Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BG0847

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
230925/ HA ZA 07-972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel, incassokosten buiten effect marginale toets m.b.t. keus bestuursorgaan voor in te schakelen derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

230925 / HA ZA 07-9728 oktober 2008

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 230925 / HA ZA 07-972

Vonnis van 8 oktober 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in het verzet,

advocaat: mr. F.J. Hommersom,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde in het verzet,

advocaat: mr. W.H. Karreman.

Eisers zullen hierna tezamen [eiser c.s.] genoemd worden. Gedaagde zal hierna de Provincie Utrecht genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 10 oktober 2007;

• het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2008;

• de akte van [eiser c.s.];

• de akte van de Provincie Utrecht;

• de akte van [eiser c.s.].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij brief van 2 december 2003 heeft de Provincie Utrecht aan [eiser c.s.] bestuursdwang aangezegd met betrekking tot de verwijdering van een recreatiewoonschip met als ligplaats [adres].

2.2. [eiser c.s.] heeft tegen de bestuursdwangaanzegging bezwaar gemaakt. De Provincie Utrecht heeft dat bezwaar bij beslissing van 29 juni 2004 ongegrond verklaard.

2.3. Tegen die beslissing is [eiser c.s.] in beroep gegaan bij de rechtbank Utrecht. Bij uitspraak van 24 januari 2005 heeft de rechtbank Utrecht het beroep ongegrond verklaard.

2.4. [eiser c.s.] heeft hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht. De Raad van State heeft dat beroep op 21 maart 2005 ongegrond verklaard.

2.5. Bij brief van 30 mei 2005 heeft de Provincie Utrecht [eiser c.s.] verzocht het woonschip af te voeren en daarbij aangegeven dat zij het woonschip zelf – op kosten van [eiser c.s.] – zou afvoeren als [eiser c.s.] dat niet voor 20 juni 2005 had laten doen.

2.6. Omdat [eiser c.s.] het woonschip niet binnen de onder ?2.5 genoemde begunstigingstermijn had laten afvoeren, heeft de Provincie Utrecht het woonschip op 6 juli 2005 afgevoerd en opgeslagen.

2.7. Op 2 september 2005 heeft de Provincie Utrecht [eiser c.s.] een brief gestuurd waarin onder meer is vermeld dat de kosten van uitvoering van de bestuursdwang € 15.085,69 bedragen. In deze brief verzoekt de Provincie Utrecht [eiser c.s.] dit bedrag binnen vier weken aan de Provincie Utrecht over te maken. [eiser c.s.] heeft aan dit betalingsverzoek niet voldaan.

2.8. Op 22 januari 2007 heeft de Provincie Utrecht een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van € 16.421,43, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente, berekend over de periode 1 oktober tot en met 15 november 2005, de invorderingskosten verhoogd met 19% en de aanmaningskosten. Onder deze kosten zijn onder meer begrepen de door Klomp Transport B.V. (hierna: Klomp) in rekening gebrachte kosten voor het uit het water takelen van het woonschip en het vervoer daarvan naar het steunpunt Strijkviertel van de Provincie Utrecht. Deze kosten bedragen € 12.435,77 inclusief BTW. Voorts is hieronder een bedrag van € 1.036,71 aan incassokosten begrepen.

3. Het geschil

3.1. [eiser c.s.] vordert – samengevat – dat de rechtbank het dwangbevel van 22 januari 2007 buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Provincie Utrecht in de kosten van het geding.

3.2. De Provincie Utrecht voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [eiser c.s.] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. Het onderhavige geschil betreft een verzet tegen een dwangbevel wegens invordering van kosten van bestuursdwang. Niet in geschil is dat de bestuursdwangaanzegging onherroepelijk is zodat, gelet op het – door de Provincie Utrecht ingeroepen – beginsel van de formele rechtskracht, in deze procedure moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de bestuursdwangaanzegging, zowel voor wat betreft de inhoud als de wijze van totstandkoming daarvan. Van een omstandigheid die maakt dat van deze regel zou moeten worden afgeweken is niet gebleken. Om die reden is voor een inhoudelijke beoordeling van de bestuursdwangaanzegging in de onderhavige procedure geen plaats. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van [eiser c.s.] dat de Provincie Utrecht niet tot invordering van de kosten kan overgaan omdat zij zelf aanvankelijk een ontheffing had afgegeven voor de ligplaats van het woonschip. Tevens gaat de rechtbank om deze reden voorbij aan de stelling van [eiser c.s.] dat de Provincie Utrecht tekort is geschoten in de communicatie met [eiser c.s.].

De door Klomp in rekening gebrachte kosten

4.3. Volgens [eiser c.s.] heeft de Provincie Utrecht een te dure wijze van tenuitvoerlegging van de bestuursdwang gekozen. De Provincie Utrecht had er namelijk niet voor moeten kiezen om het woonschip uit het water te takelen, maar had de opbouw deels moeten afbreken, waarna het schip door het water weggesleept had kunnen worden. Dat zou volgens [eiser c.s.] veel goedkoper zijn geweest dan het bedrag dat nu door Klomp in rekening is gebracht. Voorts had de Provincie Utrecht er volgens [eiser c.s.] op moeten toezien dat de laagste prijs werd bedongen door meer offertes op te vragen. Naar de rechtbank begrijpt stelt [eiser c.s.] zich om deze redenen op het standpunt dat de Provincie Utrecht de kosten van de bestuursdwang niet (volledig) op hem kan verhalen.

4.4. De Provincie Utrecht betwist dat zij een te dure wijze van tenuitvoerlegging heeft gekozen. Volgens haar was de tenuitvoerlegging gecompliceerd door locatiespecifieke factoren, zoals de stabiliteit van de kade, de bereikbaarheid voor de gespecialiseerde kraan en dergelijke.

4.5. Bij de beantwoording van de vraag of de kosten van bestuursdwang in redelijkheid voor rekening van de aangeschrevene moeten komen, is de hoogte van die kosten een aspect dat in de beoordeling moet worden betrokken (vgl. ARRvs 7 juni 1985, AB 1986/48). Het enkele feit dat de door Klomp opgevoerde kosten mogelijk relatief hoog zijn, betekent echter nog niet dat de Provincie Utrecht reeds om die reden de bestuursdwang niet door Klomp mocht laten uitvoeren of slechts een deel van de kosten aan [eiser c.s.] mag doorberekenen. In het algemeen moet het immers toelaatbaar worden geacht dat de kosten van de bestuursdwang hoger zijn dan indien dezelfde werkzaamheden buiten het kader van bestuursdwang zouden zijn verricht. Dit is inherent aan het feit dat het gaat om handhaving van voorschriften van publiekrechtelijke aard. Het voorgaande is slechts anders indien sprake is van evident disproportionele kosten. Gezien het feit dat een bestuursorgaan bij de uitoefening van haar handhavingstaak beleidsvrijheid toekomt, kan de rechter dit echter slechts marginaal toetsen.

4.6. [eiser c.s.] heeft weliswaar gesteld dat de kosten van het weghalen van het woonschip op een goedkopere wijze had kunnen plaatsvinden, maar hij heeft dit standpunt op geen enkele wijze onderbouwd. Voor zover er voor de rechtbank – gezien het onder ?4.5 overwogene – al ruimte is om een en ander te toetsen, geldt daarom dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van evident disproportionele kosten. Dit betekent dat het er voor moet worden gehouden dat de door Klomp in rekening gebrachte kosten niet evident disproportioneel zijn. De Provincie Utrecht mag daarom vergoeding van deze kosten van [eiser c.s.] verlangen.

4.7. Dit wordt niet anders door het feit dat de Provincie Utrecht slechts één offerte heeft aangevraagd en daardoor geen prijsvergelijking heeft kunnen plaatsvinden. Gezien het onder ?4.5 overwogene kan immers – anders dan [eiser c.s.] stelt – in zijn algemeenheid niet worden gesteld dat op een bestuursorgaan een verplichting rust om meer offertes aan te vragen indien zij de bestuursdwang niet zelf uitvoert.

De incassokosten

4.8. [eiser c.s.] stelt voorts dat de Provincie Utrecht geen vergoeding kan vorderen van de incassokosten van € 1.036,71, nu het hier gaat om door de Provincie Utrecht zelf verrichte werkzaamheden. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van artikel 5:25 en 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Provincie Utrecht de op de invordering vallende kosten invorderen bij [eiser c.s.]. Genoemde artikelen bieden echter een grondslag voor vergoeding van de werkelijk door het bestuursorgaan gemaakte kosten, voor zover deze redelijk zijn.

4.9. Uit de specificatie van het bedrag van € 1.036,71 blijkt dat dit bedrag is gebaseerd op artikel 3 lid 1 van de Kostenwet invordering Rijksbelastingen. In deze bepaling is opgenomen:

“Voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling is verschuldigd € 35 verhoogd met € 3 van elk geheel bedrag van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat, met dien verstande dat niet meer verschuldigd is dan € 10 283.”

Hieruit volgt dat het door de Provincie Utrecht gevorderde bedrag geen vergoeding inhoudt van werkelijk gemaakte kosten, maar dat de Provincie Utrecht een forfaitair bedrag vordert. De rechtbank zal het verzet van [eiser c.s.] daarom gegrond verklaren voor zover dat betrekking heeft op deze kosten.

4.10. [eiser c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Provincie Utrecht worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet tegen het dwangbevel van de Provincie Utrecht van 22 januari 2007 gegrond, voor zover daarin aan [eiser c.s.] het bevel wordt gegeven tot betaling van “kosten vervolging” van EUR 1.036,71, en stelt het dwangbevel in zoverre buiten effect,

5.2. verklaart het verzet voor het overige ongegrond,

5.3. veroordeelt [eiser c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie Utrecht tot op heden begroot op EUR 1.155,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2008.