Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG1046

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
SBR 08/1257 en 08/1305
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling voor vrijstaande woning. Afwijking van gebiedsgerichte welstandscriteria. Gebouw van bijzondere schoonheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/1257 en 08/1305

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2008 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

Assurantiekantoor [V] B.V. en [eisers],

gevestigd respectievelijk wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 28 maart 2008, waarbij verweerder het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2007 van Assurantiekantoor [V] B.V. (hierna: het assurantiekantoor) niet-ontvankelijk en het bezwaar van [eisers] (hierna: [V]) ongegrond heeft verklaard.

Bij besluit van 25 juni 2007 heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning aan [vergunninghouders] te [plaats] (hierna: vergunninghouder) verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [adres] (hierna: het perceel) te Vinkeveen.

1.2 Het verzoek is op 26 juni 2008 ter zitting behandeld, waar eisers [V] in persoon zijn verschenen, daarbij tevens optredend voor het assurantiekantoor, bijgestaan door mr. S. Oord, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam en architect W.S. van Vliet.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N.J.M. Röling, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen, bijgestaan door ir. R.P.C. Hendriks, rayonarchitect van de welstandscommissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (hierna: de welstandscommissie). Vergunninghouder is eveneens ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. C.E. Bos, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 08/1257):

2.3 Verweerder heeft het bezwaar van het assurantiebedrijf niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang van deze rechtspersoon niet rechtstreeks betrokken is bij het besluit tot verlening van de bouwvergunning.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Het perceel [adres] is enigszins schuin tegenover het perceel van vergunninghouder gelegen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het assurantiekantoor eigenaar is van het bedrijfsgedeelte van het pand [adres] en dat eisers [V] eigenaar zijn van het woongedeelte, dat is gesitueerd aan de achterzijde van het pand. Het bedrijf is gevestigd in het voorste gedeelte van het pand [adres]. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten het assurantiekantoor te volgen in haar stelling dat verweerder haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Een rechtspersoon heeft in tegenstelling tot een natuurlijk persoon geen zicht op de omgeving. Niet gebleken is dat de bedrijfsvoering nadelig wordt beïnvloed door de bouw van de onderhavige woning. De omstandigheden dat eisers [V] werkzaam zijn in het bedrijfspand van het assurantiekantoor, dat zij in die hoedanigheid zicht hebben op de woning en dat zij zich ook rond het pand (kunnen) bevinden, kunnen niet leiden tot een rechtstreeks belang van het assurantiekantoor bij de onderhavige bouwvergunning. Verweerder heeft het bezwaar van het assurantiekantoor dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Eisers [V] voeren aan dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan en dat deze strijdigheid niet kan worden weggenomen door het verlenen van vrijstelling. Door vergunninghouder is ter zitting aangevoerd dat deze grief niet in bezwaar is aangevoerd en daarom in beroep buiten beschouwing moeten worden gelaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan vergunninghouder niet worden gevolgd in dit standpunt. Allereerst is van belang dat niet gezegd kan worden dat eisers niet in bezwaar hebben verwezen naar de (vermeende) strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat artikel 6:13 van de Awb, noch de toelichting op dit artikel aanknopingspunten biedt voor het standpunt van vergunninghouder. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit, gezien de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2003/04, 29421, nr. 3 en kamerstukken II 2004/2005, 29421, nr. 11), voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het onderhavige besluit moet voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb echter als één besluit, dat zich niet laat opdelen in verschillende besluitonderdelen, worden aangemerkt, zodat er geen beletsel is om deze beroepsgrond te beoordelen.

2.5 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003" heeft het perceel de bestemming "woondoeleinden".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn, voor zover van belang, de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen, en voorts ter plaatse van de nadere aanduiding daartoe voor bedrijven, kantoren of detailhandel. Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

a. woningen en andere hoofdgebouwen;

b. tuinen en erven;

c. bijgebouwen.

d. (...).

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mogen op de gronden bestemd voor woondoeleinden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd binnen de op de plankaart aangegeven bouwgrenzen

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mag de goothoogte van een hoofdgebouw niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven. Op de plankaart is in het bouwvlak de aanduiding 6 aangegeven, waardoor de goothoogte van het hoofdgebouw niet meer dan 6 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften is op bijgebouwen de regeling van artikel 7 tot en met 9 van de planvoorschriften van toepassing.

Artikel 7, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften bepaalt dat voor het bouwen van bijgebouwen mede geldt dat bij vrijstaande woningen slechts aan één zijgevel bijgebouwen mogen worden aangebouwd, de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen.

Artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften bepaalt dat de aanleg van een dakterras slechts is toegestaan indien sprake is van een vrijstaande woning en indien het niet binnen twee meter van de perceelsgrens wordt gerealiseerd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de in de artikelen 7 en 8 bedoelde bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 31, van de planvoorschriften wordt onder een hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat op een perceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 14, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw.

Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders, indien niet op grond van een andere bepaling van deze voorschriften vrijstelling kan worden verleend, bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van dit plan voor het afwijken van de in het plan voorgeschreven hoogte-, goothoogte-, breedte-, diepte-, afstands- en bebouwde oppervlaktematen met ten hoogste 10%, indien zulks in verband met de realisering van een bouwplan noodzakelijk is.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bouwplan, nadat met toepassing van artikel 15 van de WRO vrijstelling is verleend, past binnen de voorschriften van het geldende bestemmingsplan. De voorzieningenrechter is, anders dan is aangevoerd, van oordeel dat de planvoorschriften zich niet verzetten tegen het oprichten van deze woning. Daarbij wordt overwogen dat verweerder het achterste deel van de woning op goede grond heeft aangemerkt als een bijgebouw in de zin van de planvoorschriften. Aangezien het bestemmingsplan een eigen definitie kent van het begrip (aangebouwd) bijgebouw dient het bouwplan te worden getoetst aan deze definitie en niet aan de in de jurisprudentie ontwikkelde omschrijving van (aangebouwd) bijgebouw. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2004, www.rechtspraak.nl, LJN: AR2208. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat het achterste deel van de woning door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en daarom als een aangebouwd bijgebouw moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat de goothoogte voldoet aan de in de planvoorschriften opgenomen hoogte en dat vrijstelling is verleend voor de geringe overschrijding van de bouwhoogte als gevolg van het aanbrengen van een afscheiding voor het dakterras. Dat een bijgebouw ten dienste staat van het hoofdgebouw, zoals in de begripsbepalingen is opgenomen, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat een bijgebouw geen woonfunctie kan hebben. Vooral omdat in het bijgebouw niet zelfstandig kan worden gewoond, is er geen strijdig gebruik als bedoeld in artikel 9 van de planvoorschriften. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat op een bijgebouw geen dakterras mag worden aangebracht, overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet uit artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften kan worden afgeleid.

2.7 Eisers voeren verder aan dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft zich volgens eisers ten onrechte gebaseerd op het nadere advies van de welstandscommissie van 8 februari 2008 en is ten onrechte afgeweken van de welstandsnota en de daarin opgenomen specifieke gebiedscriteria. Onder verwijzing naar het tegenadvies van architect W.S. van Vliet van 17 juli 2007 en 30 mei 2008 voeren eisers aan dat de welstandscommissie een eerdere versie van het bouwplan, dat slechts op ondergeschikte punten afweek van het thans in geschil zijnde bouwplan, negatief heeft beoordeeld. Er is volgens eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat vanwege de bijzondere schoonheid van het bouwplan kan worden afgeweken van de welstandsnota. Zij vrezen dat het onderhavige bouwwerk een precedent schept waarmee in de toekomst meer afbreuk zal worden gedaan aan het conserverende karakter van de lintbebouwing.

2.8 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 12, eerste lid, van de Woningwet (Ww) bepaalt dat het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.9 De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie als regel groot gewicht moet worden toegekend. De Woningwet voorziet niet zonder reden in de instelling van een commissie van onafhankelijke deskundigen voor het uitbrengen van adviezen over ingediende bouwplannen. Deze advisering moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van de welstandsaspecten. Hoewel burgemeester en wethouders niet aan een advies van de welstandscommissie zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoets bij hen berust, mag aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het overnemen van een welstandsadvies vereist in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet of niet zonder meer aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag mocht leggen.

2.10 De gemeenteraad van De Ronde Venen heeft op 24 april 2006 het beleid "Welstand De Ronde Venen" vastgesteld. Ingevolge deze nota geldt voor de [straat] met de historische structuur en de gevarieerde bebouwing een bijzonder welstandsregime. Indien sprake is van een bijzonder welstandsgebied dan is extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst omdat het gaat om gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht en de gemeente ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet. In gebieden met een bijzonder welstandsregime moet het welstandstoezicht een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en / of gewenste kwaliteit (pag. 45). Voor de beoordeling van een bouwplan gelden criteria met betrekking tot de onbebouwde ruimte, ligging, massa, architectonische uitwerking en materiaal- en kleurgebruik.

2.11 Het bouwplan betreft het oprichten van een vrijstaande woning. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over het feit dat de woning op een aantal punten afwijkt van de ter plaatse geldende gebiedsgerichte criteria voor de [straat] en het [straat] (gebied 26) in de welstandsnota en van het beeldkwaliteitplan "de linten van Vinkeveen". De afwijkingen betreffen de massavorm doordat de woning niet bestaat uit één bouwlaag met daarop een kap, het ontbreken van de gerichtheid en openheid van de oost- respectievelijk voorgevel op de weg, een symmetrische voorgevel met verticale openingen (beeldkwaliteitplan) en het materiaalgebruik.

2.12 De welstandsnota bevat criteria op basis waarvan in bijzondere situaties, waarin de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria ontoereikend zijn, kan worden teruggegrepen op algemene welstandscriteria.

"Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan (slaafs) is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden.

Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In [de] praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt". (pag. 43 welstandsnota)

Bij de toetsing van een bouwplan aan algemene welstandscriteria wordt de relatie tussen het bouwwerk en de omgeving beoordeeld in die zin dat het bouwwerk een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedenbouwkundige of landschappelijke) ruimte. Voor de juiste schaal en maatverhoudingen wordt van een bouwwerk verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Voorts dient er evenwicht te zijn tussen helderheid en complexiteit. Tevens moet de verschijningsvorm een relatie hebben met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Ten slotte mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. (pag. 44).

2.13 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het nadere advies van de welstandscommissie van 8 februari 2008 naar inhoud en wijze van totstandkomen niet dermate onzorgvuldig is of leemten in kennis bevat dat verweerder dit advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De voorzieningenrechter heeft, mede gelet op de toelichting ter zitting, in het tegenadvies van Van Vliet onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het standpunt dat niet toereikend gemotiveerd is dat het bouwplan van bijzondere schoonheid is en dat op basis daarvan afwijking van de gebiedsgerichte criteria gerechtvaardigd is. De welstandscommissie heeft niet ten onrechte gewezen op de aanwezige kwaliteiten: eigentijdse ruimtelijke en transparante opzet met oog voor de relatie tussen gebouw en landschap en qua hoofdopzet aansluitend bij de aanwezige bebouwingsstructuur. Voorts kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de welstandscommissie het bouwplan als totaalbeeld heeft beoordeeld en van het bouwwerk als totaal heeft gesteld dat de aanwezige kwaliteiten van het landschap met een moderne volumecompositie tot uitdrukking komen.

2.14 De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel verder het volgende. De welstandscommissie is in het nadere advies van 8 februari 2008 gemotiveerd ingegaan op de afwijking van de voorkeur in zowel de welstandsnota als het beeldkwaliteitsplan voor één bouwlaag met kap. Ter zitting is door de rayonarchitect van de welstandscommissie nader toegelicht dat de relatief gesloten voorgevel en een opengewerkte zijgevel door de schuine richting van de bouwkavel op de weg in dit geval gelijkwaardig is aan het uitgangspunt dat de voorgevel naar de weg moet zijn gekeerd. Dat, zoals Van Vliet heeft gesteld, aanwezige of aan te brengen beplanting het zicht op de open zijgevel ontneemt, heeft de welstandscommissie terecht buiten beschouwing gelaten omdat beoordeeld moet worden of een bouwplan ook zonder beplanting voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dat in de voorzijde van de woning een berging is gesitueerd, leidt er niet toe dat de woning een sterke oriëntatie op de weg ontbeert. In het tegenadvies van Van Vliet heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat niet getoetst is aan de algemene welstandscriteria: symmetrische voorgevel met rijke details, architectuur in harmonie met het karakter van de historische langhuisboerderij en het traditionele materiaalgebruik. Verweerder heeft de advisering van de welstandscommissie derhalve aan zijn oordeel over de welstandshalve aanvaardbaarheid van het bouwplan ten grondslag kunnen leggen.

2.15 Aan het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet afdoen de stelling van eisers dat de welstandscommissie ten onrechte heeft ingestemd met de gegeven bouwmassa, zonder na te gaan of deze bouwmassa in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het is niet de taak van een welstandscommissie om zich uit te spreken over de vraag of een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Voor zover Van Vliet in zijn advies van 30 mei 2008 heeft gewezen op het feit dat het college werkgever van de welstandscommissie is, wijst de voorzieningenrechter er op dat er tussen de welstandscommissie en de gemeente De Ronde Venen geen dienstverband aanwezig is.

2.16 Gelet op het voorgaande heeft verweerder toereikend gemotiveerd dat het bouwplan van bijzondere schoonheid is en niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Gelet op artikel 44 van de Ww heeft verweerder op goede grond de bouwvergunning verleend.

2.17 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 08/1305):

2.18 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr.drs. H. Maaijen mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.