Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9249

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
252392 / KG ZA 08-743
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is een onder het oude recht door de gemeente gevestigd voorkeursrecht op grond van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening van rechtswege vervallen. Interpretatie van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 252392 / KG ZA 08-743

Vonnis in kort geding van 27 augustus 2008

in de zaak van

1. A,

wonende te ,

hierna te noemen: “A”,

2. B,

wonende te ,

hierna te noemen: “B”,

3. C,

hierna te noemen: “C”,

wonende te ,

eisers,

hierna gezamenlijk aan te duiden als ”A c.s.”,

procureur mr. J.M. van Noort,

advocaat mr. J.F. de Groot te Amsterdam,

tegen

MR AJ. BLOKHUIS,

kantoorhoudende te IJsselstein,

gedaagde,

hierna te noemen: “Blokhuis”,

verschenen in persoon.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 juli 2008,

- de producties 1 tot en met 7 van A c.s.,

- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2008,

- de pleitnota van A c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. A en B zijn eigenaar van een woonhuis met schuur, ondergrond, erf, tuin, grasland, boomgrond en verdere aan en toebehoren gelegen aan de [adres] te IJsselstein, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] (hierna te noemen: “het woonhuis met grond”).

2.2. Bij schriftelijke koopovereenkomst van 5 juli 2005 hebben A en B het woonhuis met grond aan C verkocht.

In artikel 3 van deze koopovereenkomst is – samengevat – bepaald dat de akte van levering ten overstaan van notaris mr. AJ. Blokhuis of diens plaatsvervanger verbonden aan het kantoor Blokhuis & Akkermans Notarissen te IJsselstein zal worden gepasseerd op een datum gelegen tussen 1 mei 2006 en 1 mei 2008.

2.3. Op 21 december 2005 heeft het Bestuur Regio Utrecht voor het grondgebied van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Maarssen, Nieuwegein, Utrecht, Vianen, IJsselstein en Zeist het door A c.s. als productie 6 in het geding gebrachte Regionale Structuurplan 2005 – 2015 (hierna te noemen: “het Regionale Structuurplan”) vastgesteld.

2.4. Bij besluit van 20 maart 2008 heeft de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein op grond van het Regionale Structuurplan een voorkeursrecht gevestigd op de aan A en B in eigendom toebehorende grond.

2.5. Op 30 januari 2008 hebben A en B een nieuwe woning gekocht, welke woning op 8 april 2008 aan hen is geleverd. A en B wonen op dit moment in deze nieuwe woning.

2.6. Bij brief van 17 juli 2008 heeft een kantoorgenoot van de advocaat van A c.s.,

mr. A de Snoo, Blokhuis verzocht om medewerking te verlenen aan de levering van het woonhuis met grond aan C.

Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het door de Gemeente IJsselstein bij besluit van 20 maart 2008 gevestigde voorkeursrecht op grond van artikel 9.4.1 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) van rechtswege is vervallen.

2.7. Bij brief van 18 juli 2008 heeft Blokhuis geantwoord dat hij de conclusie dat het voorkeursrecht van de Gemeente IJsselstein van rechtswege is vervallen niet zonder meer kan volgen en dat hij daarom geen uitvoering kan geven aan het verzoek om medewerking te verlenen aan het passeren van de leveringsakte.

3. Het geschil

3.1. A c.s. vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, Blokhuis wordt veroordeeld om uiterlijk drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering van het woonhuis met grond aan C door middel van het opstellen, verlijden en inschrijven van de hiervoor benodigde akte waarin de voetverklaring als bedoeld in artikel 24 Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) is opgenomen, dit op straffe van een dwangsom.

3.2. A c.s. legt – samengevat – het volgende aan deze vordering ten grondslag.

Het door de gemeente IJsselstein bij besluit van 20 maart 2008 gevestigde voorkeursrecht op de aan A en B in eigendom toebehorende grond is op grond van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro van rechtswege vervallen. Blokhuis is gelet op artikel 21

Wet op het Notarisambt dan ook verplicht om mee te werken aan de levering van het woonhuis met grond aan C en om in de leveringsakte de voetverklaring als bedoeld in artikel 24 Wvg op te nemen.

3.3. Blokhuis betwist dat het bij besluit van 20 maart 2008 door de gemeenteraad van IJsselstein op de grond gevestigde voorkeursrecht op grond van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro van rechtswege is vervallen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat Blokhuis alleen verplicht is om de door A c.s. gevorderde medewerking te verlenen indien het voldoende aannemelijk is dat er op het woonhuis met grond geen voorkeursrecht van de gemeente IJsselstein rust.

4.2. Vaststaat dat de gemeenteraad van de Gemeente IJsselstein bij besluit van 20 maart 2008 een voorkeursrecht heeft gevestigd op de aan A en B in eigendom toebehorende grond en dat zij dit heeft gedaan op grond van het op 21 december 2005 vastgestelde Regionale Structuurplan.

4.3. Dit voorkeursrecht is gevestigd op grond van artikel 2 van de Wet voorkeursrechten gemeenten zoals die tot 1 juli 2008 luidde (hierna te noemen: “Wvg (oud)”).

4.4. Op grond van artikel 2 lid 4 Wvg (oud) gold een dergelijk voorkeursrecht voor een bij het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht te stellen termijn van ten hoogste twee jaar, met dien verstande dat deze termijn éénmaal met een termijn van ten hoogste één jaar kon worden verlengd. Het voorkeursrecht verviel onder de Wvg (oud) niet van rechtswege.

Indien niet tijdig een opvolgend plan werd vastgesteld dan dienden burgemeester en wethouders nog een apart besluit te nemen voordat de eigenaar weer vrij was te verkopen aan een ander dan de gemeente.

4.5. Met ingang van 1 juli 2008 kan de gemeenteraad niet langer een voorkeursrecht vestigen op grond van een (regionaal) structuurplan omdat de figuur van het (regionale) structuurplan door de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet langer bestaat. Het (regionale) structuurplan is in de Wro vervangen door de structuurvisie.

4.6. Op grond van de Wvg (zoals die vanaf 1 juli 2008 luidt) kan een voorkeursrecht onder meer worden gevestigd op gronden die zijn begrepen in een structuurvisie. Een op grond van een structuurvisie gevestigd voorkeursrecht vervalt – anders dan onder het oude recht het geval was – van rechtswege drie jaar na vaststelling van de structuurvisie, tenzij voor dat tijdstip een bestemmingsplan of projectbesluit is vastgesteld (zie artikel 9 lid 3 Wvg).

4.7. Het overgangsrecht dat in verband met de aanpassing van de Wvg van toepassing is, is opgenomen in hoofdstuk IX van de Invoeringswet Wro.

4.8. In het onderhavige geval is aan de orde de interpretatie van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro. Dit artikel luidt als volgt:

Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet. De termijn, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar en vijf maanden waarbij de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen.

4.9. A c.s. stelt zich, met een beroep op dit artikel op het standpunt dat het bij besluit van 20 maart 2008 gevestigde voorkeursrecht van de gemeente IJsselstein van rechtswege is komen te vervallen. Volgens A c.s. is in dit artikel – kort gezegd – bepaald dat een vóór 1 juli 2008 op basis van een structuurplan gevestigd voorkeursrecht twee jaar en vijf maanden na de vaststelling van dat structuurplan vervalt, met dien verstande dat deze termijn door de gemeenteraad met één jaar kan worden verlengd.

A c.s. kan niet in deze interpretatie van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro worden gevolgd. Dit wordt als volgt gemotiveerd.

4.10. Artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro luidde, zoals blijkt uit het Voorstel van wet, dat is vastgesteld op 24 januari 2007 (Kamerstuk 2006-2007, 30938, nr. 2, Tweede Kamer), in eerste instantie als volgt:

Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van de werkingsduur van een dergelijk besluit blijft artikel 2, vierde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing met dien verstande dat gedurende de eerste vijf maanden na dat tijdstip de werkingsduur van een met toepassing van artikel 2, vierde lid, laatste volzin, verlengd aanwijzingsbesluit nog met achttien weken wordt verlengd.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 2006-2007, 30938, nr. 3, Tweede Kamer) is

met betrekking tot deze bepaling het volgende vermeld:

Ten aanzien van de werkingsduur wordt in het eerste lid voor voorkeursrechten, gevestigd voor inwerkingtreding van deze wet op grond van een structuurplan, bepaald dat de termijn uit artikel 2, vierde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals die thans luidt, van toepassing blijft. Hiermee wordt de verwachting van de grondeigenaar dat hij twee jaar na vestiging van het voorkeursrecht een nieuw (verlengings)besluit omtrent het voorkeursrecht ontvangt, gerespecteerd. Na verloop van de (verlengde) termijn vervalt het voorkeursrecht van rechtswege, tenzij volgens regels van de nieuwe Wvg een nieuw, opvolgend plan is gemaakt. Ingeval een voorkeursrecht, gevestigd op grondslag van een structuurvisie, korte tijd na inwerkingtreding van de Wro zal expireren, ontbreekt de tijd om tijdig een bestemmingsplan nieuwe stijl te kunnen vaststellen. Om dit te voorkomen is aan de tweede volzin een passage toegevoegd die voorziet in een extra verlenging van de termijn van een dergelijk tijdelijk voorkeursrecht met de tijd die maximaal nodig voor de vaststelling van een bestemmingsplan nieuwe stijl na de terinzagelegging van het bestemmingsplan in ontwerp, te weten achttien weken.

4.11. Artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet is vervolgens, zoals blijkt uit de Nota van Wijziging van 28 juni 2007 (Kamerstuk 2006-2007, 30938, nr. 8, Tweede Kamer) als volgt gewijzigd:

In de artikelen 9.4.1, eerste lid, en 9.4.2, eerste lid, komt de tweede volzin telkens te luiden: De termijn, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar waarbij de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen.

Ter toelichting op deze wijziging is in de Nota van Wijziging het volgende vermeld:

De termijn zoals die gold voor inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro wordt door de voorgestelde regeling geëerbiedigd. Gemeenten kunnen volgens hun planning de bestemmingsplanprocedure doorlopen en voortijdig vervallen van het voorkeursrecht voorkomen. Evenmin komt de grondeigenaar voor verrassingen te staan.

4.12. Artikel 9.4.1 lid 1 is hierna, zoals blijkt uit de Nota van Wijziging van 6 maart 2008 (Kamerstuk 2007-2008, 31295, nr. 7, Tweede Kamer) nog éénmaal gewijzigd in die zin dat de tekst is komen te luiden zoals de uiteindelijke tekst van artikel 9.4.1 lid 1 (zie 4.9). Ter toelichting op deze laatste wijziging is in de Nota van Wijziging van 6 maart 2008 het volgende vermeld:

In de artikelen 9.4.1, eerste lid, en 9.4.2, eerste lid, van de Invoeringswet Wro wordt een termijn van twee jaar, zo nodig met een jaar te verlengen, aangehouden voor de duur van een voorkeursrecht dat gebaseerd is op een structuurplan. Na deze termijn moet een bestemmingsplan zijn vastgesteld om dat voorkeursrecht te doen voortduren. Hierbij is abusievelijk over het hoofd gezien dat in de huidige Wet voorkeursrecht gemeenten wordt uitgegaan van het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan en niet het tijdstip van vaststelling van dat plan. Tussen de terinzage- legging en de vaststelling kan een periode van vijf maanden liggen. Thans is gebleken dat enige gemeenten in de problemen komen omdat zij in hun planning voor de totstandkoming van hun bestemmingsplannen van twee jaar en vijf maanden zijn uitgegaan. Deze voorgestelde wijziging voorziet dan ook in een aanvulling met vijf maanden.

4.13. Aan A c.s. kan worden toegegeven dat in de eerste volzin van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro is bepaald dat een besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden begrepen in een structuurplan wordt gelijkgesteld met een besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden begrepen in een structuurvisie.

A c.s. kan echter niet worden gevolgd in zijn stelling dat deze gelijkstelling, die is ingegeven om te voorkomen dat geldende voorkeursrechten opnieuw moeten worden gevestigd, meebrengt dat – in afwijking van het oude recht – de termijn waarvoor het voorkeursrecht geldt, aanvangt op het moment dat het structuurplan is vastgesteld.

Uit de in 4.10 tot en met 4.12 vermelde parlementaire geschiedenis in onderlinge samenhang bezien, volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de werkingsduur van voorkeursrechten die vóór 1 juli 2008 op grond van een structuurplan

zijn gevestigd, wordt geëerbiedigd. Het ligt gelet op deze bedoeling niet in de rede dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de in artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro genoemde termijn van twee jaar en vijf maanden aanvangt op het moment dat het structuurplan is vastgesteld. Dit zou namelijk tot gevolg hebben dat de werkingsduur van

het onder het oude recht gevestigde voorkeursrecht zou worden verkort in plaats van geëerbiedigd. Onder de Wvg (oud) gold namelijk dat deze termijn begon te lopen op het moment dat het besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden begrepen in een structuurplan was genomen (artikel 2 lid 4 Wvg (oud)).

4.14. Geconcludeerd wordt dat de stelling van A c.s. dat het op 20 maart 2008 door de gemeente IJsselstein gevestigde voorkeursrecht op grond van artikel 9.4.1 lid 1 Invoeringswet Wro van rechtswege is vervallen niet opgaat.

4.15. A c.s. heeft geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat het door de gemeente IJsselstein op 20 maart 2008 gevestigde voorkeursrecht is vervallen.

4.16. De vordering van A c.s. zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.17. A c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Blokhuis worden begroot op EUR 254,00 voor vast recht.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Blokhuis tot op heden begroot op EUR 254,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.AM.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.?