Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF9976

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
229784/ HA ZA 07-819
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenleasezaak met vier eisers. 30-40% eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VFP 2008, 1072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 229784 / HA ZA 07-819

Vonnis van 15 oktober 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiserer sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M. Rebel,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Eisers zullen hierna [eiser c.s.], dan wel [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiser sub 4] worden genoemd, gedaagde zal Spaarbeleg worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 februari 2008

- akte aan de zijde van Spaarbeleg

- akte aan de zijde van [eiser c.s.]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Bij het hiervoor onder 1.1. genoemde tussenvonnis van 27 februari 2008 heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de Algemene Voorwaarden in het geding te brengen, eventueel met een korte toelichting op die productie, en vervolgens [eiser c.s.] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte kort op de akte van Spaarbeleg te reageren.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal, waaronder de informatie uit het zogenaamde ‘welkomstpakket’.

2.3. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 27 februari 2008 reeds verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB 7971) en naar de overweging van het Gerechtshof dat het door Spaarbeleg aan de deelnemers toegezonden ‘welkomstpakket’ met informatie betreffende het Sprintplan pas door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand was gekomen.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. De inhoud van dat welkomstpakket zal daarom buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van wat de deelnemer op het moment van het aangaan van de Sprintplan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het Sprintplan.

Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

2.4. Zoals is overwogen in het tussenvonnis van 27 februari 2008, staat niet vast dat [eiser sub 2] voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst een brochure betreffende het SprintPlan heeft ontvangen. Voorafgaand aan de totstandkoming van de SprintPlan-overeenkomst beschikte [eiser sub 2] (in ieder geval) wel over de samenvatting van de Algemene Voorwaarden, waarvan als onbetwist vast staat dat deze was afgedrukt op de achterzijde van het inschrijfformulier.

Bij de beoordeling van wat [eiser sub 2] op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het SprintPlan, zal de rechtbank zich dan ook baseren op de samenvatting van de Algemene Voorwaarden, die Spaarbeleg bij akte na tussenvonnis heeft overgelegd.

2.5. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

a. [eiser sub 2]

3.1. [eiser sub 2] is op enig moment telefonisch benaderd door een medewerker van Spaarbeleg en hij heeft een informatiepakket gekregen over het SprintPlan. [eiser sub 2] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier, met op de achterzijde een samenvatting van de algemene voorwaarden, van Spaarbeleg een Certificaat ontvangen.

Het door [eiser sub 2] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2005. [eiser sub 2] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van NGL 250,00 aan Spaarbeleg voldaan, in totaal een bedrag van EUR 6.806,00. [eiser sub 2] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

b. [eiser sub 3]

3.2. [eiser sub 3] kreeg bij een rekeningafschrift van zijn renterekening bij Spaarbeleg een folder over het SprintPlan. Na inzending van een coupon ontving hij een informatiepakket van Spaarbeleg met een Brochure en een Inschrijfformulier dat hij heeft ingevuld. Op de achterzijde van dit Inschrijfformulier stond een samenvatting van de algemene voorwaarden. Vervolgens heeft [eiser sub 3] van Spaarbeleg een Certificaat ontvangen.

Het door [eiser sub 3] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 februari 1999 tot en met 1 februari 2004. [eiser sub 3] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van NGL 200,00 aan Spaarbeleg voldaan, in totaal een bedrag van EUR 5.445,36. [eiser sub 3] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

c. [eiser sub 1]

3.3. [eiser sub 1] heeft een huis aan huis verspreide brochure over het SprintPlan ontvangen en vervolgens een Inschrijfformulier ingevuld met op de achterzijde een samenvatting van de algemene voorwaarden. Vervolgens heeft [eiser sub 1] van Spaarbeleg een Certificaat ontvangen.

Het door [eiser sub 1] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 3 mei 1999 tot en met 3 mei 2004. [eiser sub 1] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van NGL 200,00 aan Spaarbeleg voldaan, in totaal een bedrag van EUR 5.445,36. [eiser sub 1] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

d. [eiser sub 4]

3.4. [eiser sub 4] heeft voorafgaand aan het sluiten van de SprintPlan-overeenkomst schriftelijke informatie van Spaarbeleg ontvangen, waaronder een brochure. [eiser sub 4] heeft vervolgens een Inschrijfformulier ingevuld met op de achterzijde een samenvatting van de algemene voorwaarden. Vervolgens heeft [eiser sub 4] van Spaarbeleg een Certificaat ontvangen.

Het door [eiser sub 4] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 2 januari 2001 tot en met 2 januari 2006. [eiser sub 4] heeft ter uitvoering van de overeenkomst – in ieder geval – 59 maandtermijnen van NGL 250,00 aan Spaarbeleg voldaan, in totaal een bedrag van EUR 6.693,25. [eiser sub 4] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

4. Het geschil

4.1. [eiser c.s.] vordert:

Primair

1. Een verklaring voor recht dat [eiser c.s.] recht hebben op terugbetaling van al hetgeen zij in het kader van de onderhavige overeenkomsten aan Spaarbeleg hebben betaald op grond van nietigheid of vernietigbaarheid wegens strijd met de Wet op het Consumentenkrediet (Wck), dan wel wegens dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden, dan wel wegens strijd met de Wet toezicht effectenverkeer (Wte), en/of het Besluit toezicht effectenverkeer (Bte) en/of de Nadere Regeling (NR).

Subsidiair

2. Een verklaring voor recht dat Spaarbeleg jegens [eiser c.s.] is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende (zorg)verplichtingen.

3. De overeenkomsten te ontbinden, althans te verklaren voor recht dat de overeenkomsten door [eiser c.s.] reeds zijn ontbonden, met veroordeling tot terugbetaling door Spaarbeleg van hetgeen door [eiser c.s.] is voldaan, dan wel vergoeding door Spaarbeleg van de schade – de door [eiser c.s.] ingelegde bedragen – aan [eiser c.s.]

Meer subsidiair

4. Te verklaren voor recht dat Spaarbeleg jegens [eiser c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien de schade – de door [eiser c.s.] ingelegde bedragen – aan [eiser c.s.] dient te voldoen.

Primair/subsidiair/ meer subsidiair

5. Spaarbeleg te veroordelen om aan [eiser c.s.] te voldoen de wettelijke rente over de bedoelde bedragen vanaf de dag dat deze door [eiser c.s.] aan Spaarbeleg zijn voldaan.

6. Spaarbeleg te veroordelen tot vergoeding van buitgerechtelijke incassokosten van EUR 100,00.

7. Spaarbeleg te veroordelen in de kosten van de procedure.

8. Spaarbeleg te bevelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser c.s.] bij de BKR te Tiel, althans de daaraan gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 voor dag dat Spaarbeleg in gebreke blijft met een maximum van EUR 20.000,00.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.1. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007 (LJN BB9779) in gelijke zin geoordeeld. De Wck is dus niet van toepassing op de onderhavige zaak. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom worden de vorderingen van [eiser c.s.], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig of vernietigbaar is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Dwaling of bedrog

5.2. [eiser c.s.] hebben een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat zij zich er niet bewust van waren dat zij met het SprintPlan een lening afsloten. Zij dachten dat het SprintPlan een spaarproduct was en stekken dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan.

5.3. De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, waaronder haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. De rechtbank nam de tekst van de Algemene Voorwaarden hierbij als uitgangspunt. Echter, in navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze Algemene Voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst. Uitgegaan dient te worden van de informatie die [eiser c.s.] – in ieder geval – hebben ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming ervan, te weten de samenvatting van de Algemene Voorwaarden op de achterzijde van het inschrijfformulier.

In de samenvatting van de Algemene Voorwaarden op de achterzijde van het inschrijfformulier staat met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem of haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn. Ook hieruit is derhalve af te leiden dat het SprintPlan geen spaarproduct was, dat er sprake was van een lening en dat de inleg verloren zou kunnen gaan.

5.4. De rechtbank is van oordeel dat [eiser c.s.] geen feiten of omstandigheden hebben gesteld die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken. Van [eiser c.s.] mocht worden verwacht dat zij dit informatiemateriaal hebben gelezen. Gegeven de inhoud van die informatie moet de gestelde dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor hun rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen. Dat geldt ook voor het beroep op bedrog.

Misleidende reclame

5.5. [eiser c.s.] hebben ter onderbouwing van de stelling dat Spaarbeleg misleidende informatie heeft verstrekt aangevoerd dat door de gebruikte termen in de informatie van Spaarbeleg niet duidelijk was dat het SprintPlan-product een karakter van geldlening in zich droeg, dat zij rente verschuldigd waren over die lening en dat zij het risico liepen om de inleg te verliezen.

5.6. Zoals de rechtbank in het bovenstaande ten aanzien van het beroep op dwaling reeds heeft overwogen, hadden [eiser c.s.] bij oplettende bestudering van de aan hen voor of bij het sluiten van de overeenkomst verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen wat het SprintPlan inhield en dat het niet een spaarproduct betrof. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) reeds uitgebreid gemotiveerd dat naar haar oordeel de door Spaarbeleg verstrekte informatie betreffende het SprintPlan niet misleidend is in de zin van artikel 6:194 BW. Misschien wekte de informatie van Spaarbeleg wel verwarring, maar deze is niet misleidend. Ook het Hof Amsterdam heeft op 15 november 2007 (LJN 7971) geoordeeld dat Spaarbeleg niet onrechtmatig heeft gehandeld door het openbaar maken of laten maken van misleidende mededelingen over het SprintPlan voor het aangaan daarvan. Nu [eiser c.s.] in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten aanvoeren, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

Misbruik van omstandigheden

5.7. Evenmin kunnen [eiser c.s.] worden gevolgd in de stellingname dat van de zijde van Spaarbeleg sprake is van misbruik van omstandigheden. Voor misbruik van omstandigheden is onder andere vereist dat Spaarbeleg wist of moest begrijpen dat [eiser c.s.] door de door hen gestelde onervarenheid tot het sluiten van de overeenkomsten werden bewogen. Nog daargelaten in hoeverre dit het geval is geweest, is van een dergelijke kenbaarheid niet gebleken.

Nietigheid wegens strijd met de Wte, het Bte en de NR.

5.8. De rechtbank is van oordeel dat zowel de Wte 1995 als de daarop, door delegatie, gebaseerde Bte 1995, ook zoals die wet en dat besluit luidden tot 1 januari 2007, niet de strekking hebben om de geldigheid als zodanig van een rechtshandeling, in het onderhavige geval het sluiten van de aandelenleaseovereenkomsten, aan te tasten. Wel wordt in de Bte 1995 een aantal regels voorgeschreven ten aanzien van hetgeen in de overeenkomsten moet zijn bepaald. Noch de Wte 1995, noch de Bte 1995 bevatten echter verbodsbepalingen waaruit kan worden afgeleid dat de strekking daarvan is dat de geldigheid van het sluiten van de overeenkomst wordt aangetast indien niet aan alle regels uit de Bte 1995 is voldaan. Het voorgaande geldt eveneens voor artikel 33 NR 1999, voor zover deze regeling in deze al van toepassing is. De vordering tot afgifte van een verklaring voor recht dat rechtsgeldig de nietigheid van de tussen [eiser c.s.] en Spaarbeleg gesloten overeenkomsten is ingeroepen wegens strijd met voormelde bepalingen dan wel voormelde regeling wordt dan ook afgewezen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.9. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Ook de vorderingen gebaseerd op toerekenbare tekortkoming zullen derhalve worden afgewezen.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

zorgplicht

5.10. [eiser c.s.] hebben gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hen niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer in het bijzonder het risico dat zij na ommekomst van de overeenkomst hun volledige inleg kwijt zouden zijn) die zij met de overeenkomsten aangingen. Daarnaast stellen [eiser c.s.] dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser c.s.] en naar hun beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiser c.s.] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiser c.s.].

5.11. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.12. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser c.s.] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de toegezonden bescheiden (de Brochure en de samenvatting van de Algemene Voorwaarden of alleen de samenvatting van de Algemene Voorwaarden) te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico’s geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser c.s.] geverifieerd of zij al die denkstappen hadden gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser c.s.]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.13. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser c.s.] gestelde schade ontbreekt. [eiser c.s.] hebben aangevoerd dat het doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen. Voor [eiser sub 2] ging het in concreto om het creëren van een financiële reserve. [eiser sub 3] wilde zorgen voor een aanvulling op zijn inkomen, zodat hij eerder kon stoppen met werken. [eiser sub 1] wilde sparen, zodat zij op enig moment een cruise zou kunnen maken met haar echtgenoot. [eiser sub 4] wilde geld sparen voor de vervanging van haar auto. [eiser c.s.] hebben tevens aangegeven dat zij niet aan het SprintPlan begonnen zouden zijn, als hen duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico’s verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser c.s.] met deze verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het SprintPlan niet zouden hebben afgesloten, als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

schade

5.14. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geld zelf, of aan een ander doel, te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf, maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

5.15. Voor wat betreft de vordering van [eiser sub 4] heeft Spaarbeleg aangevoerd dat zij niet 60 maar 59 termijnen heeft betaald. In een schrijven van Spaarbeleg van 11 januari 2006 aan [eiser sub 4] dat door [eiser c.s.] is overgelegd bij dagvaarding wordt van hiervan melding gemaakt. Zijdens [eiser sub 4] is verder niet aangevoerd dat dat onjuist zou zijn, zodat de rechtbank uit zal gaan van een door [eiser sub 4] betaald bedrag van EUR 6.693,25. Spaarbeleg heeft geen reconventionele vordering ingesteld tot betaling van deze laatste termijn van EUR 113,45, zodat de rechtbank dit verder buiten beschouwing zal laten.

eigen schuld

5.16. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660 en 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij bij twijfel zich nader had dienen te informeren. Voorgaande geldt eveneens voor de informatie die [eiser c.s.] ter beschikking hadden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.

5.17. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten, wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.18. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.19. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

a. [eiser sub 2]

5.20. [eiser sub 2] was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan 67 jaar oud. Hij had toen een netto inkomen van EUR 1.265,00 per maand. Hij heeft alleen een basisopleiding genoten en was voor zijn pensionering afdelingschef bij een producent van onder meer aanrechtbladen. Hij had een eigen woning met ten tijde van de comparitie van partijen een waarde van circa EUR 250.000,00 en een hypotheek van EUR 40.000,00. Ten tijde van de comparitie van partijen had [eiser sub 2] voorts een spaarrekening bij de Rabobank met een saldo van EUR 25.000,00.

De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden – zoals die waren ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst – geen aanleiding om af te wijken van haar hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling. Dat betekent dat 60% van EUR 6.806,00 zal worden toegewezen, te weten EUR 4.083,60.

b. [eiser sub 3]

5.21. [eiser sub 3] was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan 51 jaar oud. Hij had toen een netto inkomen van circa EUR 1.850,00 per maand. Hij heeft een mbo-opleiding genoten; de politieschool en was projectvoorbereider bij de politie. [eiser sub 3] heeft in november 2003 een woning gekocht voor EUR 288.000,00 met daarop een hypotheek van EUR 348.000,00.

Ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan had [eiser sub 3] voorts een spaarrekening met een saldo van EUR 10.000,00.

De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden – zoals die waren ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst – geen aanleiding om af te wijken van haar hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling. Dat betekent dat 60% van EUR 5.445,36 zal worden toegewezen, te weten EUR 3.267,22.

c. [eiser sub 1]

5.22. [eiser sub 1] was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan 61 jaar oud. Zij zelf was huisvrouw en had geen noemenswaardige opleiding. Zij verzorgde de financiën van het gezin. Het netto gezinsinkomen bedroeg ten tijde van het afsluiten van het Sprintplan circa EUR 1.300,00 per maand. [eiser sub 1] en haar echtgenoot hadden geen noemenswaardig vermogen.

De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden – zoals die waren ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst – aanleiding om af te wijken van haar hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling. Hoewel [eiser sub 1] gezien haar leeftijd een ruime levenservaring had, was haar opleiding beperkt evenals het inkomen. Dat betekent dat 70% van EUR 5.445,36 zal worden toegewezen, te weten EUR 3.811,75.

d. [eiser sub 4]

5.23. [eiser sub 4] was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan 28 jaar oud. Zij heeft de opleiding HBO verpleegkunde afgerond en ze werkt als verpleegkundige. Haar netto inkomen bedroeg ten tijde van het afsluiten van het Sprintplan circa EUR 1.300,00 per maand. Haar in 2000 overleden echtgenoot had een onderneming, die is verkocht. Met de opbrengst heeft [eiser sub 4] – onder afsluiting van een hypotheek – een woning gekocht.

De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden – zoals die waren ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst – geen aanleiding om af te wijken van haar hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling. Enerzijds was immers de levenservaring van [eiser sub 4] beperkt doch anderzijds was haar opleiding bovengemiddeld. Dat betekent dat 60% van EUR 6.693,25 zal worden toegewezen, te weten EUR 4.015,95.

Rente

5.24. Voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente is geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. De door [eiser c.s.] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds het voormelde percentage van de maandelijks door [eiser c.s.] uit hoofde van de overeenkomsten aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

Buitengerechtelijke kosten

5.25. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Niet is gebleken dat [eiser c.s.] kosten hebben gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De kosten waarvan [eiser c.s.] vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Bureau Kredietregistratie (BKR)

5.26. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat zij [eiser c.s.] niet heeft aangemeld bij het BKR. [eiser c.s.] hebben daarop niet meer gereageerd, zodat de rechtbank uitgaat van hetgeen Spaarbeleg heeft gesteld. De vordering tot doorhaling van een registratie bij de BKR zal derhalve worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring

5.27. Spaarbeleg verzet zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis,omdat sprake is van een mogelijk restitutierisico. Nu Spaarbeleg echter heeft nagelaten haar belang verder met feiten te onderbouwen, zal de rechtbank het belang van [eiser c.s.] bij het op dit moment uitvoering geven aan het vonnis zwaarder laten wegen dan het belang van Spaarbeleg bij behoud van de bestaande toestand totdat op een evemtueel rechtsmiddel is beslist. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Proceskosten

5.28. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, te begroten aan de zijde van [eiser c.s.] op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 251,00

- salaris advocaat 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.295,31.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van EUR 4.083,60 (vierduizend drieëntachtig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over 60% van de maandelijks door [eiser sub 2] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser sub 3] te betalen een bedrag van EUR 3.267,22 (drieduizend tweehonderd zevenenzestig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over 60% van de maandelijks door [eiser sub 3] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling

6.3. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van EUR 3.811,75 (drieduizend achthonderd elf euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over 70% van de maandelijks door [eiser sub 1] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling

6.4. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser sub 4] te betalen een bedrag van EUR 4.015,95 (vierduizend vijftien euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over 60% van de maandelijks door [eiser sub 4] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling

6.5. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser c.s.] tot op heden begroot op EUR 1.295,31,

6.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7. verklaart voor recht dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser c.s.],

6.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2008.