Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF0060

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
08-09-2008
Zaaknummer
SBR 07-3379
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkloosheidswet, verwijtbaar werkloos? Bij wekeneis artikel 17 WW is de vraag naar verwijtbaarheid niet aan de orde. Met betrekking tot de dringende redenen heeft Uwv niet slechts kunnen verwijzen naar de beschikking van de kantonrechter en heeft het Uwv onvoldoende eigen onderzoek uitgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/3379

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2008

inzake

[B],

wonende te [A],

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 november 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 juli 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd aan eiser per 2 april 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 22 mei 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Namens verweerder is verschenen mr. C.F. Sitvast, werkzaam bij het Uwv.

Overwegingen

2.1 Eiser was vanaf 8 april 2002 werkzaam als adviseur bij VPGI Kwaliteitscentrum voor de communicatie-industrie B.V. Bij brief van 23 november 2006 is eiser op staande voet ontslagen. Eiser heeft bij brief van 29 november 2006 de nietigheid van dit ontslag ingeroepen. De kantonrechter heeft bij beschikking van 29 januari 2007 de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 februari 2007, omdat er sprake was van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat een vruchtbare arbeidsverhouding tussen partijen niet meer mogelijk was. De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien aan de ontbinding een vergoeding ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verbinden, waarbij heeft meegewogen dat de werkgever heeft aangegeven bereid te zijn het loon over de periode 23 november 2006 tot 1 februari 2007 door te betalen.

2.2 Eiser had vervolgens een projectdienstverband voor bepaalde tijd (12 februari 2007 tot en met 1 april 2007) bij Hot Item. Aangezien het project eerder eindigde dan gepland, is op 21 februari 2007 het ontslag overeengekomen, waarna eiser een WW-uitkering bij verweerder heeft aangevraagd. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft verweerder geweigerd deze uitkering toe te kennen.

2.3 Verweerder heeft in het thans bestreden besluit eisers bezwaar ongegrond verklaard en de eerdere weigering een WW-uitkering toe te kennen in stand gelaten. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden vanuit zijn voorlaatste dienstbetrekking en dat de bij deze werkgever gewerkte weken niet mogen worden meegeteld voor de beoordeling of er recht is op een WW-uitkering. Nu eiser slechts zeven weken recht heeft opgebouwd uit zijn laatste dienstbetrekking, wordt niet voldaan aan de wekeneis van artikel 17 van de WW, aldus verweerder.

2.4 Ingevolge artikel 17, onderdeel a, van de WW ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in de 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.

Ingevolge het tweede lid van artikel 17a van de WW wordt voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 weken, de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2.5 De rechtbank overweegt dat verweerder als eerste werkloosheidsdag heeft vastgesteld 2 april 2007. Uit de gedingstukken blijkt - en tussen partijen is ook niet in geschil - dat eiser in de 36 weken voorafgaand aan deze dag meer dan 26 weken heeft gewerkt (bij Hot Item en VPGI). In de wettekst noch in de toelichting daarop ziet de rechtbank aanknopingspunten voor verweerders standpunt dat bij de beoordeling of wordt voldaan aan de in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW neergelegde wekeneis, het al dan niet verwijtbaar werkloos worden, een rol speelt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de in artikel 17 van de WW neergelegde entree-eis een dwingendrechtelijke bepaling bevat waaraan niet voorbij mag worden gegaan. Het toetsen van een aanvraag aan artikel 17 van de WW moet derhalve volgens de systematiek van de wet aan de orde komen voorafgaande aan de toets aan artikel 24 (verwijtbare werkloosheid) van de WW.

2.6 Gezien het voorgaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet voldeed aan de wekeneis. De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken en gelet op het bepaalde in artikel 17 van de WW vast dat in beginsel een recht op uitkering is ontstaan. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste grondslag en komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

2.7 De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder in het bestreden besluit wel is ingegaan op de vraag of eiser al dan niet verwijtbaar werkloos is geworden en zijn beslissing mede op grond van de artikelen 24 en 27 van de WW heeft genomen. De vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is, is het voornaamste geschilpunt tussen partijen. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven.

2.8 Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verplicht te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW wordt de uitkering blijvend geheel geweigerd indien de werknemer een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, ten derde, opgelegd niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel kan het Uwv besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 7:678, eerste lid, van het BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

2.9 Eiser voert aan dat volgens de door verweerder vastgestelde "Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006" (verder: de Beleidsregels) elke beëindiging van de dienstbetrekking waarbij het initiatief is genomen door de werkgever tot niet-verwijtbare werkloosheid leidt, tenzij sprake is van een dringende reden of een benadelingshandeling. In casu ligt het initiatief bij de werkgever en zijn de uitzonderingssituaties niet aan de orde zodat het bestreden besluit alleen al om die reden niet in stand kan blijven. Daarnaast wijst eiser er op dat de kantonrechter de dringende reden terzijde heeft geschoven en de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden op basis van verstoorde arbeidsverhoudingen.

2.10 In paragraaf 1 van de toelichting op de Beleidsregels wordt vermeld dat het Uwv bij elk einde van een dienstbetrekking zal vaststellen of het initiatief tot die beëindiging van de werkgever of van de werknemer is gekomen. Als dat initiatief bij de werkgever ligt, wordt alleen onderzocht of er een arbeidsrechtelijke dringende reden voor de werkgever aanwezig was om werknemer te ontslaan. Als wordt vastgesteld dat hiervan sprake was, en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt, is er sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW.

2.11 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser een dringende reden aanwezig was en heeft hiervoor verwezen naar de beschikking van de kantonrechter en naar het eigen uitgevoerde onderzoek.

2.12 Conform vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2006, www.rechtspraak.nl, LJN AX8866) kan het Uwv slechts dan bij de toetsing van het al dan niet verwijtbare karakter van de werkloosheid de door de kantonrechter vastgestelde feiten overnemen en een eigen onderzoek achterwege laten, als alle in het kader van die toetsing benodigde feiten uit de in de procedure bij de kantonrechter gewisselde stukken voldoende blijken. Dit veronderstelt dat het Uwv de beschikking heeft gehad over alle bij de kantonrechter gewisselde stukken waaruit die feiten naar voren zijn gekomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2007, www.rechtspraak.nl, LJN BA 3578).

2.13 Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerders besluit de toetsing aan bovenstaande eisen niet doorstaan. Tussen de gedingstukken die verweerder ten behoeve van de onderhavige zaak bij deze rechtbank heeft ingediend, bevindt zich een incompleet verweerschrift uit de arbeidsrechtelijke procedure. Verder ontbreekt de dagvaarding. De gevolgen van het feit dat, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard, verweerder wel over het volledige dossier uit de arbeidsrechtelijke procedure heeft beschikt doch dat sommige stukken in het ongerede zijn geraakt, wat daarvan ook zij, komen voor verweerders rekening. Ten aanzien van de door de kantonrechter vastgestelde feiten overweegt de rechtbank dat uit de beschikking van de kantonrechter valt op te maken dat VPGI het ontslag op staande voet ter zitting heeft ingetrokken. Niet duidelijk is waarom en hoe VPGI daartoe is gekomen. Vervolgens heeft VPGI verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond van een dringende reden, subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter heeft - kort weergegeven - overwogen dat "voldoende aannemelijk is dat de verhouding tussen partijen zodanig verstoord is geraakt dat een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is" en "dat voldoende duidelijk is dat Bouwmans in overwegende mate zelf een verwijt treft dat het zo gelopen is". De rechtbank overweegt dat hieruit niet blijkt van een gemotiveerd oordeel over het al dan niet bestaan van een dringende reden. Weliswaar heeft de kantonrechter dit oordeel gestaafd met verwijzingen naar het functioneren van eiser, maar deze conclusies worden door eiser betwist.

2.14 In het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak over de betekenis van een beschikking van de kantonrechter, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de door de kantonrechter vastgestelde feiten, maar had hij eigen onderzoek moeten doen naar het bestaan van een dringende reden.

2.15 Wat betreft het door verweerder uitgevoerde eigen onderzoek stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen op basis van uitsluitend dossieronderzoek. Uit het oogpunt van de vereiste zorgvuldigheid had het echter op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de relevante feiten en omstandigheden. Pas als een volledig beeld bestaat van de aard en de ernst van de gedraging, én van de overige relevante omstandigheden, kan immers een afweging plaatsvinden en een oordeel worden gevormd over het al dan niet bestaan van een dringende reden. In casu heeft verweerder geen contact opgenomen met de voormalige werkgever van eiser terwijl daartoe wel aanleiding bestond nu eiser de feitelijke gang van zaken gemotiveerd heeft betwist. In dit verband wijst de rechtbank bijvoorbeeld op de verschillende visies van de voormalige werkgever en eiser op het functioneren van eiser en de onduidelijkheid over de door eiser gemaakte zakenreis, al dan niet gecombineerd met een korte vakantie. Het bestreden besluit is ook op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.16 Het voorgaande brengt mee dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven. Verweerder zal een nieuwe beslissing op eisers bezwaarschrift moeten nemen en in dat kader hernieuwd moeten onderzoeken en motiveren of zich in dit geval een dringende reden voordoet die eiser te verwijten valt.

2.17 Gelet op het voorgaande is er reden om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast zal verweerder het door eiser betaalde griffierecht moeten vergoeden.

2.18 Eiser heeft verder op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht verweerder te veroordelen in de door hem geleden schade. De rechtbank is van oordeel dat er thans geen grond is voor toewijzing van dit verzoek. Het is thans immers nog niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja, in welke omvang schade is geleden ten gevolge van de onrechtmatig bevonden beslissing op bezwaar. Eerst aan de hand van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal hierover uitsluitsel kunnen worden verkregen. Verweerder dient bij het nieuw te nemen besluit tevens aandacht te besteden aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er termen aanwezig zijn om de door eiser gestelde schade te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 19 november 2007;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uwv aan eiser;

3.5 bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven als voorzitter en mr. G.J. van Binsbergen en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2008.

De griffier: De rechter:

mr. M.H.L. Debets mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.