten van dit kort geding.

3.2. Staat der Nederlanden voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Primair is aan de orde de vraag of aannemelijk is dat de Officier van Justitie met het oog op de strafrechtelijke ontruiming een redelijk vermoeden kan hebben van overtreding van de artikelen 138 en/of 429sexies Sr.

4.2. Staat der Nederlanden stelt dat het gekraakte pand op het moment van de kraakdatum nog in gebruik was, zodat aldus sprake zou zijn van huisvredebreuk, strafbaar gesteld in artikel 138 Sr. Dit gebruik zou bestaan uit de opslag van goederen door RAF. [eiseres] betwist niet dat er ten tijde van de kraakdatum goederen lagen opgeslagen in het pand, maar stelt dat deze goederen van twijfelachtige waarde waren en zich bovendien niet bevonden in het lokaal dat door de krakers in gebruik genomen is.

4.3. Staat der Nederlanden heeft een proces-verbaal overgelegd waarin de [getuige 1], assistent bedrijfsleider van RAF bij de politie heeft verklaard dat het RAF-pand door het bedrijf wordt gebruikt als magazijn voor (luidspreker)kabels en andere (audio)onderdelen die regelmatig door RAF worden gebruikt en opgehaald. [getuige 1] heeft verklaard ongeveer om de week in het pand te komen om zaken op te halen. Tevens heeft hij verklaard dat ook andere medewerkers met regelmaat zaken uit het pand moeten halen. Later heeft de [getuige 1] in een email aangegeven dat er ook pallets en kisten met speakers op de begane grond worden opgeslagen alsook kerstversiering en stapels onderdelen op de eerste etage. Ook wordt dit pand volgens [getuige 1] gebruikt als archief.

4.4. Ook de [getuige 2], afdelingshoofd van RAF heeft bij de politie verklaard dat het RAF-pand als magazijn en opslagruimte in gebruik is, voor audio en computerapparatuur en kabels en ook hij heeft aangegeven dat zowel hij als zijn collega’s regelmatig iets uit de opslag halen. Ook de logistiek manager, de facilitair manager en het hoofd magazijn van RAF hebben verklaard dat het pand voor opslag wordt gebruikt.

4.5. Tot slot heeft ook de [getuige 6], directeur van Paardenveld Vastgoed B.V., verklaard, zoals vastgelegd in zijn email van 15 oktober 2008, dat de ruimten worden gebruikt voor opslag van verschillende zaken.

4.6. Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen stelt de voorzieningenrechter vast dat de Staat der Nederlanden voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het RAF-pand in gebruik was op het moment van de kraak en dat aldus een verdenking bestaat van overtreding van artikel 138 Sr. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat niet aannemelijk is gemaakt dat zich in het lokaal waarin de krakers zich thans bevinden geen zaken bevonden, maar dat dit ook niet terzake doet, nu het RAF-pand naar haar aard dient te worden beschouwd als één geheel. De verschillende ruimten waren ook niet afgesloten maar stonden door (open) deuren met elkaar in verbinding.

4.7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bevoegdheid van de Officier van Justitie om over te gaan tot strafrechtelijk ontruiming in het onderhavige geval haar grondslag vindt in artikel 124 Wet op de Rechterlijke Organisatie waarin de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde door het Openbaar Ministerie is neergelegd tezamen met de vermoedelijke overtreding van artikel 138 Sr. Voorop staat dat aan de Officier van Justitie in het kader van die aan hem opgedragen taak, waaronder ook het optreden tegen overtreding van de in deze procedure in het geding zijnde strafbepaling valt, een zekere beleidsvrijheid toekomt, die wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen en de toepasselijke overtreden wettelijke bepaling. Hieruit volgt dat de beoordeling door de voorzieningenrechter van een voorgenomen strafrechtelijk optreden in beginsel slechts marginaal kan zijn. Nu de voorzieningenrechter in het voorgaande heeft vastgesteld dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat van het overtreden van artikel 138 Sr is de bevoegdheid van de Staat der Nederlanden daarmee in beginsel een feit.

4.8. [eiseres] heeft echter gesteld dat de Staat der Nederlanden niet bevoegd zou zijn om tot ontruiming van het pand over te gaan, nu de Staat der Nederlanden daarmee in strijd zou handelen met artikel 12 Grondwet en artikel 8 EVRM. Meer in het bijzonder stelt [eiseres] dat ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op het door deze artikelen aan haar gewaarborgde recht op bescherming van de woning. In het onderhavig kort geding is, zoals hiervoor is vastgesteld, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een gerechtvaardigde verdenking van overtreding van artikel 138 Sr, huisvredebreuk. Het is niet aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiseres] door het plegen van huisvredebreuk een zelfstandig huisrecht kan vestigen, dat haar de bescherming geeft van de door haar genoemde artikelen en dat zij daarmee de ontruiming door de Officier van Justitie tot herstel van de rechtsorde en meer in het bijzonder het herstel van het huisrecht van de gebruiker zou kunnen voorkomen.

4.9. Nu [eiseres] geheel in het ongelijk is gesteld zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de Staat der Nederlanden begroot op EUR 1070,00.

De beslissing

De voorzieningenrechter

a. wijst de vorderingen af,

b. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat der Nederlanden tot op heden begroot op EUR 1.070,00,

c. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2008.

w.g. griffier w.g. rechter