Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF7433

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
09-10-2008
Zaaknummer
238261/ HA ZA 07-1939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, printplan, 40% eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

238261 / HA ZA 07-19398 oktober 2008

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 238261 / HA ZA 07-1939

Vonnis van 8 oktober 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R. Vleugel,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 27 februari 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

• de akte overlegging productie van de zijde van Spaarbeleg,

• het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal.

In zijn arrest van 15 november 2007 (in de zaak GeSp, LJN BB7971) heeft het Hof Amsterdam (onder meer) geoordeeld dat -kort gezegd- de SprintPlan-overeenkomsten tot stand zijn gekomen doordat de persoon die de wens had zo'n overeenkomst aan te gaan een ingevuld inschrijfformulier aan Spaarbeleg heeft doen toekomen (aan te merken als aanbod tot het aangaan van een SprintPlan-overeenkomst) en doordat Spaarbeleg de in dat formulier uitgesproken wens vervolgens heeft gehonoreerd en aan die persoon (de deelnemer) een door haar ondertekend certificaat heeft doen toekomen (aanvaarding van het aanbod). In vervolg hierop heeft het Hof vastgesteld dat het 'welkomstpakket' met informatie betreffende het SprintPlan, dat (veelal) door Spaarbeleg gelijktijdig met het certificaat aan de deelnemer is toegezonden, door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand gekomen was. De inhoud van het welkomstpakket dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling van wat de deelnemer op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het Sprintplan. Het Hof heeft dan ook slechts de op voorhand aan de deelnemers verstrekte brochure betreffende het SprintPlan en de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden in dat verband in zijn oordeel betrokken.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

2.3. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. Na het insturen van een inschrijfformulier voor deelname aan het SprintPlan, heeft [eiseres] een certificaat van Spaarbeleg ontvangen.

Voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst heeft [eiseres] een brochure over het SprintPlan ontvangen.

3.2. Het door [eiseres] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 maart 2001 tot en met 28 februari 2006.

[eiseres] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 59 maandtermijnen van EUR 113,45 (NLG 250,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van EUR 6.693,55. [eiseres] heeft na afloop van de overeenkomst een uitkering van Spaarbeleg ontvangen ter hoogte van EUR 1.207,29.

3.3. Bij brief van 7 mei 2007 heeft [eiseres] de SprintPlan-overeenkomst vernietigd en is een beroep gedaan op de nietigheid van de overeenkomst. Spaarbeleg is hiermee niet akkoord gegaan.

4. Het geschil

4.1. [eiseres] vordert –samengevat- na wijziging van eis:

primair: een verklaring voor recht dat de SprintPlan-overeenkomst nietig of vernietigd is, dan wel nietigverklaring, vernietiging of ontbinding van de overeenkomst,

subsidiair: een verklaring voor recht dat Spaarbeleg toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] danwel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres], met terugbetaling van alle door haar aan Spaarbeleg betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente en verminderd met de uitkering die zij van Spaarbeleg heeft ontvangen, alsmede een verklaring voor recht, wegens:

- nietigheid van de overeenkomst op grond van strijd met artikel 9 van de Wck,

- vernietiging op grond van dwaling,

- misleidende reclame,

- ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming wegens schending van de zorgplicht,

- onrechtmatig handelen wegens schending van de zorgplicht,

met veroordeling van Spaarbeleg in de kosten van het geding.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.1. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007 (LJN BB9779) in gelijke zin geoordeeld. De Wck is dus niet van toepassing op de onderhavige zaak. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiseres], voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig of vernietigbaar is wegens strijd met de Wck, afgewezen.

Vernietiging op grond van dwaling

5.2. [eiseres] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat zij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan. Ter comparitie heeft [eiseres] nog aangevoerd dat zij de term “Garantiewaarde” aldus had begrepen dat na vijf jaar gegarandeerd een uitkering gedaan zou worden ter hoogte van die garantiewaarde, in haar geval van NLG 37.500,00.

5.3. De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, waaronder haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. De rechtbank nam de tekst van de Algemene Voorwaarden hierbij als uitgangspunt. Echter, in navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze Algemene Voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst.

Uitgegaan dient te worden van de informatie die [eiseres] heeft ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst. Of de samenvatting van de algemene voorwaarden (ook) op het door [eiseres] gebruikte inschrijfformulier was afgedrukt (zie hiervoor onder 2.2.) is niet gesteld of gebleken. Een afschrift van deze samenvatting is ook niet in het geding gebracht. Vast staat wel dat [eiseres] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst (in ieder geval) een brochure over het SprintPlan heeft ontvangen. Ter comparitie heeft [eiseres] verklaard dat de brochure waarover zij beschikte vergelijkbaar was met de door Spaarbeleg overgelegde brochure. Door [eiseres] zelf is een andere brochure over het SprintPlan in het geding gebracht, die qua inhoud echter vergelijkbaar is.

In beide brochures is vermeld dat Spaarbeleg direct een groot bedrag voorschiet en dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts wordt aangegeven dat het bedrag in het Aegon Garantiefonds wordt belegd en dat de deelnemer alleen risico loopt over de rentebetalingen. De looptijd is vijf jaar en nadien wordt de waarde van de belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag. Tot slot is vermeld dat bij tussentijdse beëindiging de garantie op het voorgeschoten bedrag komt te vervallen.

5.4. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken. [eiseres] heeft immers erkend dat zij de brochure met daarin informatie over het SprintPlan heeft ontvangen. Van [eiseres] mocht worden verwacht dat zij dit informatiemateriaal heeft gelezen. [eiseres] heeft bovendien ter comparitie bevestigd dat zij dit ook heeft gedaan. Als zij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, omdat zij dacht dat zij ging sparen, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor haar eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

5.5. De stelling van [eiseres] dat zij de brochure niet goed heeft begrepen door de zware medicatie die zij ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan gebruikte vanwege haar borderline stoornis en die een negatief effect had op haar inschattingsvermogen, kan aan het bovenstaande niet afdoen.

Het feit dat één der partijen bij het aangaan van de overeenkomst geen juiste voorstelling van zaken had, heeft in het algemeen geen invloed op de geldigheid van de overeenkomst. Artikel 6:228 BW noemt drie gevallen waarin, in afwijking van dit uitgangspunt, vernietiging (wel) mogelijk is. Hetgeen door [eiseres] is aangevoerd over de medicatie die zij vanwege haar psychische problemen gebruikte, valt daar echter niet onder.

Misleidende reclame

5.6. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat Spaarbeleg misleidende informatie heeft verstrekt (nogmaals) aangevoerd dat door de gebruikte termen in de informatie van Spaarbeleg niet duidelijk was dat het SprintPlan-product een karakter van geldlening in zich droeg, dat zij rente verschuldigd was over die lening en dat zij het risico liep om haar inleg te verliezen.

5.7. Zoals de rechtbank reeds in het bovenstaande ten aanzien van het beroep op dwaling reeds heeft overwogen, had [eiseres] bij oplettende bestudering van de aan haar voor of bij het sluiten van de overeenkomst verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen wat het SprintPlan inhield en dat het niet een spaarproduct betrof. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) reeds uitgebreid gemotiveerd dat naar haar oordeel de door Spaarbeleg verstrekte informatie betreffende het SprintPlan niet misleidend is in de zin van artikel 6:194 BW. Misschien wekte de informatie van Spaarbeleg wel verwarring, maar deze is niet misleidend. Ook het Hof Amsterdam heeft op 15 november 2007 (LJN 7971) geoordeeld dat Spaarbeleg niet onrechtmatig heeft gehandeld door het openbaar maken of laten maken van misleidende mededelingen over het SprintPlan voor het aangaan daarvan. Nu [eiseres] in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.8. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.9. [eiseres] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door haar niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico's die zij met de overeenkomst aanging (meer in het bijzonder het risico dat zij na ommekomst van de overeenkomst haar volledige inleg kwijt zou zijn).

Daarnaast stelt zij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar haar inkomens- en vermogenspositie en naar haar beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door haar dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiseres].

5.10. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank, in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971), van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.11. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer enkele denkstappen te maken om de risico's van het SprintPlan geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiseres] geverifieerd of zij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiseres]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.12. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiseres] gestelde schade ontbreekt. [eiseres] heeft ter comparitie aangevoerd dat haar doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen. Zij heeft tevens verklaard dat zij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als haar duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico's verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

5.13. Spaarbeleg heeft ter comparitie nog opgemerkt dat haar bij dagvaarding onder meer wordt verweten dat zij niet heeft gewaarschuwd voor het verval van de fiscale aftrekbaarheid. Volgens Spaarbeleg volgt daaruit dat [eiseres] wist dat de inleg fiscaal aftrekbaar was en daarmee ook dat zij wist dat sprake was van beleggen met geleend geld. De rechtbank begrijpt deze opmerking van Spaarbeleg als zijnde bedoeld ter betwisting van het causaal verband. In reactie hierop heeft [eiseres] aangevoerd dat zij niet begrijpt wat bedoeld wordt met verval van fiscale aftrekbaarheid en dat dit verwijt uit de koker van haar raadsman komt. De raadsman van [eiseres] heeft dit bevestigd. Spaarbeleg heeft hierop vervolgens niet meer gereageerd. Nu de rechtbank ook overigens geen reden ziet om te twijfelen aan de oprechtheid van de verklaring van [eiseres] en haar raadsman, kan de opmerking van Spaarbeleg niet leiden tot een ander oordeel ten aanzien van het causaal verband.

schade

5.14. Vast staat dat [eiseres] 59 maandtermijnen van EUR 113,45 (NLG 250,00) aan Spaarbeleg heeft voldaan, in totaal derhalve een bedrag van EUR 6.693,55. Voorts staat vast dat [eiseres] aan het einde van de looptijd van de overeenkomst een uitkering van EUR 1.207,29 van Spaarbeleg heeft ontvangen. [eiseres] heeft derhalve een bedrag van

EUR 5.486,26 verloren.

5.15. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen.

De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geld zelf, of aan een ander doel, te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

5.16. Gezien het voorgaande merkt de rechtbank het bedrag van EUR 5.486,26 derhalve aan als schade.

eigen schuld

5.17. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren. Voorgaande geldt eveneens voor de informatie die [eiseres] ter beschikking had voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, weergegeven onder rechtsoverweging 5.3.

5.18. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico's van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.19. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico's (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.20. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico's die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.21. Ten aanzien van [eiseres] zijn de volgende omstandigheden van belang.

[eiseres] is geboren op 7 januari 1979 en was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan 22 jaar oud. [eiseres] heeft een HAVO-diploma. Na de HAVO is zij twee maal begonnen aan een HBO-opleiding, maar met beide opleidingen is zij na een half jaar gestopt. Vervolgens is zij gaan werken. [eiseres] heeft bij verschillende automatiseringsbedrijven gewerkt, waar zij diverse functies heeft vervuld. Ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan werkte zij bij Digitel B.V., waar zij als helpdeskmedewerker werkte en voorts een aantal andere werkzaamheden verrichte, waaronder het verzenden van pakketten en het snijden van kabels. Het bruto inkomen van [eiseres] bedroeg in 2001 NLG 45.910,00.

5.22. De rechtbank merkt het opleidingsniveau van [eiseres] aan als gemiddeld. Weliswaar heeft zij gedurende korte tijd een (tweetal) hogere opleiding(en) gevolgd, maar dit bleek kennelijk te hoog gegrepen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om de eigen verantwoordelijkheid die op iedere deelnemer van het SprintPlan rust om de ontvangen informatie zorgvuldig te lezen en om navraag te doen naar de aard en de strekking van het product en meer in het bijzonder de risico's en het rendement ervan, bij [eiseres] zwaarder te laten wegen dan gemiddeld. De rechtbank laat hierbij voorts meewegen dat de jeugdige leeftijd van [eiseres] ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan op een beperkte levenservaring duidt.

De door [eiseres] geschetste persoonlijke omstandigheden ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geven de rechtbank echter ook geen aanleiding om [eiseres] van die eigen verantwoordelijkheid ontslagen te achten. Hoezeer de rechtbank ook begrijpt dat de psychische problemen en het daarmee samenhangende medicatiegebruik bijzonder naar en ingrijpend voor [eiseres] persoonlijk zijn, zijn deze omstandigheden op zichzelf onvoldoende om die eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om [eiseres] te volgen in haar stelling dat deze omstandigheden van invloed waren bij het sluiten van de SprintPlan overeenkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er, zoals Spaarbeleg terecht heeft opgemerkt, verschillende omstandigheden zijn die er op duiden dat [eiseres], ondanks haar psychische problemen en medicatiegebruik, in de periode rondom het sluiten van het SprintPlan maatschappelijk goed functioneerde. Zo staat vast dat [eiseres] in 2000 informatie ingewonnen over een andere overeenkomst die zij met Spaarbeleg had gesloten (de Dividend Fonds Overeenkomst) en waarover zij haar twijfels had, en dat zij die vervolgens in augustus 2000 welbewust heeft opgezegd. Voorts staat vast dat [eiseres] in 2001 een woning heeft gekocht en dat zij steeds een baan heeft gehad.

Alles overziend ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt voor de schadeverdeling. Dat betekent dat 40% van de schade voor rekening van [eiseres] komt en dat Spaarbeleg zal worden veroordeeld om 60% van de schade, derhalve EUR 3.291,60 (60% van EUR 5.486,26) aan [eiseres] te voldoen.

5.23. Anders dan Spaarbeleg stelt, is voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds 60 % van de maandelijks door [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

5.24. Spaarbeleg heeft de rechtbank verzocht de door [eiseres] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis af te wijzen in verband met een mogelijk restitutierisico. De rechtbank wijst dit verzoek af. Het enkele feit dat [eiseres] een uitkering heeft, zoals Spaarbeleg in dit verband heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een restitutierisico. Spaarbeleg heeft voorts aangevoerd dat er een grote kans bestaat dat zij in hoger beroep in het gelijk zal worden gesteld, waarna zij het bedrag tot betaling waarvan zij thans zal worden veroordeeld zal moeten terugvorderen. De rechtbank is echter van oordeel dat het belang van [eiseres] bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van Spaarbeleg bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist. Het vonnis zal daarom (voor zover mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.25. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 251,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.103,31

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres],

6.2. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 3.291,60 (drieduizendtweehonderdéénennegentig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over 60% van de maandelijks door [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot de dag van volledige betaling,

6.3. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.103,31,

6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. en 6.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2008.