Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BF0054

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-09-2008
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
221443/ HA ZA 06-2579
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 221443 / HA ZA 06-2579

Vonnis van 10 september 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. C. Beijer,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Eisers zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2], dan wel gezamenlijk [eiser c.s.] worden genoemd. Gedaagde zal Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 februari 2008,

- de akte overlegging producties aan de zijde van Spaarbeleg,

- de antwoordakte aan de zijde van [eiser c.s.]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3 Bij het hiervoor onder 1.1 genoemde tussenvonnis van 20 februari 2008 heeft de rechtbank Spaarbeleg in de gelegenheid gesteld om bij akte in het geding te brengen de op de achterzijde van de inschrijfformulieren afgedrukte samenvattingen van de algemene voorwaarden, eventueel met een korte toelichting op die producties.

[eiser c.s.] zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren bij antwoordakte.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds/AEGON garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag al dan niet volledig kan worden terugbetaald.

2.2 Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal. De rechtbank acht de formulering van de voor de beoordeling relevante passages in dit informatiemateriaal inmiddels bekend en zal in dit vonnis niet opnieuw tot het citeren hiervan overgaan.

2.3 De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1 [eiser c.s.] hebben gesprekken gevoerd met de heer [X] van “de Spaarbelegger” te Alkmaar. Daarna heeft [eiser sub 2] op 13 september 1999 een SprintPlan inschrijfformulier ingevuld (productie 8 conclusie van antwoord) en is op 1 oktober 1999 de (eerste) SprintPlan overeenkomst onder nummer 073.69.92.065 tot stand gekomen. Dit SprintPlan had een looptijd van 60 maanden, derhalve tot 30 september 2004. [eiser sub 2] heeft 60 maandtermijnen van elk € 181,51 (= f. 400,-) voldaan, of wel in totaal € 10.890,72. [eiser sub 2] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

3.2 [eiser sub 1] heeft op 8 januari 2000 eveneens SprintPlan inschrijfformulier ingevuld (productie 9 conclusie van antwoord). De (tweede) SprintPlan overeenkomst is op 13 januari 2000 tot stand gekomen onder nummer 074.16.25.075. Ook dit SprintPlan had een looptijd van 60 maanden, eindigend op 31 januari 2005. [eiser sub 1] heeft 60 maandtermijnen van elk € 90,76 (= f. 200,-) voldaan, of wel in totaal € 5.445,60. [eiser sub 1] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

3.3 [eiser sub 1] heeft op 7 maart 2000 wederom een SprintPlan inschrijfformulier ingevuld (productie 10 conclusie van antwoord). De (derde) SprintPlan overeenkomst is op 13 januari 2000 tot stand gekomen onder nummer 074.16.25.075. Ook dit SprintPlan had een looptijd van 60 maanden, eindigend op 3 april 2005. [eiser sub 1] heeft 60 maandtermijnen van elk € 188,77 (= f. 416,-) voldaan, of wel in totaal € 11.326,35. [eiser sub 1] heeft na afloop van de overeenkomst geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

4. Het geschil

4.1 [eiser c.s.] vorderen - kort en zakelijk weergeven - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,

- Spaarbeleg veroordeelt tot (terug-)betaling van de door [eiser sub 2] aan Spaarbeleg betaalde termijnen ter zake van de eerste SprintPlan overeenkomst ad € 10.890,73 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de diverse termijnbetalingen,

- Spaarbeleg veroordeelt tot (terug)betaling van de door [eiser sub 1] aan Spaarbeleg betaalde termijnen ter zake van de tweede en derde SprintPlan overeenkomsten ad in totaal € 16.771,71 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de diverse termijnbetalingen,

- te verklaren voor recht dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser c.s.], en Spaarbeleg veroordeelt tot schadevergoeding nader op te maken bij staat,

- Spaarbeleg veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten groot € 1.158,00,

- Spaarbeleg veroordeelt in de kosten van de procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling daarvan niet binnen veertien dagen plaatsvindt,

- Spaarbeleg te veroordelen tot betaling van de nakosten ad € 131,00, dan wel in dien betekening van het vonnis plaatsvindt ad € 199,00.

4.2 Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De samenvatting van de algemene voorwaarden

5.1 In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 20 februari 2008 reeds verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB 7971) en naar de overweging van het Gerechtshof dat het door Spaarbeleg aan de deelnemers toegezonden ‘welkomspakket’ met informatie betreffende het SprintPlan pas door de deelnemer is ontvangen, nadat de SprintPlan overeenkomst reeds tot stand was gekomen. Het Gerechtshof heeft daarom slechts in zijn oordeel betrokken een voor het sluiten van de overeenkomst aan de deelnemers door Spaarbeleg verstrekte brochure betreffende het SprintPlan en de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden.

5.2 Wat betreft de eerste SprintPlan overeenkomst is niet in geschil is dat [eiser c.s.] gebruik hebben gemaakt van het SprintPlan inschrijfformulieren. Spaarbeleg heeft bij akte na tussenvonnis kopieën van drie bij de verschillende inschrijfformulieren behorende samenvattingen van de algemene voorwaarden overgelegd. Spaarplan stelt dat deze op de achterzijde van het daarbij behorende inschrijfformulier stonden afgedrukt.

5.3 Aangezien Spaarplan niet de originele inschrijfformulieren van [eiser c.s.] in het geding heeft gebracht, is niet te verifiëren dat op de achterzijde van die formulieren de samenvattingen stonden afgedrukt, aldus [eiser c.s.] Op die grond betwisten [eiser c.s.] dat op de achterzijde van alle door hun ingevulde inschrijfformulieren samenvattingen stonden afgedrukt. Daarnaast heeft de heer [X] na invulling de inschrijfformulieren deze weer meegenomen, waardoor zij niet konden controleren of op de achterzijde daarvan een samenvatting van de algemene voorwaarden stond afgedrukt, aldus nog steeds [eiser c.s.] Ook is het zeer wel mogelijk dat de heer [X] eigen kopieën van inschrijfformulieren heeft gebruikt, waarop de achterzijde de samenvatting ontbrak.

5.4 Waar [eiser c.s.] zelf stellen dat zij hun inschrijfformulieren, behoudens het invullen daarvan, niet verder te hebben gecontroleerd, valt niet zonder meer in te zien, dat, in afwijking van de door Spaarbeleg gebruikte formulieren, op de achterzijden van de drie door [eiser c.s.] ingevulde inschrijfformulieren de samenvattingen van de algemene voorwaarden steeds ontbraken. De stelling dat [X] mogelijkerwijs eenzijdig gekopieerde formulieren zou hebben gebruikt, is niet verder onderbouwd. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat ook op de achterzijde van de door [eiser c.s.] ingevulde inschrijfformulieren, de samenvattingen -zoals gebruikelijk- stonden afgedrukt.

5.5 Bij de beoordeling van wat [eiser c.s.] op het moment dat [eiser sub 2] de eerste SprintPlan overeenkomst sloot, wisten of konden weten, zal de rechtbank uitgaan van de samenvatting van de algemene voorwaarden behorende bij het eerste inschrijfformulier. Deze wijken overigens inhoudelijk niet of nauwelijks af van de samenvattingen behorende bij het tweede en derde formulier. Dat zij niet de gelegenheid hebben genomen om het inschrijfformulier te controleren en kennelijk hebben toegestaan dat de heer [X] het formulier na invulling en ondertekening meenam, dient voor hun risico te blijven.

Primaire grondslag: Vernietiging op grond van dwaling

5.6 [eiser c.s.] hebben aangevoerd dat hen bij de gesprekken met [X] voorafgaand aan de eerste SprintPlan overeenkomst is voorgespiegeld dat er totaal geen risico’s aan de overeenkomst verbonden zouden zijn en dat zelfs de maandelijkse betalingen geen gevaar zouden lopen, omdat deze zijn afgedekt door het Garantiefonds. De heer [X], handelde, aldus [eiser c.s.] hierbij, als tussenpersoon van Spaarbeleg, zodat diens handelingen op grond van artikel 6:76 Burgerlijk Wetboek (BW) aan Spaarbeleg moeten worden toegerekend. Spaarbeleg heeft [eiser c.s.] derhalve niet, althans onvoldoende gewezen op de aanwezige risico’s. Zij gingen uit van een spaarproduct.

5.7 De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, onder meer nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het Garantiefonds. De rechtbank nam de tekst van de algemene voorwaarden hierbij als uitgangspunt. Echter, in navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze algemene voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst. Zoals gezegd is het uitgangspunt de informatie die [eiser c.s.] hebben ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming ervan. Wat betreft de SprintPlan overeenkomsten gaat het in het onderhavige geval, dan om de samenvatting van de algemene voorwaarden op de achterzijde van het inschrijfformulier, waarvan [eiser c.s.] kennis hadden kunnen nemen voorafgaand aan het sluiten van de eerste en derhalve ook aan de tweede en de derde overeenkomst. Daarin staat met zoveel woorden dat de aankoopsom voor de participaties door Spaarbeleg wordt gefinancierd en dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag een rentevergoeding is voor de door Spaarbeleg betaalde aankoopsom. De participaties worden op naam van de stichting SpaarbelegGiro gesteld en die gaat deze voor risico en rekening van de deelnemer houden. Na afloop van het SprinPlan vindt de eindafrekening plaats en indien het saldo daarvan negatief is dient de deelnemer bij te betalen.

5.8 De rechtbank is van oordeel dat [eiser c.s.] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om in het onderhavige geval van dit oordeel af te wijken. [eiser c.s.] mocht worden verwacht dat zij de samenvattingen zouden lezen. Voor zover al aan Spaarbeleg moet worden toegerekend dat [eiser c.s.] op grond van de voorspiegelingen van de heer [X] op het verkeerde been zijn gezet en ten onrechte zijn uitgegaan van een risicoloos spaarproduct, heeft te gelden dat [eiser c.s.] zelf door kennisneming van de nadien - maar vóór het sluiten van het eerste SprintPlan -, door Spaarbeleg verstrekte samenvatting reeds de eventuele onjuistheid in de door de heer [X] gegeven informatie, hadden kunnen ontdekken. Als zij dan toch stellen te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, omdat zij dachten dat zij gingen sparen, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor hun eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen.

5.9 Het beroep van Spaarbeleg op verjaring van [eiser c.s.]’ beroep op dwaling kan derhalve onbesproken blijven.

Subsidiaire grondslag: Wanprestatie of onrechtmatig handelen

schending zorgplicht:

5.10 Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006 LJN AZ0660, geoordeeld dat zij de schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerkenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Voor zover de vordering is gegrond op deze grondslag wordt deze afgewezen.

5.11 [eiser c.s.] hebben gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hen - [eiser c.s.] - niet volledig te informeren over de aard van en de aan het SprintPlan verbonden specifieke risico’s, zoals het volledig kwijt raken van de inleg na ommekomst van de overeenkomst. Daarnaast stellen [eiser c.s.] dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de financiële positie van [eiser sub 1] en hun beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen.

5.12 De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten; het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.13 Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser c.s.] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende bescheiden (in casu gesprekken met [X], het inschrijfformulier en de algemene toegezonden brochure) te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico's geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser c.s.] geverifieerd of zij al die denkstappen hadden gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan product wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser c.s.] Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Evenmin kan daaraan afdoen het beroep van Spaarbeleg op de brief van [eiser sub 1] aan Spaarbeleg d.d. 31 mei 2000 (productie 4 conclusie van antwoord), waarin [eiser sub 1] in de bres springt voor [X], die dreigde zijn provisie van Spaarbeleg mis te lopen, door te verklaren dat [X] hem op overtuigende wijze uitleg en advies had gegeven. Immers daaruit blijkt niet dat [X] wel heeft voldaan aan de hiervoor weergegeven criteria.

causaal verband

5.14 Spaarbeleg stelt dat het causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg ontbreekt. Daartoe voort zij het volgende aan. Aannemelijk is dat [eiser c.s.] de SprintPlan overeenkomsten ook gesloten zouden hebben indien zij wel afdoende bekend waren geweest met de aard en de omvang van de risico’s. Spaarbeleg doelt daarbij op de volgende omstandigheden. [eiser c.s.] hadden vóór het afsluiten van het tweede SprintPlan wel de beschikking over het informatiemateriaal van Spaarbeleg en hadden daarin discrepanties hadden ontdekt met de door de heer [X] gegeven uitleg. Desondanks hebben zij een tweede en een derde SprintPlan afgesloten. Bovendien waren zij, blijkens de hiervoor genoemde brief van 31 mei 2000 lovend over het advies van de heer [X].

5.15 [eiser c.s.] betwisten dat zij van SpaarBeleg ooit een welkomspakket hebben ontvangen, omdat alles verliep via de heer [X]. Het informatiemateriaal waarop Spaarbeleg kennelijk doelt, zijn de eindafrekeningen en de jaaroverzichten, maar niet ook een welkomspakket. Pas na het ontvangen van de eindafrekeningen, bleek dat de uitleg en het advies van de heer [X] onjuist was, omdat er wel risico’s verbonden waren aan een SprintPlan. [eiser c.s.] stellen dat zij de overeenkomst niet zouden zijn aangegaan, indien zij waren gewezen op de bijzondere risico’s van de overeenkomsten. [eiser c.s.] zijn de SprintPlan overeenkomsten aangegaan om te voorzien in een oudedagsvoorziening.

5.16 De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband ontbreekt. Het gaat hierbij om het causaal verband tussen de schending van de hiervoor bedoelde op Spaarbeleg rustende zorgplicht en de schade van [eiser c.s.] [eiser c.s.] hebben gesteld dat hun doel met het SprintPlan was, het opbouwen van een oudedagsvoorziening en dat zij nooit aan een SprintPlan waren begonnen als hen duidelijk zou zijn geweest welke risico’s daaraan verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser c.s.] daarmee voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de SprintPlan overeenkomsten niet zouden hebben afgesloten, indien Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan. Uit de omstandigheden die Spaarbeleg in dit verband aanvoert, leidt de rechtbank niet af Spaarbeleg aan haar zorgplicht heeft voldaan en dus ook niet of [eiser c.s.] afdoende op de risico’s zijn gewezen door Spaarbeleg of de heer [X].

schade

5.17 De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971) alsmede in het recente arrest van het Hof Arnhem van 1 april 2008 (LJN BC9484), ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is voldoende aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Voorop staat dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de deelnemer een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de deelnemer niet vrij om het geld zelf, of aan een ander doel, te besteden. De lening staat dus niet op zich zelf maar maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van het door Spaarbeleg aangeboden product. Indien de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de deelnemer dus ook het onderdeel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de deelnemer het product zodanig heeft doorgrond dat hij zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de deelnemer het risico van het verloren gaan van de rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de rente in beginsel als schade tengevolge van het aan Spaarbeleg verweten onrechtmatig handelen voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Bevestiging van dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (gewezen door prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. J.B. Fleers, mr. S.P.G. van Hooijdonk, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. G.St. Panjer, mr. A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw) en in het arrest van het Hof Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN BA5684).

Evenzeer gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat de inleg van [eiser c.s.] niet geheel afkomstig was uit hun eigen vermogen, waartoe zij verwijst naar het als productie 5 bij conclusie van antwoord overgelegde bankafschrift. Uit dat bankafschrift leidt Spaarbeleg af dat [eiser c.s.] gelden, ontvangen van [naam], hebben aangewend voor een betaling aan het SprinPlan. [eiser sub 1] heeft hierover verklaard ter terechtzitting dat [naam] zijn dochter is met wie hij toentertijd een gezamenlijk een spaarrekening hield, die op haar naam stond. Het van die rekening overgeboekte geld, was afkomstig uit zijn eigen (spaar)vermogen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze toelichting van [eiser sub 1].

eigen schuld

5.18 In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren. Voorgaande geldt eveneens voor de informatie die [eiser c.s.] thans ter beschikking had voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, weergegeven onder rechtsoverweging nr. 5.7 .

5.19 De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade, door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten, wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.20 Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.21 Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.22 Ten aanzien van [eiser c.s.] zijn de volgende omstandigheden gesteld dan wel gebleken. Zij hebben 14 jaar in Zuid–Afrika gewoond, waar [eiser sub 1] een eigen onderneming leidde. In 1986 zijn zij nagenoeg zonder middelen teruggekeerd naar Nederland, waar van Loosbroek wederom een goedlopende eigen onderneming heeft weten op te zetten. [eiser sub 1] was ten tijde van het sluiten van het eerste bezoek van de heer [X] 69 jaar oud en nog steeds werkzaam in zijn eigen onderneming. [eiser sub 2] was toen rond de 60 jaar. Zij hebben zich gezamenlijk laten adviseren door de heer [X]. [eiser sub 1] heeft een academische opleiding en is civiel ingenieur. Het inkomen uit de onderneming van [eiser sub 1] liet toe dat [eiser c.s.] een eigen huis konden aanschaffen en dat hun drie kinderen in de Verenigde Staten konden studeren. De studiekosten bedroegen circa f 24.000,- per jaar per kind, of wel in totaal tussen de f 500.000,- en f 600.000,-. [eiser c.s.] hebben hun eigen woning verkocht voor € 47.000,- aan hun dochter, om zodoende de toekomstige successierechten over hun nalatenschap te drukken. In het jaar 2000 genoot [eiser sub 1] een belastbaar inkomen van f 163.000,-. [eiser c.s.] leven thans van een AOW pensioen, met twee kleine aanvullende pensioenen.

5.23 De rechtbank zal in het toerekenen van voormelde omstandigheden uitgaan van de gezamenlijkheid van [eiser c.s.] De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden - zoals die waren ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst en dan vooral gelet op de aspecten leeftijd, inkomenspositie en opleidingsniveau - aanleiding om naar onder af te wijken van haar hiervoor weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling. De rechtbank zal 60% van de schade voor rekening van [eiser c.s.] laten en 40% voor rekening van Spaarbeleg brengen. In deze afwijkende verdeling heeft de rechtbank tevens verdisconteerd het door [eiser c.s.] erkende, maar niet nader geadstrueerde, fiscale voordeel tot en met 2001. Aan [eiser sub 2] is derhalve toewijsbaar € 4.356,29 en aan [eiser sub 1] € 6.708,68.

Meer subsidiaire grondslag: Ontbreken vergunning WCK leidt tot nietigheid,

Uiterst subsidiaire grondslag : Ontbreken vergunning WCK leidt tot schadevergoedingsplicht Aegon.

5.24 De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Het Hof Arnhem heeft op 4 december 2007 (LJN BB9779) overeenkomstig geoordeeld. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Evenmin bestaat grond voor toewijzing van een schadevergoeding wegens het ontbreken van een vergunning. Daarom wordt de vordering van Van Loosdrecht c.s. voor zover gebaseerd op de stelling dat Spaarbeleg voor de SprintPlan-overeenkomst een Wck vergunning nodig had, afgewezen.

Rente en kosten

5.25 Anders dan Spaarbeleg stelt, is voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente geen ingebrekestelling vereist, nu sprake is van onrechtmatig handelen. De door [eiser c.s.] gevorderde wettelijke rente komt derhalve eveneens voor toewijzing in aanmerking over steeds 40 % van de maandelijks door [eiser c.s.] uit hoofde van de overeenkomsten aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling.

5.26 De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II worden afgewezen. [eiser c.s.] hebben hun stelling dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel) herhaalde aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel en het op gebruikelijke wijze samenstellen van een dossier, op geen enkele wijze onderbouwd.

5.27 De rechtbank stelt bij de beoordeling van de verdeling van de proceskosten de geschonden zorgplicht door Spaarbeleg boven de mate van eigen schuld. Dientengevolge wordt Spaarbeleg als de overwegend in het ongelijk gestelde partij aangemerkt. De kosten aan de zijde van [eiser c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding € 84,87

- overige explootkosten € 0,00

- vast recht € 635,00

- getuigenkosten € 0,00

- deskundigenkosten € 0,00

- overige kosten € 0,00

- salaris procureur € 1.447,50 (= 2,5 x tarief II {€ 579,00}) +

Totaal € 2.167,37

5.28 De gevorderde veroordeling in nakosten moet worden afgewezen, nu in artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het verhaal van deze kosten een bijzondere procedure is voorgeschreven.

5.29 De rechter die het tussenvonnis van 20 februari 2008 heeft gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1 verklaart voor recht dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser c.s.],

6.2 veroordeelt Spaarbeleg om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] te betalen € 4.356,29 (vierduizenddriehonderdvijfendertig euro en negenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over 40% van de maandelijkse, door [eiser sub 2] uit hoofde van de overeenkomsten aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betalingen tot aan de dag van de algehele voldoening,

6.3 veroordeelt Spaarbeleg om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 1] te betalen € 6.708,68 (zesduizendzevenhonderdacht euro en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over 40% van de maandelijkse, door [eiser sub 1] uit hoofde van de overeenkomsten aan Spaarbeleg betaalde bedragen, telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betalingen tot aan de dag van de algehele voldoening,

6.4 veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten aan de zijde van [eiser c.s.] tot op heden begroot op € 2.167,37 (tweeduizendéénhonderdzevenenzestig euro en zevenendertig cent) en, ingeval Spaarbeleg niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis heeft voldaan aan deze veroordeling, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van de algehele voldoening,

6.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2008.