Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9228

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
26-08-2008
Zaaknummer
SBR 07-3574
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moment van ontstaan van het recht op ziekengeld in het kader van verrekening met toepassing van artikel 307, eerste lid, van de Faillissementswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/3574

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 29 juli 2008

in de zaak van

[S],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

het Uwv.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 21 juni 2007 (besluit I) heeft het Uwv eiseres meegedeeld zijn vordering op haar te verrekenen met haar uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 4 juli 2007 (besluit II) heeft het Uwv eiseres meegedeeld dat zij een aflossingscapaciteit heeft van € 40,80 per maand en dat, rekening houdend met haar overige kosten, € 20,00 per maand zal worden ingehouden op haar ZW-uitkering. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.

Bij zijn beslissing op het bezwaar van 15 november 2007 heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 juni 2007 ongegrond en tegen het besluit van 4 juli 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 24 juni 2008, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht.

Namens het Uwv is verschenen mr. M.W.L. Clemens, werkzaam bij het Uwv.

Overwegingen

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2007 (besluit I)

2.1 Bij besluit van 7 september 2006 heeft het Uwv een bedrag van € 4.923,20 aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van eiseres teruggevorderd. Het door eiseres tegen dit besluit gemaakt bezwaar is op 10 mei 2007 ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld.

2.2 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 februari 2007 heeft de rechtbank ten aanzien van eiseres de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen uitgesproken.

2.3 In het bestreden besluit heeft het Uwv overwogen dat recht op ziekengeld ontstaat bij het intreden van arbeidsongeschiktheid en eindigt wanneer de arbeidsongeschiktheid ophoudt te bestaan, of wanneer de maximale uitkeringsduur van twee jaar is bereikt. Nu de vordering op eiseres op grond van onverschuldigde betaling en het recht op de met ingang van 31 januari 2006 aan eiseres toegekende ZW-uitkering, beiden zijn ontstaan vóór dat eiseres op 7 februari 2007 is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, kan op grond van artikel 307, eerste lid, van de Faillissementswet (Fw) de vordering volgens het Uwv worden verrekend met de ZW-uitkering.

2.4 Eiseres betoogt dat een ZW-uitkering geen schuld is van het Uwv die is ontstaan voor dat zij op 7 februari 2007 tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten. Het recht op ZW-uitkering vloeit niet rechtstreeks voort uit de wet, maar ontstaat eerst op het moment dat het Uwv beslist heeft dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een ZW-uitkering is voldaan. Er is volgens eiseres geen sprake van een uitkering die maandelijks opeisbaar is zonder dat daarvoor een tegenprestatie behoeft te worden verricht.

2.5 Artikel 307, eerste lid, van de Fw luidt als volgt.

Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser is van de persoon ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, kan zijn schuld met zijn vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, slechts verrekenen indien beide zijn ontstaan vóór de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de ZW wordt het ziekengeld uitgekeerd over iedere dag van de ongeschiktheid tot werken, doch niet over de zaterdagen en de zondagen.

Ingevolge artikel 47 van de ZW wordt het ziekengeld zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die uitkering is vastgesteld, uitbetaald.

2.6 Tussen partijen is niet in geschil dat zowel de datum waarop de vordering van het Uwv op eiseres in verband met onverschuldigde betaling van ziekengeld is ontstaan en de datum waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden waarvoor eiseres thans een ZW-uitkering ontvangt, zijn gelegen vóór 7 februari 2007. Dit zo zijnde kan het Uwv zijn vordering met toepassing van artikel 307, eerste lid, van de Fw verrekenen met het recht van eiseres op ZW-uitkering, indien moet worden aangenomen dat vóór 7 februari 2007 voor eiseres een doorlopend recht op ZW-uitkering is ontstaan.

2.7 De rechtbank overweegt dat verlening van ZW-uitkering geen bevoegdheid is van het Uwv, maar een recht dat ontstaat indien wordt voldaan aan de betreffende wettelijke voorschriften, in het bijzonder aan dat van artikel 19, eerste lid, van de ZW.

Met het toekenningbesluit van 28 februari 2006 is vastgesteld dat eiseres met ingang van 31 januari 2006 een vordering op het Uwv heeft, maar daarmee staat de duur van die vordering nog niet vast. Het recht zal immers steeds opnieuw aan de wettelijke vereisten moeten voldoen. De arbeidsongeschiktheid is een ontstaansvereiste waaraan steeds moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een ZW-uitkering. De vordering van eiseres op het Uwv ontstaat daarom steeds per periode waarin sprake is van arbeidsongeschiktheid. Gezien het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de ZW leidt het voorgaande de rechtbank tot de conclusie dat het recht op ziekengeld steeds per dag ontstaat zolang de in de wet gestelde voorwaarde, te weten objectieve arbeidsongeschiktheid, is vervuld. Dat het Uwv maandelijks ziekengeld betaalt, laat het dagelijkse ontstaan daarvan onverlet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schuld van het Uwv in de vorm van de ZW-uitkering na 7 februari 2007 niet is ontstaan vóór 7 februari 2007.

2.8 In de verwijzing van het Uwv naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 juni 2004, nr. C03/063HR, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daar betrof het een in beginsel onvoorwaardelijk recht op maandelijkse uitkering ingevolge de Uitkeringswet van een gewezen militair, welk recht ontstaat zodra aan de gewezen militair ontslag is verleend. Dit is een andere situatie dan hier aan de orde waarbij het onstaansvereiste, het ziek zijn, moet zijn vervuld om dagelijks het recht te laten ontstaan.

2.9 Het Uwv heeft bij zijn besluit ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 307 van de Fw. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het besluit van 15 november 2007 in zoverre vernietigen. Nu het Uwv na 7 februari 2007 niet tot verrekening kan overgaan ziet de rechtbank aanleiding om in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in deze zaak te voorzien door het primaire besluit van 21 juni 2007 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2007 (besluit II)

2.10 Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat in bezwaar geen gronden zijn ingediend tegen het besluit tot vaststelling van de hoogte van het in te houden bedrag, reden waarom het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

2.11 Eiseres betoogt dat zij in bezwaar heeft aangevoerd dat ten onrechte is overgegaan tot verrekening door middel van inhouding op de uitkering, dat de beslagvrije voet niet in acht is genomen en dat over de maand juni de volledige uitkering is ingehouden.

2.12 De rechtbank is met eiseres van oordeel, zoals het Uwv ter zitting ook heeft erkend, dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres heeft immers wel degelijk gronden aangevoerd tegen het besluit van 4 juli 2007. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het besluit van 15 november 2007 ook ten aanzien van dit aspect vernietigen.

Nu de rechtbank hiervoor als haar oordeel heeft uitgesproken dat het Uwv na 7 februari 2007 niet tot verrekening kan overgaan, ziet de rechtbank eveneens aanleiding om in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in deze zaak te voorzien door het primaire besluit van 4 juli 2007, waarbij het Uwv de hoogte van het maandelijks met de ZW-uitkering te verrekenen bedrag heeft vastgesteld, te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak ook in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.13 De rechtbank ziet aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar (2 punten voor de bezwaarschriften tegen besluit I en besluit II) en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting), in totaal € 1.288,-. In verband met de verleende toevoeging onder nummer 4GQ1461 dienen deze kosten aan de griffier van de rechtbank te worden voldaan.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 15 november 2007,

3.3 herroept de primaire besluiten van 21 juni 2007 en 4 juli 2007,

3.4 bepaalt dat de deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.5 wijst het Uwv aan als rechtspersoon die het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan haar dient te vergoeden,

3.6 veroordeelt het Uwv in de proceskosten ten bedrage van € 1.288,- onder aanwijzing van het Uwv als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van de rechtbank moet voldoen.

Aldus vastgesteld door mr. R,P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2008.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.