Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9253

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
16/618029-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

416 sr en 2 Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/618029-06; 16/611273-05 (TUL)

Datum uitspraak: 11 juli 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. A.J. Kiela.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

27 juni 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is nadere omschrijving en wijziging van de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 20 juni 2007 toegestaan. Voorts is de vordering wijziging tenlastelegging van feit 3 ter terechtzitting van 27 juni 2008 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering nadere omschrijving en wijziging van de tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging van 27 juni 2008 zijn kopieën als bijlagen I, II en III aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit, nu het Openbaar Ministerie misbruik heeft gemaakt van de procesorde.

De raadsman komt tot deze conclusie nu de officier van justitie de rechtbank onjuist heeft voorgelicht door ter terechtzitting van 20 juni 2007 mede te delen dat de benadeelde partijen niet waren opgeroepen terwijl de vorderingen van de benadeelde partijen pas 1 en 2 augustus 2007 zijn ingediend en het Openbaar Ministerie de zaak op zijn beloop heeft gelaten. De raadsman is van mening dat wanneer het misbruik maken van de procesorde niet mocht leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, hiermee rekening moet worden gehouden bij de strafbepaling.

De officier van justitie is van mening dat het lang heeft geduurd voordat de zaak weer op zitting staat en dat de voorfase niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat dit niet de niet- ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg dient te hebben. Er is sprake geweest van een ongelukkige gang van zaken. De officier van justitie op de terechtzitting van 20 juni 2007 heeft de rechtbank niet bewust onjuist voorgelicht door mede te delen dat de benadeelde partijen nog moesten worden opgeroepen. De slachtoffers waren op 20 juni 2007 nog niet in kennis gesteld van het feit dat zij zich konden voegen in het proces.

De rechtbank is van oordeel dat schendingen van de beginselen van een goede procesorde onder omstandigheden kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, met name wanneer het Openbaar Ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort doet diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak. Daarvan is in casu niet gebleken, zodat het verweer van de raadsman derhalve wordt verworpen.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair en subsidiair, 6 en 7 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt voorts ter zake van feit 1, 2 primair als volgt:

Ten aanzien van deze feiten bestaan enige aanwijzingen dat verdachte daar bij is betrokken, zoals telefoontaps rond het tijdstip van een van de inbraken of het aantreffen van gestolen voorwerpen, maar onvoldoende om op basis daarvan te kunnen concluderen dat verdachte daadwerkelijk de dader is.

De rechtbank overweegt voorts ter zake van feit 3 als volgt:

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte op het moment van het verkrijgen van de goederen wist of moest vermoeden dat de telefoon, het paspoort en de giropas van diefstal afkomstig waren, de verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt voorts ter zake van de feiten 4, 6 en 7 primair en subsidiair als volgt:

Nadat er in bijna twee jaar tijd ruim 300 inbraken waren gepleegd in de wijken […] en […] in Amersfoort is de politie onderzoek “Azië” gestart. De politie verdacht een groep personen die werkte in wisselende samenstelling van deze inbraken. Een klein deel van deze inbraken wordt aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] verweten omdat, op grond van tapgesprekken, ten aanzien van hen de verdenking is ontstaan dat zij hebben getracht om van misdrijf afkomstige goederen op de markt te brengen. De goederen genoemd in de verschillende tapgesprekken kunnen echter naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid worden gekoppeld aan concrete inbraken. Onvoldoende andere bewijsmiddelen zijn voorhanden die verdachte als dader duiden, de verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt voorts ter zake van feit 5 primair en subsidiair als volgt:

Bij een geuridentificatieproef bleek een geurovereenkomst tussen de verdachte en de bestuurderszitplaats van de gestolen Ford Ka personenauto.

Geuridentificatie kan leiden tot een verdenking van een strafbaar feit en kan onder omstandigheden als ondersteunend bewijs bijdragen aan het bewijs, de rechtbank is echter van oordeel dat het niet kan dienen als dragend bewijsmiddel, nu er in deze zaak geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 2 subsidiair, 8 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld, namelijk dat

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

hij omstreeks 19 december 2006 te Amersfoort een sigarettenautomaat en een (grote) hoeveelheid rookwaar voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Ten aanzien van feit 8:

hij in de periode van 20 oktober 2006 tot en met 17 november 2006 te Amersfoort, opzettelijk heeft verkocht, ongeveer 25 XTC-pillen, bevattende MDEA, MDMA en MDA (XTC), zijnde MDEA, MDMA en MDA (XTC) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Ten aanzien van feit 9:

hij op 18 december 2006 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,78 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de bewijsmiddelen vermeld in het ambtsedige proces-verbaal PL0940/06-016845C alsmede op de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 18 december 2006 te Amersfoort werden 52 pakjes sigaretten aangetroffen van merken afkomstig uit de automaat . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij jongens weg zag rennen, de deur van café Replay open zag staan en een sigarettenautomaat zag liggen. Hij heeft de sigarettenautomaat mee naar huis genomen en opengebroken. Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat er een sigarettenautomaat uit zijn café is gestolen.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de verdachte wist dat de sigaretten van diefstal afkomstig waren en zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van feit 8:

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij medio oktober 2006 contact heeft opgenomen met de verdachte om 25 XTC-pillen te kopen. Verdachte heeft [medeverdachte 2] daarop gezegd dat hij wel wat kan regelen en vervolgens heeft verdachte laten weten dat hij het had geregeld. Begin november 2006 heeft De Ruig de 25 XTC-pillen van de verdachte in Amersfoort gekocht. Hij heeft € 20,00 voor de pillen betaald aan de verdachte. De kwaliteit van de pillen was goed. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij door de verdachte in 2006 werd gebeld met de vraag of hij pillen had. Hij heeft toen geregeld dat een jongen 25 XTC-pillen van goede kwaliteit aan de verdachte heeft verkocht.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van feit 9:

Op 18 december 2006 werd bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in Amersfoort 10,78 gram cocaïne aangetroffen . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de cocaïne voorhanden heeft gehad.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Opzetheling

Ten aanzien van feit 8:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 9:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 2 primair, wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 primair, 6, 7 primair, 8 en 9 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 150,00 gevorderd ten aanzien van immateriële schade, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3], te weten een bedrag van € 150,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke werkstraf wordt gelast.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat het ad informandum gevoegde strafbare feit ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank wordt gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met dat feit rekening houdt.

Nu verdachte het feit heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met het ad informandum gevoegde feit, zoals vermeld op blad 5 in bijlage II, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Dit is een ergerlijk feit waardoor hij meewerkt aan de instandhouding van gepleegde criminaliteit.

Voorts heeft de verdachte 25 XTC-pillen verkocht en 10,78 gram cocaïne in zijn woning aanwezig gehad. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder meer vanwege de met de verkrijging gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Daarnaast heeft hij een busje CS-gas in zijn woning aanwezig gehad.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 juni 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 19 februari 2007, opgemaakt door M.J.T. Tijhuis, reclasseringswerker.

De rechtbank acht, alles afwegende, onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu de verdachte van de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair en subsidiair, 6 en 7 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 6 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 6 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 7 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 7 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 25 november 2005 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 10 december 2005.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke werkstraf wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten de hiervoor bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke werkstraf van 40 uren te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht, gelasten.

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14g, 47, 57, 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair en subsidiair, 6 en 7 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 subsidiair, 8 en 9 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van DRIE MAANDEN.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 3] niet ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van parketnummer 16/611273-05:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf, voor de duur van 40 uren te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 25 november 2005.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Wagenmakers, J.F. Dekking en Y.A.T. Kruyer, bijgestaan door mr. S.L.D. Marx als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2008.