Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF9208

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
15-10-2008
Zaaknummer
SBR 07-1108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor een woning op het perceel ten onrechte geweigerd. Een eerder verleende vrijstelling, met de bedoeling om op het perceel slechts één woning toe te staan, doet een bouwmogelijkheid op grond van het bestemmingsplan niet teniet.

Wetsverwijzingen
Woningwet 44
Woningwet 56a
Woningwet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/1108

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 15 oktober 2008

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Inleiding

1.1 Op 28 augustus 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van een woning op het perceel [adres] (hierna: het perceel). Bij besluit van 9 maart 2007 heeft verweerder eisers aanvraag om bouwvergunning eerste fase afgewezen. Bij besluit van 21 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2007

Uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het bezwaar van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn bouwaanvraag eerste fase mede was gericht tegen het besluit van 9 maart 2007 tot weigering van de bouwvergunning eerste fase. Bij besluit van 29 februari 2008 (met kenmerk U08.03880) (hierna: het eerste besluit van 29 februari 2008) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2007 alsnog ongegrond verklaard. De rechtbank acht het beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht tegen het eerste besluit van 29 februari 2008.

1.2 Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag om een bouwvergunning tweede fase aangehouden. Bij brief van 11 juni 2006 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft verweerder de aanvraag om bouwvergunning tweede fase buiten behandeling gesteld. Bij het hiervoor genoemde besluit op bezwaar van 21 maart 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift van 11 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het (primaire) besluit van 12 maart 2007 tot buiten- behandelingstelling van de aanvraag moet worden opgevat als een (primair) besluit tot wijziging - in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb - van het besluit van 3 mei 2006 tot aanhouding van de aanvraag om een bouwvergunning tweede fase. In het besluit van 12 maart 2007 is expliciet verwoord dat de aanvraag ten onrechte aangehouden is. Verweerder komt met dit besluit terug op het besluit van 3 mei 2006 tot aanhouding en stelt daarvoor de buitenbehandelingstelling in de plaats. Het bezwaarschrift van eiser van 11 juni 2006 was met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dan ook mede gericht tegen het besluit van 12 maart 2007 tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Bij besluit van 21 maart 2007 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit op bezwaar is nog aangevuld bij besluit van 29 februari 2008 (met kenmerk U08.03881) (hierna: het tweede besluit van 29 februari 2008). Het beroep is vervolgens, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede gericht tegen het tweede besluit van 29 februari 2008.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 16 september 2008. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Bekooij, advocaat te Enschede. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Lievaert, gemachtigde.

Overwegingen

Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 21 maart 2007

2.1 De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat het eerste en het tweede besluit van 29 februari 2008 in de plaats zijn getreden van de beslissing op bezwaar van 21 maart 2007.

2.2 Eiser heeft aangevoerd dat bij het besluit op bezwaar van 21 maart 2007 de proceskosten in bezwaar ten onrechte zijn geweigerd. Dat betoog slaagt niet. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiser het bezwaarschrift zelf heeft ingediend en in bezwaar (nog) niet werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. Gelet op de limitatieve opsomming van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb en onderdeel A4 van de Bijlage bij het Bpb kan voor het indienen van een bezwaarschrift op eigen naam geen vergoeding worden toegekend.

2.3 De rechtbank is niet gebleken dat eiser verder nog enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de beslissing op bezwaar van 21 maart 2007.

Het beroep tegen het eerste besluit van 29 februari 2008

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is bepaald dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien: (...)

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

Artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww bepaalt dat burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 56a, eerste lid, van de Ww bepaalt dat een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fases wordt verleend.

Artikel 56a, tweede lid, van de Ww bepaalt dat de bouwvergunning eerste fase slechts mag en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

De bouwaanvraag heeft betrekking op een gedeelte van het perceel dat ingevolge het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Maarn' (hierna: het bestemmingsplan) het de bestemming 'Wonen', met nadere aanduiding 'W1', heeft.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de 'Bestemmingenkaart' als 'Wonen' aangegeven gronden bestemd voor wonen en tuinen en erven.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften mogen op de gronden als bedoeld in lid 1 woningen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mag het aantal woningen per aanpijling niet meer bedragen dan het aantal dat op de 'Bestemmingenkaart' ná de aanduiding 'W' is aangegeven.

Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mag een woning uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de bestaande woning (...).

Ingevolge artikel 13, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid, onder c.

2.4 Verweerder heeft de bouwvergunning eerste fase geweigerd aangezien hij eiser op 9 maart 2004 vrijstelling heeft verleend voor het bouwen van een woning op het gedeelte van het perceel met de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden', binnen welke bestemming bouwen niet is toegestaan. Verweerder stelt dat uit de motivering van de destijds verleende vrijstelling blijkt dat slechts is bedoeld medewerking te verlenen aan de vervanging van de bestaande woning met een andere situering dan het bestemmingsplan mogelijk maakt. Er is geen medewerking verleend aan een toename van het aantal woningen op het perceel. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is.

2.5 Eiser heeft aangevoerd dat op grond van het bestemmingsplan, naast de woning op het perceelsgedeelte met de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden', op het perceelsgedeelte met de bestemming 'Wonen' één woning is toegestaan. Dat betoog slaagt. Bij besluit 9 maart 2004 is met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van een woning vrijstelling verleend van de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden'. Met deze vrijstelling is de bouwmogelijkheid die het bestemmingsplan biedt echter niet teniet gedaan. De woning waarvoor op 9 maart 2004 vrijstelling is verleend, staat op het perceelsgedeelte met de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden'. Dit betekent dat deze woning niet kan worden beschouwd als de (enige) woning die op grond van artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is toegestaan. De enkele bedoeling van verweerder om op het perceel in totaal niet meer dan één woning toe te staan, kan geen afbreuk doen aan het expliciet in het bestemmingsplan toegekende recht om een woning te bouwen op het perceelsgedeelte met de bestemming 'Wonen'. Een bouwvergunning eerste fase kan, gelet op het limitatieve toetsingskader van artikel 44 van de Ww, niet worden geweigerd wegens strijd met (de bedoeling) van een eerder besluit tot vrijstelling.

2.6 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de bouwvergunning eerste fase naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geweigerd wegens strijd met artikel 56a, tweede lid, van de Ww in samenhang met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww. Verweerder heeft het eerste besluit van 29 februari 2008 dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat dit besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep tegen het eerste besluit van 29 februari 2008 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Dit betekent dat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen op het bezwaarschrift van eiser. Aangezien verweerder niet binnen zes weken heeft beslist op de aanvraag om een bouwvergunning eerste fase, zal hierbij de vraag aan de orde zijn of er, ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Ww sprake is van een vergunning van rechtswege. De rechtbank kan niet overzien of zij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om bijvoorbeeld te beoordelen of het bouwplan geheel in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat een bouwvergunning van rechtswege is verleend.

Het beroep tegen het tweede besluit van 29 februari 2008

2.7 Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag om bouwvergunning tweede fase niet-ontvankelijk verklaard aangezien eiser op grond van artikel 56a, vierde lid, onder a en b, van de Ww nog geen aanvraag om een bouwvergunning tweede fase kon indienen.

2.8 Verweerder heeft in het bestreden besluit noch ter zitting een reden genoemd voor het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en voldoet (uiteindelijk) aan alle vereisten die op grond van de Algemene wet bestuursrecht zijn gesteld.

Artikel 56a, vierde lid, van de Ww bepaalt dat de aanvraag om bouwvergunning tweede fase eerst kan worden ingediend:

a. na afloop van de termijn waarbinnen overeenkomstig artikel 46, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, op de aanvraag om bouwvergunning eerste fase moet worden beslist, dan wel

b. indien op een eerder tijdstip op die aanvraag is beslist: nadat die beslissing is bekendgemaakt.

Eiser heeft op 6 april 2006 een aanvraag om een bouwvergunning tweede fase ingediend. De beslistermijn voor de op 18 november 2005 ingediende aanvraag om een bouwvergunning eerste fase was op dat moment verstreken zodat eiser een aanvraag om bouwvergunning tweede fase kon indienen. Uit de tekst van artikel 56a, vierde lid, van de Ww volgt niet dat het pas mogelijk is om een aanvraag om een bouwvergunning tweede fase in te dienen nadat een bouwvergunning eerste fase is verleend.

2.9 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in het primaire besluit van 12 maart 2007 de aanvraag om bouwvergunning tweede fase ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Het buiten behandeling stellen van een aanvraag is slechts mogelijk in de situaties als omschreven in artikel 4:5 van de Awb. De rechtbank is niet gebleken dat eiser niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of dat de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een beoordeling van de aanvraag.

2.10 De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, ook het beroep tegen het tweede besluit van 29 februari 2008 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Dit betekent dat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen op het bezwaarschrift van eiser. Aangezien verweerder niet binnen zes weken heeft beslist op de aanvraag voor een bouwvergunning tweede fase, zal hierbij eveneens de vraag aan de orde zijn of er, ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Ww sprake is van een vergunning van rechtswege.

2.11 Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Bpb begroot op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Op het in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand dient verweerder bij het nemen van de nieuwe besluiten op bezwaar te beslissen.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 21 maart 2007 ongegrond;

3.2 verklaart het beroep tegen het eerste besluit van 29 februari 2008 (met kenmerk U08.03880) gegrond en vernietigt dit besluit;

3.3 verklaart het beroep tegen het tweede besluit van 29 februari 2008 (met kenmerk U08.03881) gegrond en vernietigt dit besluit;

3.4 draagt verweerder op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften van eiser van 28 augustus 2006 en van 11 juni 2006 te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.5 bepaalt dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug het door eiser betaalde griffiegeld ad € 143,- aan hem vergoedt;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in dit geding tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2008.

De griffier: De rechter:

mr. J.K. van de Poel mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.