Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF4557

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-10-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
16-600334-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en TBS met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600334-08

Datum uitspraak: 2 oktober 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

ingeschreven in het GBA-register en thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsman: mr. T.P. Schut

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 september 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 18 september 2008, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, [het slachtoffer] gewurgd door (met kracht) zijn arm om de nek van [het slachtoffer] te drukken en/of te houden en/of aan die nek te trekken en/of door een (elektriciteits) kabel/snoer, althans een soortgelijk voorwerp, om de nek van [het slachtoffer] strak te trekken, tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden.

Overwegingen omtrent het bewijs

Op zondag 23 maart 2008 troffen familieleden het slachtoffer, {…}, levenloos in de badkamer van zijn woning te Utrecht aan . De schouwarts heeft diezelfde dag de niet natuurlijke dood vastgesteld , waarna sectie-onderzoek heeft plaatsgevonden. Daaruit kwam naar voren dat het slachtoffer is overleden door verstikking als gevolg van hevig (mogelijk langer volgehouden) samendrukkend (en mogelijk ook samensnoerend) geweld ter plaatse van de hals.

Diezelfde dag wordt verdachte aangehouden. Verdachte heeft direct bij de politie bekend dat hij op 21 maart 2008 rond half tien ’s avonds het slachtoffer heeft gewurgd door eerst zijn linkerarm om de nek van het slachtoffer te doen en daarna met kracht aan de nek te trekken. Na twee of drie seconden was, volgens verdachte, het slachtoffer bewusteloos. Daarna heeft verdachte de elektriciteitskabel van een wekkerradio strak om de nek van het slachtoffer gedaan en is daaraan hard gaan trekken tot het slachtoffer niet meer bewoog en niet meer ademde.

De verklaring van verdachte wordt gestaafd door de resultaten van het technisch en tactisch onderzoek in en rond de woning van het slachtoffer.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in casu sprake was van ‘moord’ dan wel ‘doodslag’. De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte handelde met voorbedachte raad.

De rechtbank overweegt dat verdachte meerdere keren zeer gedetailleerd is ondervraagd door de politie omtrent de aanleiding, zijn motief en hetgeen hij voelde op die bewuste dag en avond. Ter terechtzitting heeft verdachte zijn verklaringen bij de politie bevestigd. Verdachte had die dag veel gedronken en geblowd. Hij had meerdere keren om tien euro gevraagd om weed te kopen, maar telkens weigerde het slachtoffer dit geld aan hem te geven. Toen verdachte naar boven ging om voor de derde keer geld te vragen, trof hij het slachtoffer aan in zijn slaapkamer. Het slachtoffer zou op zijn vraag hebben geantwoord dat hij er eerst wat voor moest doen. Daarop is verdachte, volgens zijn verklaring, door het lint gegaan. Alles werd zwart voor zijn ogen en hij voelde de grond onder zijn voeten wegzakken. Hij voelde zich misbruikt, machteloos en hopeloos. Vervolgens is hij in een opwelling van woede naar de nek van het slachtoffer gesprongen.

In één moeite door heeft verdachte vervolgens ook het elektriciteitssnoer gepakt en om de nek van het slachtoffer strakgetrokken.

Gezien het voorgaande is ook naar het oordeel van de rechtbank op geen enkel moment sprake geweest van kalm beraad en rustig overleg alvorens het slachtoffer door verdachte opzettelijk van het leven werd beroofd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan in de zin dat:

hij op 21 maart 2008 te Utrecht opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [het slachtoffer] gewurgd door met kracht zijn arm om de nek van [het slachtoffer] te drukken en te houden en aan die nek te trekken en door een elektriciteitskabel/snoer om de nek van [het slachtoffer] strak te trekken, tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 21 maart 2008 de hele dag samen met [het slachtoffer] geweest. Verdachte en het slachtoffer verkeerden in een situatie waarbij wederzijds van elkaar gebruik werd gemaakt. Het slachtoffer bood verdachte onderdak en verdachte deed het huishouden en verleende het slachtoffer andere diensten. Die dag heeft verdachte alcohol en softdrugs gebruikt. Een opmerking van het slachtoffer zou voor verdachte aanleiding zijn geweest om in woede te ontsteken en het slachtoffer aan te vliegen. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen het door verdachte uitgeoefende geweld. Verdachte heeft gewetenloos en zonder enig respect voor het menselijk leven gehandeld, waardoor het slachtoffer om het leven is gekomen.

De dood van het slachtoffer heeft veel leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden. Daar komt bij dat de dood van [het slachtoffer] grote onrust, onbegrip en afkeer heeft veroorzaakt in de gemeenschap in het algemeen en in zijn directe woon- en werkomgeving in het bijzonder. Gevoelens van angst en onveiligheid worden door dit feit aangewakkerd en versterkt. De rechtbank acht verdachte hiervoor mede verantwoordelijk.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van ‘doodslag’ wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest, en met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het door verdachte gepleegde delict rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naar het oordeel van de rechtbank kan met een gevangenisstraf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, aangezien naar het oordeel van de rechtbank te verwachten is dat de hierna te noemen maatregel, gelet op de stoornis van verdachte, langdurige vrijheidsbeneming met zich zal brengen.

Van de zijde van de verdachte is betoogd -naar de rechtbank begrijpt- dat weliswaar geen sprake is van enige straf- of schulduitsluitingsgrond, maar dat wel als strafverminderend moet worden aangemerkt dat verdachte - kort gezegd - heeft gehandeld vanuit een opgekropte woede als gevolg van met name jarenlang seksueel misbruik door mannen als het slachtoffer.

De rechtbank heeft deze omstandigheden in haar oordeel betrokken, in de zin dat verdachte, ook gelet op de hierna te bespreken rapporten van de deskundigen, als verminderd toerekeningsvatbaar is aan te merken.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in bijzonder acht geslagen op justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor twee gewelddadige misdrijven. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport, gedateerd 5 augustus 2008, van psycholoog drs. P.E. Geurkink en een rapport, gedateerd

9 juli 2008, van psychiater drs. H.A. Gerritsen.

Beide deskundigen komen tot de slotsom dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en schizotypische trekken. Daarnaast is volgens beiden sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van alcohol- en cannabisafhankelijkheid alsmede misbruik van cocaïne. Volgens de psychiater is er een evidente relatie tussen het ten laste gelegde feit en de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling en stoornis. Beide deskundigen komen tot de slotsom dat verdachte het feit in verminderde mate is toe te rekenen. Zij achten de kans groot dat verdachte opnieuw soortgelijke feiten pleegt en komen daarom tot het advies om de maatregel van ter beschikkingstelling op te leggen en het bevel te geven dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, aangezien een intensieve en langdurige klinische behandeling noodzakelijk is.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en volgt hun advies.

Verdachte wordt veroordeeld voor - onder meer - een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de ontastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld. De rechtbank zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging eist.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- de foto's van slachtoffer […] (beslaglijst nr. 1 tot en met 10);

- een rozenkrans (kleur rood) (beslaglijst nr. 18);

- de goederen op de beslaglijst onder nr. 21 tot en met 28,

merkt de rechtbank de erfgenamen van [het slachtoffer] als rechthebbenden aan. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen aan genoemde personen gelasten.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een spelcomputer met toebehoren (beslaglijst nr. 11 tot en met 17, 19 en 20),

zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten.

De vordering van de benadeelde partij [de nabestaanden]

[…](hierna te noemen de nabestaanden) hebben zich als benadeelde partij gevoegd in deze strafzaak. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of zij ontvankelijk zijn.

Als benadeelde partij kunnen zich volgens artikel 51a eerste lid van het Wetboek van Strafvordering voegen in het strafproces, zij die rechtstreekse schade hebben geleden door een strafbaar feit. Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

Artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, dat hier aan de orde is, beoogt bescherming te bieden aan degene die van het leven wordt beroofd, maar niet aan diens nabestaanden. Daarom kunnen de gevorderde schadeposten, die zijn aan te merken als eigen schade van de nabestaanden, niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade.

Onder omstandigheden kunnen nabestaanden wel aanspraak maken op vergoeding van schade, maar alleen dan, indien zij zijn aan te merken als erfgenaam terzake van de onder algemene titel verkregen vorderingen en indien zij zijn aan te merken als personen bedoeld in artikel 6:108 eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, terzake van de daar bedoelde vorderingen (artikel 51a tweede lid van het Wetboek van Strafvordering). De nabestaanden kunnen niet als zodanig worden aangeduid.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de nabestaanden niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart de benadeelde partij [de nabestaanden] niet-ontvankelijk in de vordering.

Gelast de teruggave van:

- de foto's van slachtoffer […] (beslaglijst nr. 1 tot en met 10);

- een rozenkrans (kleur rood) (beslaglijst nr. 18);

- de goederen op de beslaglijst onder nr. 21 tot en met 28, aan de erfgenamen van [het slachtoffer].

Gelast de teruggave van:

- een spelcomputer met toebehoren (beslaglijst nr. 11 tot en met 17, 19 en 20), aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs P.K. van Riemsdijk, voorzitter, M.P. Gerrits-Janssens en Y.A.T. Kruijer, rechters, en mr. A. van Beek als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2008. Mr Kruijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.