Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF1938

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-09-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
SBR 082115 en 082116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vestiging growshop op bedrijventerrein in Utrecht is in strijd met het bestemmingsplan. Geen zicht op legalisatie. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Gemeente Utrecht is bevoegd om handhavend op te treden. Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/2115 en 08/2116

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2008 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

in de zaak van

J. van de Vorstenbosch ,

wonende te Utrecht,

eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 7 juli 2008 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 31 maart 2008 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder eiser aangeschreven om het pand Hudsondreef 12 te Utrecht met ingang van 15 mei 2008 niet langer te (laten) gebruiken voor detailhandel, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,- per week, met een maximum van € 50.000,-.

1.2 Het verzoek is op 9 september 2008 ter zitting behandeld, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van den Hoff, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 08/2116):

2.3 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Overvecht” heeft het perceel Hudsondreef 12 de bestemming “Industrie I”.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van de planvoorschriften, wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen bestemd en gereed voor onmiddellijk gebruik of verbruik anders dan ter plaatse.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn op de op de kaart voor “industrie” aangewezen gronden bestemd voor de vestiging van industriële, ambachtelijke, groothandels- en vervoersbedrijven, waarop de Hinderwet niet van toepassing is of die genoemd zijn in de categorie 1,2 en 3 van de bij deze voorschriften behorende “Staat van Inrichtingen”, de daarvoor benodigde bouwwerken, waaronder dienstwoningen, en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen.

Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van detailhandelsbedrijven, die door de benodigde terrein- of vloeroppervlakte, dan wel door de aard of omvang van de te verhandelen goederen bezwaarlijk in een woongebied of winkelcentrum kunnen worden ondergebracht.

Ingevolge artikel 62 van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel strijdig met de bij dit plan ter plaatse aangegeven bestemming.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het pand gebruikt voor de verkoop aan particulieren van goederen die kunnen worden aangewend voor het starten van een hennepkwekerij. Van groothandelsactiviteiten ter plaatse is geen sprake. Partijen verschillen er evenmin over van mening dat het gebruik van het perceel Hudsondreef 12 voor detailhandelsactiviteiten in strijd is met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat verweerder bevoegd was om eiser aan te schrijven het gebruik te beëindigen.

2.5 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6 Eiser betwist dat er geen concreet zicht op legalisering is. De detailhandelsnota van de gemeente Utrecht biedt volgens hem de mogelijkheid om voor zijn detailhandelsactiviteiten vrijstelling te verlenen. De aard en omvang van zowel het bedrijf als de goederen zijn zodanig dat vestiging in een winkelcentrum niet voor de hand ligt. Volgens eiser handelt verweerder voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder wel vrijstelling of planologische medewerking heeft verleend aan dan wel niet handhavend optreedt tegen vergelijkbare bedrijven die in strijd met de bestemming aan particulieren goederen verkopen.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser geen aanvraag om vrijstelling van de planvoorschriften heeft ingediend en dat verweerder van zijn kant niet bereid is om vrijstelling te verlenen. Verweerder stelt zich in dat kader op het standpunt dat de vestiging van eisers detailhandelsbedrijf niet past in het gemeentelijk beleid om geen detailhandel op industrieterreinen toe te staan. De voorzieningenrechter acht dit standpunt niet onhoudbaar. Onderhavig industrieterrein is weliswaar een locatie waar perifere detailhandel is toegestaan, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan eisers bedrijf daar naar aard en omvang niet onder worden geschaard. Dat in eisers bedrijf goederen worden verkocht die eveneens in tuincentra en bouwmarkten kunnen worden verkocht, leidt er op zichzelf niet toe dat zijn bedrijf daarmee gelijk kan worden gesteld. Bovendien voldoet eisers bedrijf, dat een omvang kent van circa 200 m² niet aan de drempelwaarde van 1500 m² om in aanmerking te komen voor een vrijstelling die verweerder in beginsel aan perifere detailhandelsbedrijven van grotere omvang bereid is te verlenen. De omstandigheid dat er volgens eiser geen goede alternatieve vestigingslocaties voor zijn bedrijf voorhanden zijn, kan, daargelaten dat deze stelling niet nader onderbouwd is, niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op basis waarvan verweerder van handhavend optreden moet afzien.

2.8 Eiser heeft zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel onderbouwd met een overzicht van detailhandelbedrijven die volgens hem in strijd met de planvoorschriften op het industrieterrein aanwezig zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt. Een groot deel van de door eiser genoemde vergelijkbare gevallen heeft betrekking op bedrijven die volumineuze goederen verkopen en die qua oppervlakte een grotere omvang vereisen dan het bedrijf van eiser en daarom als perifere detailhandel kunnen worden aangemerkt. Weliswaar verkoopt de Karwei bouwmarkt evenals eiser grond en goederen van beperkte omvang, maar gelet op het verschil in benodigd vloeroppervlak is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een vergelijkbaar geval. Met betrekking tot de aanwezigheid van de supermarkt aan de Franciscusdreef heeft verweerder aangevoerd dat deze supermarkt krachtens overgangsrecht aanwezig mag zijn. Met betrekking tot de bloemenkiosk, een snackbar en pizzeria, overweegt de voorzieningenrechter dat deze gevallen naar hun aard zodanig afwijken van het bedrijf van eiser dat zij daarom niet vergelijkbaar zijn. Voorts vindt deze verkoop plaats op percelen waarop ingevolge het bestemmingsplan een andere bestemming rust, zodat ook van deze situaties niet gezegd kan worden dat deze met die van eiser vergelijkbaar zijn.

2.9 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 08/2115): 2.10 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr.drs. H. Maaijen mr. D.A.J. Overdijk