Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF1292

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-09-2008
Datum publicatie
18-09-2008
Zaaknummer
236531/ HA ZA 07-1714
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0073, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vraagt schadevergoeding in verband met zijn opname door SNS in haar Incidentenregister, het IVR en het EVR. Omdat de beslissingen van de rechtbank en het Hof dat hij daarin ten onrechte is opgenomen is de verdering toegewezen.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 46
Wet bescherming persoonsgegevens 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2009, 18
JOR 2008/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 236531 / HA ZA 07-1714

Vonnis van 17 september 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.J. Soede,

tegen

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M. Verhoeff.

Partijen zullen hierna [eiser] en SNS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 januari 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 7 april 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Ter verdere uitvoering van hetgeen is bepaald in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) hebben verschillende Financiële instellingen -waaronder SNS- de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna te noemen: de Gedragscode) opgesteld. Als aanvulling daarop hebben de deelnemers aan de Gedragscode het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen (hierna te noemen: het Protocol) opgesteld.

2.2. Het Protocol geeft -onder meer- criteria voor de verwerking van persoonsgegevens in het zogenaamde Incidentenregister, in het zogenaamde Intern Verwijzingsregister (IVR) en in het zogenaamde Extern Verwijzingsregister (EVR). Het Incidentenregister betreft een interne gegevensverzameling waarin de desbetreffende deelnemer incidentgegevens vastlegt. De functie van het IVR is blijkens het bepaalde in artikel 5.1 van het Protocol ‘het vaststellen of een (rechts)persoon is opgenomen in het verwijzingsregister opdat gegevens uit het incidentenregister beschikbaar worden gesteld aan (de organisatie van) de deelnemer’ en blijkens het bepaalde in artikel 6.1 van het Protocol is de functie van het EVR ‘het vaststellen of een (rechts)persoon is opgenomen in het verwijzingsregister opdat gegevens uit het incidentenregister van de deelnemer beschikbaar zijn voor (de organisatie van) de andere deelnemers.’

2.3. Begin 2005 heeft [eiser] een aanvraag voor een hypothecaire geldlening gedaan bij SNS. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft SNS een onderzoek naar [eiser] verricht. Uit dat onderzoek bleek SNS dat [eiser] bij zijn aanvraag een valse werkgeversverklaring had gevoegd, dat [eiser] voorkwam in haar Incidentenregister en dat er een politieonderzoek (BRZ 10) was ingesteld naar valsheid in geschrifte en (poging tot) oplichting door middel van hypotheekfraude door een groep van ongeveer 20 personen, waaronder [eiser]. Dit alles was voor SNS aanleiding de aanvraag af te wijzen.

2.4. Nadat het [eiser] duidelijk was geworden dat hij in de verschillende registers was opgenomen heeft hij met een brief van 7 oktober 2005 aan SNS verzocht –onder meer- om nadere informatie omtrent de reden van opname en haar verzocht hem daaruit te verwijderen. Met de brief van 6 december 2005 heeft SNS [eiser] geïnformeerd over de achtergrond van zijn opname en hem medegedeeld aan het verzoek tot verwijdering niet te zullen voldoen. Ook latere verzoeken daartoe hebben niet tot verwijdering van [eiser] uit de verschillende registers geleid.

2.5. Met het verzoekschrift van 20 februari 2006 heeft [eiser] deze rechtbank, uit hoofde van het bepaalde in artikel 46 Wbp, verzocht SNS te bevelen alle op [eiser] betrekking hebbende gegevens uit de verschillende registers -waaronder het IVR, het EVR, de Externe Verwijzingsapplicatie (EVA) en het register van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH)- te verwijderen. Dit verzoek is door deze rechtbank met de beschikking van 17 mei 2006 toegewezen waarna [eiser] op 26 mei 2006 door SNS uit de verschillende registers is verwijderd.

2.6. Met de beschikking van 18 januari 2007 heeft het Gerechtshof te Amsterdam de beschikking van 17 mei 2006 bekrachtigd.

2.7. [eiser] heeft SNS aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade ten gevolge van zijn opname door SNS in de verschillende registers maar SNS heeft tot op heden geweigerd aansprakelijkheid te erkennen.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. SNS wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [eiser] afschriften te doen toekomen van justificatoire bescheiden waaruit genoegzaam blijkt in welke (exacte) periode(s) de gegevens van [eiser] door of namens SNS opgenomen zijn geweest in haar Incidentenregister en aanverwante (verwijzings-)registers (daaronder begrepen het IVR, EVR, EVA en SFH-register), op straffe van een dwangsom van EUR 250,- voor elke dag of deel van een dag dat SNS na ommekomst van de gestelde termijn in gebreke zal blijven integraal aan de in dezen uit te spreken veroordeling zal voldoen,

2. SNS wordt veroordeeld wegens nadeel dat niet in vermogensschade bestaat aan [eiser] te voldoen een schadevergoeding naar billijkheid ad EUR 10.000,- vermeerderd met de wettelijke rente,

3. voor recht wordt verklaard dat SNS aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn opname door SNS in haar Incidentenregister en aanverwante (verwijzings-)registers (daaronder begrepen het IVR, EVR, EVA en SFH-register),

4. SNS wordt veroordeeld aan [eiser] de onder 3 bedoelde schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

alles met veroordeling van SNS in de kosten van deze procedure.

3.2. SNS voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat SNS op grond van het bepaalde in artikel 49 Wbp gehouden is de door hem geleden schade te vergoeden. Dit artikel bepaalt:

1. Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zijn de volgende leden van toepassing, onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.

2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

3. De verantwoordelijke is aansprakelijk voor de schade of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen van de in het eerste lid bedoelde voorschriften. De bewerker is aansprakelijk voor die schade of dat nadeel, voor zover ontstaan door zijn werkzaamheid.

4. De verantwoordelijke of de bewerker kan geheel of gedeeltelijk worden ontheven van deze aansprakelijkheid, indien hij bewijst dat de schade hem niet kan worden toegerekend.

4.2. Het Protocol kan worden aangemerkt als een bij of krachtens de Wbp gegeven voorschrift zodat SNS op grond van dit artikel 49 Wbp aansprakelijk is voor schade of nadeel door [eiser] geleden ten gevolge van haar handelen in strijd met het Protocol.

4.3. [eiser] stelt dat uit de beschikking van deze rechtbank van 17 mei 2006 en de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 18 januari 2007 reeds volgt dat er door SNS in strijd met die voorschriften is gehandeld. Dit wordt door SNS betwist. Naar zij stelt is in deze beschikkingen slechts aangegeven dat er onvoldoende reden was de gegevens van [eiser] te handhaven. De rechtbank overweegt over deze beschikkingen en de inhoud daarvan als volgt.

4.4. Op grond van het bepaalde in artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht heeft. Dit is analoog van toepassing op beschikkingen waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil (zie HR 30 oktober 1998, NJ 1999, 83) zodat de rechtbank in deze procedure dient uit te gaan van de bindende kracht van hetgeen in die beschikkingen is vervat.

4.5. In de beschikking van de rechtbank van 17 mei 2006 is geoordeeld dat door SNS niet aan de vereisten van artikel 22, lid 2 sub b Wbp is voldaan en de gegevens van [eiser] derhalve niet rechtmatig in het IVR zijn opgenomen. Dit brengt tevens mee, zo is verder geoordeeld, dat de gegevens van [eiser] niet in het EVR hadden mogen worden opgenomen. Het Gerechtshof heeft in haar beschikking van 18 januari 2007 geconcludeerd dat ‘in het middel latend of voor opname in het Incidentenregister en het IVR voorafgaand aan de resultaten van het BZR-onderzoek mogelijk voldoende grond voor SNS bestond’ zij van oordeel is dat de betreffende omstandigheden ‘– in het licht van het bepaalde in artikel 4.1, 4.2 en 6.2 en gezien het feit dat tegen [eiser], na onderzoek, geen strafrechtelijke vervolging is ingesteld- onvoldoende zijn om die opname te handhaven.’

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank dient uit te gaan van de bindende kracht van het oordeel dat de gegevens van [eiser] niet rechtmatig in het IVR en het EVR zijn opgenomen en dat er onvoldoende reden was de gegevens van [eiser] daarin te handhaven. De stelling van SNS dat in deze beschikkingen slechts is aangegeven dat er onvoldoende reden was de gegevens te handhaven kan, gezien de inhoud van die beschikkingen, niet slagen.

4.7. Uitgaande van die bindende kracht staat in deze procedure derhalve vast dat SNS in strijd heeft gehandeld met de bij of krachtens de Wbp gegeven voorschriften en zij dient te worden veroordeeld de daardoor door [eiser] geleden schade te vergoeden.

4.8. Met betrekking tot die schade overweegt de rechtbank dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mogelijk schade heeft geleden gedurende de periode van 4 oktober 2005 (het moment dat hij vernam dat hij in het Incidentenregister was opgenomen) tot 26 mei 2006 (de datum van verwijdering uit dat Incidentenregister en uit het IVR en het EVR). Dat hij mogelijk ook schade heeft door opname in één of meer van de voornoemde registers in de periode vóór 4 oktober 2005, heeft hij evenwel op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Juist gezien zijn stelling dat hij op 4 oktober 2005 (en derhalve niet eerder dan die datum) heeft ontdekt dat zijn gegevens door SNS waren opgenomen in het Incidentenregister, had het op zijn weg gelegen te stellen en aannemelijk te maken dat hij mogelijk door opname vóór die datum ook schade heeft geleden. Dat heeft hij evenwel nagelaten.

4.9. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank de vordering van [eiser] als omschreven onder 3.1. onder 3 in zoverre zal toewijzen dat voor recht wordt verklaard dat SNS aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn opname door SNS in voornoemde registers gedurende de periode van 4 oktober 2005 tot en met 26 mei 2006. Aangezien SNS geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van [eiser] betreffende zijn opname in het EVA en SFH-register (anders dan, zo begrijpt de rechtbank, het verweer tegen de vordering betrekking hebbend op zijn opname in het IVR en het EVR) zal de rechtbank de vorderingen op deze wijze toewijzen voor wat betreft àlle door [eiser] genoemde registers.

4.10. De rechtbank zal de vordering van [eiser] als omschreven in 3.1 onder 1, afwijzen nu [eiser] daarbij geen belang meer heeft. De aansprakelijkheid van SNS heeft immers enkel betrekking op de periode vanaf 4 oktober 2005 en SNS heeft erkend dat [eiser] op 4 oktober 2005 in het Incidentenregister, en vanaf 6 oktober 2005 eveneens in het IVR en het EVR was opgenomen. Of [eiser] ook eerder was opgenomen is voor een verdere beoordeling van zijn vorderingen dan ook niet relevant.

4.11. In 3.1 onder 2 vordert [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 49, lid 2 Wbp veroordeling van SNS tot betaling van een bedrag van EUR 10.000,- wegens nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Hij stelt dit een billijke compensatie te achten voor de aantasting van zijn eer en goede naam, alsmede voor de psychische belasting die het voor hem heeft meegebracht om onterecht opgenomen te zijn en om steeds opnieuw te moeten ervaren dat SNS bleef weigeren hem uit de registers te verwijderen, ondanks alle pogingen en procedures in dat verband. SNS betwist gemotiveerd dat er reden bestaat haar te veroordelen tot vergoeden van deze schade.

4.12. De rechtbank zal bij de beoordeling van dit punt van de vordering aansluiten bij hetgeen is bepaald in artikel 6:106 BW en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie. In dat artikel is - voor zover relevant in het licht van de stellingen van [eiser] - bepaald dat de benadeelde, voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij in zijn eer en goede naam is geschaad of op een andere wijze in zijn persoon is aangetast.

4.13. De rechtbank is van oordeel dat er voor toekenning van enige schadevergoeding op deze grond geen aanleiding bestaat. Enerzijds omdat [eiser] heeft nagelaten feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat er sprake is van aantasting van zijn eer en goede naam. Anderzijds omdat er in de regel in dit soort gevallen weliswaar sprake zal zijn van enig psychisch onbehagen, maar [eiser] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig onder het optreden van SNS heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel, dat kan worden aangemerkt als een zodanige aantasting van zijn persoon dat de toekenning van enige schadevergoeding gerechtvaardigd is. Het door [eiser] gevorderde als hiervoor in 3.1 onder 2 zal dan ook worden afgewezen.

4.14. Voor wat betreft nadeel bestaande uit vermogensschade wettigen de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie dat de door hem geleden schade nog niet (voldoende) kan worden vastgesteld. De enkele mogelijkheid dat het begroten van die schade langere tijd in beslag zal nemen, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de vaststelling van de schade te verwijzen naar een schadestaatprocedure. De omvang van de schade dient in deze procedure te worden vastgesteld.

4.15. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de vorderingen als omschreven in 3.1 onder 1, 2 en 4 (voor wat betreft verwijzing naar de schadestaatprocedure) zal afwijzen en de vorderingen als omschreven in 3.1 onder 3 zal toewijzen voor de periode van 4 november 2005 tot en met 26 mei 2006.

4.16. Omdat de omvang van de schade in deze procedure zal dienen te worden vastgesteld zal [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte nader uit te laten over de hoogte van de door hem geleden schade. SNS zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen. De aktes dienen tot dit onderwerp beperkt te zijn. Daarbij wijst de rechtbank er op dat dit kan leiden tot een aanpassing van het verschuldigde griffierecht.

4.17. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank bepalen dat van dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

4.18. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat SNS aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn opname door SNS in haar Incidentenregister en aanverwante (verwijzings-)registers (daaronder begrepen het IVR, EVR, EVA en SFH-register) gedurende de periode van 4 oktober 2005 tot en met 26 mei 2006,

5.2. wijst af het in 3.1 onder 1 en 2 door [eiser] gevorderde,

5.3. wijst af het in 3.1 onder 4 door [eiser] gevorderde voor zover dat ziet op de vordering om de vaststelling van de schade te verwijzen naar een schadestaatprocedure,

5.4. verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 oktober 2008 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen in nummer 4.16 is vermeld,

5.5. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld,

5.6. houdt alle verdere beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008.