Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9343

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
SBR 08/2467
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Velvergunning ten behoeve van de ontwikkeling van een woningbouwlocatie in Leidsche Rijn, Utrecht. Verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/2467 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2008

inzake

[verzoekster],

wonende te Utrecht,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 8 juli 2008 waarbij aan de

gemeente Utrecht, projectbureau Leidsche Rijn (hierna: vergunninghoudster), een velvergunning is verleend voor een aantal bomen ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouwlocatie Grauwaart, fase 1, te Utrecht, Leidsche Rijn.

1.2 Het verzoek is op 22 augustus 2008 ter zitting behandeld, waar verzoekster in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. de Keijzer, C.M. van der Weele en J. Korssen, allen werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Vergunninghoudster heeft een aanvraag om een velvergunning, gedateerd 13 maart 2008, ingediend voor 301 bomen ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouwlocatie Grauwaart, fase 1, in de omgeving Verlengde Vleutenseweg (ter hoogte van de huisnummers 34 en 36) en Sportpark Hogeweide. Vergunninghoudster heeft in de aanvraag aangegeven dat het betreffende terrein zal worden ingericht als woningbouwlocatie, en dat ten behoeve van het bouwrijpmaken onder andere een ophoging zal plaatsvinden. De bomen moeten geveld worden omdat deze op de locatie van toekomstig te bouwen woningen, aan te leggen wegen en aan te leggen watergangen staan.

2.4 In het bestreden besluit is aangegeven dat door een verlegging van de weg langs Park Grauwaart de velvergunning ziet op een geringer aantal bomen. De velvergunning is verleend voor 57 solitaire bomen, 129 bomen in de bosvakken AA tot en met EE, en de bomen in het gearceerde gedeelte van bosvak FF, zijnde 25% van het totale bestand bomen in vak FF, conform een gewaarmerkte specificatie die bij de velvergunning is gevoegd.

2.5 Op grond van artikel 85, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 88, eerste lid, van de APV kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van stadsschoon;

e. waarden van recreatie en leefbaarheid;

f. de beeldbepalende waarde van de boom.

In artikel 89, eerste lid, van de APV is bepaald dat tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2.6 Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd het besluit te schorsen en heeft daarbij aangegeven dat haar verzoek zich ook richt op de bomen van fase 2. Ter zitting heeft verzoekster te kennen te gegeven te weten dat alleen fase 1 van de ontwikkeling van Grauwaart, fase 1 in de onderhavige procedure aan de orde is, zodat fase 2 buiten beschouwing dient te blijven. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter hier niet op fase 2 ingaan.

2.7 Verzoekster betoogt dat de beoordeling van de bomen onvolledig en onzorgvuldig geweest. Zij heeft de door haar geuite twijfel aan de beoordeling van de waarde en de inpasbaarheid van de te vellen bomen evenwel niet nader onderbouwd. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting geven ook geen steun voor haar stelling dat deze waarden onvoldoende zijn onderzocht. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend onderzoek naar de waarden van de bomen in bosvak FF onzorgvuldig en onvolledig is geweest. Deze grond slaagt niet.

2.8 Verzoekster voert aan dat de velvergunning voor 215 bomen onvoldoende specifiek is.

De voorzieningenrechter overweegt dat in de velvergunning (inclusief bijlagen) wordt vermeld dat het om 57 solitaire bomen, 129 bomen in de bosvakken AA t/m EE, en 25% van de 112 bomen in bosvak FF gaat. Ter zitting heeft verweerder dit gespecificeerd tot een totaal van 216 bomen, waarvan maximaal 28 bomen in bosvak FF. Voorts heeft verweerder aangegeven dat bosvak FF een bosplantsoen betreft dat indertijd als een windhaag is geplant ten behoeve van de naastgelegen sportvelden. Het betreffende bosplantsoen is niet in beheer geweest van de gemeente Utrecht en bestaat uit een dooreen en hier en daar ineen gegroeide combinatie van aangeplante struiken en bomen en overgewaaide zaailingen. De bomen die deel uitmaken van dit bosplantsoen zijn mede door de verstrengelde wortelvakken niet goed (te beschrijven en) te tellen. Het valt verder niet uit te sluiten dat in één geval sprake is van een eik in plaats van een es en dat de inventarisatie op dat punt niet correct is.

Aannemelijk is geworden dat de inventarisatie van de bomen van bosvak FF wat betreft aantallen en soorten van de bomen niet op alle punten volledig nauwkeurig is. Deze onnauwkeurigheid kan in de nog te nemen beslissing op bezwaar worden hersteld. Gelet daarop en op de beperktheid van de onnauwkeurigheid ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding op dit punt een voorziening te treffen.

2.9 Verzoekster vraagt zich af of de weg door bosvak FF niet op een andere wijze gerealiseerd kan worden, waardoor het hele bosvak kan worden behouden.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de door verweerder gegeven toelichting blijkt dat eerst na ampele overweging tot de geprojecteerde wegaanleg is besloten. De ligging van de noord-zuidverbinding is zeer precies bepaald op basis van een optimum van ruimtelijke en verkeerskundige waarden. De in de weg aangebrachte knik spaart bomen, voorkomt een ongewenste kruising met de fietsboulevard en dwingt de automobilisten tot een andere route. Voor waarschijnlijk 4 bomen in bosvak FF zal bovendien bij de wegaanleg nog worden bezien of de afstand tot de weg ruimte voor hun behoud biedt.

De voorzieningenrechter is op grond van het verhandelde ter zitting niet gebleken dat de door verzoekster genoemde alternatieve route, behalve dat deze meer bomen spaart, gelijkwaardig is aan het nu gekozen verloop van de weg. Ook anderszins is niet op voorhand aannemelijk geworden dat het kappen van de bomen bij de keuze voor een alternatief voorkomen had kunnen worden. Deze grond slaagt dus niet.

2.10 Het vellen van een aantal bomen is volgens verzoekster in strijd met de Cultuurhistorische Effect Rapportage Leidsche Rijn uit 1995.

De voorzieningenrechter overweegt dat in de betreffende rapportage een onderscheid is gemaakt tussen gebieden waarbij rekening moet worden gehouden met de cultuurhistorische waarden ervan, en gebieden waarbij daarmee rekening kan worden gehouden. Park Grauwaart en de voormalige oprijlaan naar boerderij Grauwaart hebben in de rapportage de hoogste waardering, te weten 'zeer belangrijk' gekregen en dienen bewaard te blijven. Voor de hier in geding zijnde percelen geldt die kwalificatie niet. Voorts is niet gebleken dat de hier in geding zijnde velvergunning de loop van de Oude Rijn verstoort. De grond faalt derhalve.

2.11 Verzoekster brengt naar voren dat er bij de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van omwonenden.

De voorzieningenrechter overweegt dat de belangen van omwonenden in artikel 88 van de APV niet als mogelijke weigeringsgrond worden vermeld. Voorts wordt in dit artikel beleidsvrijheid toegekend aan verweerder. Dit betekent dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij de beoordeling van de belangenafweging die bij de toepassing van deze bevoegdheid heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft in het onderhavige geval een afweging gemaakt tussen de belangen die worden gediend met de woningbouw in Grauwaart enerzijds en het belang van het behoud van de bomen anderzijds. Verweerder heeft onderkend dat de bomen een beeldbepalende waarde en natuur- en milieuwaarde hebben, maar heeft het belang van doorgang van de woningbouw zwaarder laten wegen.

Dat verweerder niet in redelijkheid tot deze afweging heeft kunnen komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

2.12 Tenslotte is verzoekster van mening dat aan de velvergunning ten onrechte geen herplantplicht is verbonden.

Uit het bepaalde in artikel 89, eerste lid, van de APV blijkt dat verzoekster er ten onrechte vanuit is gegaan dat sprake is van een herplantplicht. Verweerder heeft voorts te kennen gegeven dat er met de realisatie van de woningbouw in Grauwaart in het onderhavige plangebied 100 bomen in fase 1 worden aangeplant. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Deze grond faalt derhalve eveneens.

2.13 De voorzieningenrechter ziet, gelet op het bovenstaande en mede gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op

26 augustus 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

A. Heijboer mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op: