Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9336

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
16/600570-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich onder invloed van een overmaat aan alcohol samen met een ander schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/600570-08; 16/442214-08 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 26 augustus 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

Raadsman: mr. J. Michels.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 augustus 2008.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt onder parketnummer 16/600570-08

- na wijziging - tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 11 mei 2008 te Lopik, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn

mededader(s) die [aangever 1] (meermalen)(met kracht)(met geschoeide

voet) op/tegen het hoofd/gezicht geschopt en/of getrapt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 11 mei 2008 te Lopik, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken kaak,

neusfractuur en/of diverse andere breuken in het gelaat), heeft toegebracht,

door tezamen en in vereniging met één of meer anderen voornoemde [aangever 1]

opzettelijk meermalen (met kracht)(met geschoeide voet) op/tegen het

hoofd/gezicht te trappen/schoppen;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 11 mei 2008 te Lopik, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt

heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn

mededader(s) die [aangever 1] (meermalen)(met kracht)(met geschoeide

voet) op/tegen het hoofd/gezicht geschopt en/of getrapt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2008 te Lopik met een ander of anderen, op of aan

de openbare weg, Vogelzangsekade, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van

die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of die [aangever 3];

Onder parketnummer 16/442214-08 wordt bovenbedoelde gedagvaarde persoon tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 13 april 2008 te IJsselstein, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 4], in het gezicht, althans tegen

het hoofd heeft gestompt/geslagen, waardoor voornoemde [aangever 4] letsel heeft

bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

2. De beoordeling van het bewijs

2.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 16/442214-08 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

2.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder parketnummer 16/600570-08 ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Dit geldt in de opvatting van de verdediging ook voor hetgeen verdachte onder parketnummer 16/442214-08 wordt verweten, met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat de aangever ook letsel heeft bekomen.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de onder parketnummer 16/600570-08 ten laste gelegde feiten leidt de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Het staat vast dat getuige [getuige 1] in de nacht van 10 op 11 mei 2008 in Lopik na een incident op het fietspad met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gebeld, omdat zij in elkaar geslagen zou zijn. Vervolgens komt verdachte samen met [medeverdachte 1] ter plaatse om - zoals verdachte ter zitting heeft verklaard - verhaal te halen.

Aangever [aangever 2] heeft verklaard in zijn gezicht te zijn geslagen door één van de verdachten. Hij heeft ook een vinger in zijn oog gevoeld. Aangever [aangever 3] ziet dat aangever [aangever 1] door beide verdachten wordt geslagen en op de grond valt. Hij ziet ook dat beide verdachten met geschoeide voeten tegen het hoofd van [aangever 1] schoppen. Daarna lopen de verdachten naar hem en aangever [aangever 2], waarna [aangever 2] op zijn rechteroog wordt gestompt en hij op zijn achterhoofd wordt geslagen.

De getuige [getuige 2] heeft aangegeven gezien te hebben dat de verdachten op haar vriend [aangever 1] afvliegen en dat hij van hen beiden klappen krijgt. Van één van de verdachten krijgt [aangever 1] een dusdanig harde stoot dat hij op de grond valt. [aangever 1] heeft verklaard dat deze klap door [medeverdachte 1] is gegeven. [aangever 1] was hierna buiten bewustzijn. Toen deze net weer aan het bijkomen was gaf één van de verdachten met geschoeide voet een schop tegen het hoofd van [aangever 1].

Getuigen [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] op [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] in ging slaan. Toen [aangever 1] op de grond lag bleef verdachte op hem doortrappen, waardoor hij bewusteloos raakte, aldus [getuige 3]. Toen [aangever 1] ging zitten, gaf verdachte hem een trap tegen het hoofd, precies onder zijn kaak. [aangever 1] ging direct weer neer en er kwam bloed uit zijn mond. Dit laatste wordt ook bevestigd door getuige [getuige 1].

Aangever [aangever 1] heeft blijkens de medische informatie een oogkasfractuur, gebroken banden van zijn linkerkaakholte en kneuzingen aan zijn gelaat en lichaam opgelopen. Daarbij is het onbekend of volledig herstel mogelijk is.

Ter zitting heeft verdachte bekend tegen het hoofd van aangever [aangever 1] te hebben getrapt. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard samen met [verdachte] naar een door [getuige 1] aangegeven groepje te zijn gerend en naar een van hen te hebben uitgehaald. Diezelfde jongen heeft hij daarna met een vuist geslagen en goed geraakt, waarna deze op de grond viel. Zij wilden verhaal halen zegt [medeverdachte 1] bij de politie.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanmerkelijke kans dat het geweld tot de dood had kunnen leiden nog het volgende.

Het aangezicht, de schedel, de slapen, de nek en het strottenhoofd zijn uiterst kwetsbare onderdelen van het menselijk lichaam. Geweld daartegen kan tot fatale gevolgen leiden, met name wanneer het slachtoffer het bewustzijn heeft verloren. Herhaaldelijk en fors trappen tegen het hoofd kan dan ook dodelijk zijn, te meer omdat daarbij moeilijk kan worden voorkomen dat deze kwetsbare onderdelen worden geraakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte en zijn mededader door herhaaldelijk te schoppen en te slaan tegen het hoofd van een op de grond liggend bewusteloos slachtoffer, zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans op een fatale afloop.

Op grond van alle verklaringen, zoals hiervoor vermeld, en de feiten en de omstandigheden zoals deze uit het dossier naar voren komen is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met zijn medeverdachte gepoogd heeft aangever [aangever 1] van het leven het beroven. Er is duidelijk sprake van een gezamenlijk optreden met het gezamenlijke doel om verhaal te halen voor wat eerder die nacht had plaatsgevonden in zake [getuige 1]. Daaraan doet niet af dat met een fiets naar medeverdachte [medeverdachte 1] is gegooid, nu dit naar het oordeel van de rechtbank een reactie is geweest op de dreiging en de agressie die van beide verdachten uitging terwijl zij naar de aangevers toerenden.

Daarbij staat voor de rechtbank vast dat door beiden fors geweld is toegepast tegen aangever [aangever 1], waarbij meerdere malen tegen diens hoofd is getrapt. De (mogelijke) gevolgen hiervan komen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van beide verdachten. Beiden hebben rekening kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat [aangever 1] zou komen te overlijden door het toegepaste geweld.

Voorts acht de rechtbank op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte en zijn mededader openlijk geweld hebben gepleegd tegen de aangevers [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3]. Vast staat dat zij beiden een aandeel in het op de openbare weg gepleegde geweld hebben gehad.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/442214-08 ten laste gelegde feit leidt de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Verdachte heeft ter zitting verklaard op 13 april 2008 te IJsselstein een slaande beweging te hebben gemaakt naar een jongen. Op grond van de aangifte van [aangever 4] dat hij van een door de politie afgevoerde jongen een klap tegen zijn rechterwang heeft gekregen - en daarvan pijn heeft ondervonden - en de bevindingen van de politie dat verdachte [aangever 4] heeft geslagen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangever [aangever 4]. /

2.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

(parketnummer 16/600570-08)

1.

Primair

op 11 mei 2008 te Lopik, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [aangever 1] van

het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet als volgt

heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, en zijn mededader die [aangever 4] meermalen

met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 11 mei 2008 te Lopik met een ander, aan de openbare weg, Vogelzangsekade,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2]

en [aangever 3], welk geweld bestond uit het slaan en stompen van die [aangever 1] en

[aangever 2] en die [aangever 3];

(parketnummer 16/442214-08)

op 13 april 2008 te IJsselstein, opzettelijk mishandelend [aangever 4], in het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [aangever 4] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 primair, 2 en onder parketnummer 16/442214-08 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. De strafbaarheid

3.1. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van poging tot doodslag;

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/600570-08 onder 2 bewezenverklaarde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/442214-08 bewezenverklaarde:

Mishandeling.

3.2. De strafbaarheid van de verdachte

Over de verdachte is een gedragskundig rapport opgemaakt, gedateerd 19 juni 2008, door drs. M.L.I.M. van Thiel, psychiater. In het onderzoek werden door de psychiater geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte. Naar het oordeel van de psychiater heeft verdachte de ten laste gelegde feiten gepleegd onder invloed van overmatig alcoholgebruik. Verdachte kan geacht worden de risico’s en gevolgen van zijn extreem alcoholgebruik te hebben kunnen beseffen. De psychiater concludeert dat verdachte ten tijde van het onder parketnummer 16/600570-08 ten laste gelegde toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusie van de psychiater, te weten dat verdachte toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, en neemt deze conclusie over.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

4. De strafoplegging

4.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in de straftoemeting dient te worden meegewogen dat verdachte first offender is en dat er van het gooien met de fiets naar verdachte en de medeverdachte enige provocatie is uitgegaan. Ook dient in de straftoemeting het alcoholgebruik van verdachte te worden meegewogen, in die zin dat dit in de opvatting van de verdediging tot verminderde toerekeningsvatbaarheid leidt. De verdediging heeft voorgesteld verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht, een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde en een taakstraf.

4.2.1. Verzoek opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, nu uit het rapport van de reclassering blijkt dat de kans op recidive aanwezig is, maar als klein moet worden beschouwd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder invloed van een overmaat aan alcohol samen met een ander schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld op de manier zoals in de bewezenverklaring is omschreven. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit geweld moet worden gekwalificeerd als bruut en volstrekt disproportioneel. Naast de ernstige medische consequenties, die naar het zich thans laat aanzien wellicht van blijvende aard zijn, leert de ervaring dat delicten als de onderhavige de oorzaak van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij het directe slachtoffer zijn, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 1]. Dit soort uitgaansgeweld heeft ook een enorme invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie neemt hierdoor steeds grotere vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al tot veel dodelijke slachtoffers geleid. De rechtbank rekent verdachte zijn handelwijze zwaar aan en wijst erop dat het nog veel erger had kunnen aflopen.

Een strafoplegging zoals door de raadsman voorgesteld doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank acht evenwel een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft daarbij gelet op de inhoud van het rapport van Centrum Maliebaan d.d. 7 juli 2008. In de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder is veroordeeld ziet de rechtbank aanleiding om enigszins af te wijken van de door de officier van justitie geformuleerde eis.

De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis, nu de bezwaren en de gronden die tot de voorlopige hechtenis hebben geleid thans nog aanwezig zijn en de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijke belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis prevaleert boven het persoonlijke belang van verdachte om op vrije voeten te worden gesteld.

5. De benadeelde partijen

5.1. De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 en 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1.426,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.100,00 wegens immateriële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de posten 12 en 13 is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten. De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.100,00 en de materiële schade wordt begroot op € 876,00. De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1.976,00 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

5.2. De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder parketnummer 16/600570-08 onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 379,85 wegens materiële schade en een bedrag van € 600,00 wegens immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder parketnummer 16/600570-08 onder 2 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 600,00 en de materiële schade wordt begroot op € 379,85. De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 979,85 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 47, 57, 141, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7. DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 primair, 2 en onder parketnummer 16/442214-08 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 16/600570-08 onder 1 primair, 2 en onder parketnummer 16/442214-08 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van

24 (VIERENTWINTIG) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (ACHT) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 1.976,00 (zegge duizendnegenhonderdzesenzeventig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door de mededader is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het hiervoor onder 5.1. omschreven gedeelte van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.976,00 (zegge duizendnegenhonderdzesenzeventig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 39 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of de mededader dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of de mededader voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 979,85 (zegge negenhonderdnegenenzeventig euro en vijfentachtig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door de mededader is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 979,85 (zegge negenhonderdnegenenzeventig euro en vijfentachtig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of de mededader dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of de mededader voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Muller, A. Wassing en M.P. Gerrits-Janssens, bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2008.