Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF3272

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-09-2008
Datum publicatie
29-09-2008
Zaaknummer
SBR 08/2375 en SBR 08/2395
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening betreft de vrijstelling en bouwvergunning, verleend voor de verbouw van een winkelpand tot grandcafé in Woerden. De rechter ziet geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening, maar benoemt wel een aantal aandachtspunten die de gemeente in de beslissing op bezwaar moet betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/2375 en SBR 08/2395

1a

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2008

inzake

[verzoeker A], [verzoeker B] en anderen,

allen wonende te Woerden,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden,

verweerder.

Inleiding

1.1 De verzoeken hebben betrekking op het besluit van verweerder van 24 juli 2008, waarbij aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het verbouwen van een winkelpand tot een grandcafé op het perceel [adres] te Woerden (hierna: het perceel).

1.2 De verzoeken zijn op 12 september 2008 ter zitting behandeld, waar verzoekers [verzoeker A] en [verzoeker B] in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. S.C.A. van Geel en C.T. Vermeulen, beiden werkzaam bij de gemeente Woerden. Vergunninghouder is in persoon verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Het bouwplan voorziet in het realiseren van een grandcafé op de begane grond van het pand op het perceel. De verbouwing zal voornamelijk inpandig plaatsvinden. Het perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Binnenstad 1978” de bestemming winkels en woningen. Tussen partijen is niet in geschil dat het voorgenomen gebruik van het pand in strijd is met dit bestemmingsplan.

2.4 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. De aanvraag om bouwvergunning, die mede is aangemerkt als een verzoek om vrijstelling, is door verweerder ontvangen op 11 december 2007. Hieruit volgt dat in dit geval dient te worden getoetst aan de WRO.

2.5 Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd het besluit van 24 juli 2008 te schorsen en hebben daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat verweerder in strijd met eerder beleid heeft gehandeld door de Meulmansweg als uitbreiding van het concentratiegebeid horeca aan te wijzen. Verder hebben verzoekers aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Zij verwachten onder meer geluid- en parkeeroverlast en daardoor aantasting van hun woon- en leefgenot ten gevolge van de realisering van het bouwplan.

2.6 Het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning is gebaseerd op de door Kuiper Compagnons te Rotterdam opgestelde ruimtelijk onderbouwing van

23 januari 2008. Daarin is gemotiveerd aangegeven dat het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid voldoende aanknopingspunten bieden voor realisatie van het bouwplan. In het Structuur- en Beeldkwaliteitsplan Binnenstad, dat in oktober 2000 is vastgesteld, is de wenselijkheid van uitbreiding van horecavoorzieningen in de binnenstad aan de orde gesteld en is besloten om 500 m² uitbreidingsmogelijkheid voor horeca toe te staan in het centrumgebied, in het bijzonder het gebied rondom het Kerkplein. Deze uitgangspunten zijn tevens verwoord in het voorontwerp bestemmingsplan Binnenstad van 26 oktober 2005. Na realisatie en ingebruikname van de nieuwbouw van het project Hoochwoert is echter gebleken dat in het gebied rondom het Kerkplein in het geheel geen horecafunctie is ingevuld. Om die reden is in de nota Horecabeleid gemeente Woerden, vastgesteld in juni 2007, het zoekgebied voor nieuwe horecavestigingen uitgebreid naar onder andere de Meulmansweg. De Meulmansweg vormt een verbinding tussen de haven en het horeca-concentratiegebied rond het Kerkplein. Om deze route als looproute te versterken worden centrumfuncties aan de Meulmansweg incidenteel toegestaan.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat met de realisering van project Hoochwoert een nieuw plein is gecreëerd met een gemengde bestemming. De loop naar dit plein zit er nog niet goed in en op de route is herhaaldelijk sprake van leegstand van panden. Het onderhavige bouwplan past in het streven de route tussen de haven en het centrumgebied aantrekkelijker te maken en de levendigheid in dit gebied te versterken, aldus verweerder.

2.7 Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat op voorhand onvoldoende aanleiding bestaat voor de conclusie dat de ruimtelijke onderbouwing niet als een deugdelijke onderbouwing van de vrijstelling kan worden aangemerkt. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aanknopingspunten om het beleid om incidenteel horeca, niet zijnde grootschalige horeca als discotheken, (ook) in de Meulmansweg toe staan op zich als kennelijk onredelijk aan te merken. Verweerder was dan ook bevoegd toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.8 De voorzieningenrechter ziet voorts onvoldoende aanleiding om te oordelen dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in dit geval niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorwaarden waaronder de vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend voldoende zijn om een goed woon- en leefklimaat ter plaatse te garanderen en, voor zover het besluit op dit punt aanvulling behoeft, dit bij het te nemen besluit op bezwaar kan worden hersteld.

Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter betrokken dat met betrekking tot de afzuiging-, koeling- en verwarmingselementen op het platte dak, het gebruik van de brandgang aan de achterzijde en het opvullen van de ontluchtingsgaten aan de zijkant van het pand afspraken zijn gemaakt die zijn vastgelegd in een brief van 25 april 2008, die als gewaarmerkte bijlage onderdeel uitmaakt van het besluit van 24 juli 2008. De geluidscapaciteit van de koelaggregaten op het dak zal dienen te voldoen aan de op dit punt geldende normen en de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding ernstig te betwijfelen dat aan die norm kan worden voldaan.

Voorts zullen de luchtbehandelingskast en daarbij horende afzuigmotor zoals blijkt uit de stukken inpandig worden geplaatst en wordt het grandcafé blijkens de bij het bestreden besluit behorende bouwtekeningen en bijlage van 25 april 2008 voorzien van geïsoleerde metaalstudwanden.

Ten aanzien van het laden en lossen is in het bestreden besluit aangegeven dat dit zal worden uitgevoerd door het parkeren van een vrachtwagen aan de overzijde van het grandcafé naast de Marketier, waar vandaan het grandcafé met rolcontainers zal worden bevoorraad. Hierdoor zullen opstoppingen in de Meulmansweg of de Eendrachtstraat worden voorkomen. Mede gelet op de toelichting ter zitting is niet aannemelijk geworden dat deze wijze van bevoorrading zal leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties of onevenredige overlast voor omwonenden met zich zal meebrengen.

Ten aanzien van de vrees voor parkeeroverlast overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat de parkeerdruk in de buurt ten gevolge van het realiseren van het grandcafé zodanig zal toenemen, dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen. Op vijftig meter afstand van het grandcafé bevindt zich een parkeergarage met 500 plaatsen, waar, naar ter zitting is aangegeven, tot 21.00 uur kan worden ingereden en te allen tijde kan worden uitgereden. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat onderhandelingen plaatsvinden over verruiming van de openingstijden van de nabijgelegen parkeergarage.

2.9 Met betrekking tot de ramen van het grandcafé die grenzen aan de tuin van het perceel Haven 2 van verzoeker [verzoeker A] is door vergunninghouder ter zitting toegezegd dat daarin ondoorzichtig glas zal worden geplaatst en dat deze ramen zullen worden geïsoleerd. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat dit als voorwaarde in de te nemen beslissing op bezwaar zal worden opgenomen. Voorts zal verweerder bij dat besluit aandacht dienen te besteden aan de opslag/afvoer van afval. Verweerder gaat er in het besluit vanuit dat vergunninghouder hierover afspraken heeft gemaakt met het aan de overzijde van de weg gelegen Arsenaal, maar van een concrete overeenkomst is niet gebleken. Ten aanzien van de nooduitgang van het grandcafé merkt de voorzieningenrechter op dat uit het advies van de brandweer van 21 januari 2008 blijkt dat deze aan de achterzijde van het pand dient te worden aangebracht. Verweerder heeft ter zitting een bouwtekening getoond waarop deze nooduitgang door de brandweer is aangetekend. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat verweerder in het te nemen besluit op bezwaar het aanbrengen van deze nooduitgang als voorwaarde op zal nemen.

Met betrekking tot het door verzoekers geconstateerde hoogteverschil tussen de drempel van de beoogde nooddeur en de brandgang overweegt de voorzieningenrechter dat het op de weg van verweerder ligt deze situatie voor te leggen aan de brandweer en over de toelaatbaarheid hiervan duidelijkheid te verschaffen in het besluit op bezwaar.

Voorstaande punten behoeven aandacht in de beslissing op bezwaar, maar onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrijstelling en bouwvergunning om die reden niet hadden mogen worden verleend.

2.10 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de verleende vergunning en vrijstelling in de bezwaarprocedure niet in stand zullen kunnen blijven. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. V.N. Sluiter mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op: