Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9166

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
16-600070-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

282, 300, 302 sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600070-08

Datum uitspraak: 9 mei 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsman: mr. R.M. Maanicus.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 april 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken, met name het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel acht de rechtbank niet bewezen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bewust niet heeft doorgebeten. Dat de verdachte niet heeft doorgebeten blijkt tevens uit de foto’s van het letsel van aangeefster .

Voor wat de ten laste gelegde kopstoot betreft overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft naar zijn zeggen zich niet gerealiseerd dat hij aangeefster daardoor zwaar lichamelijk letsel kon toebrengen. De rechtbank ziet zich dus geplaatst voor de vraag of in casu het geven van een kopstoot wel moest leiden tot zwaar lichamelijk letsel.

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat terwijl verdachte op haar zat hij haar een kopstoot rechts boven op haar voorhoofd gaf . Op dat moment voelde zij geen pijn. Die voelde zij pas later. Verdachte heeft verklaard niet (meer) te weten of hij haar hard heeft geraakt . Volgens hem gaf hij die stoot staande.

Onder deze omstandigheden beantwoordt de rechtbank de vraag of in casu de door de verdachte gegeven kopstoot moet leiden tot zwaar lichamelijk letsel ontkennend.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze zoals hieronder is vermeld.

Ten aanzien van feit 1:

hij op 13 januari 2008 te Amersfoort, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte,

toen daar opzettelijk wederrechtelijk

- de autosleutels van die [aangever 1] in zijn broekzak gestopt en gehouden en

- die [aangever 1] bij haar bovenarm gepakt en vastgehouden en

- vervolgens de deur van zijn kamer afgesloten en

- die [aangever 1] een kopstoot gegeven en aan haar haren getrokken en

- de mobiele telefoon van die [aangever 1] kapot gegooid;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

1. hij op 13 januari 2008 te Nijkerkerveen, opzettelijk mishandelend

een persoon, te weten [aangever 1], in de wang heeft gebeten, waardoor deze [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden

2. hij op 13 januari 2008 te Amersfoort, opzettelijk mishandelend

een persoon, te weten [aangever 1], een kopstoot heeft gegeven en aan de haren heeft getrokken, waardoor deze [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden

Ten aanzien van feit 3 primair:

hij op 26 januari 2008 te Nijkerkerveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht een glas op/tegen het hoofd van die

[aangever 2] heeft gegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet voltooid;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de bewijsmiddelen vermeld in de ambtsedige processen-verbaal nrs. PL0940/08-00820 en PL0940/08-001544, alsmede op basis van de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

Ten aanzien van feit 1:

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 13 januari 2008 in Amersfoort tegen haar wil door de verdachte is opgesloten in de kamer van de verdachte. Hij heeft haar autosleutels in zijn broekzak gestopt en gehouden en heeft haar vervolgens bij haar arm vastgepakt waarna hij de deur op slot draaide. Aangeefster kreeg van de verdachte een kopstoot en hij heeft aan haar haren getrokken. Voorts heeft hij de mobiele telefoon van aangeefster kapot gegooid . De verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 13 januari 2008 in Nijkerkerveen door de verdachte in haar wang is gebeten, waardoor zij pijn voelde. De verbalisanten die de aangifte hebben opgenomen hebben op de wang van aangeefster een bijtwond waargenomen. Voorts heeft zij verklaard dat zij op 13 januari 2008 in Amersfoort van de verdachte een kopstoot kreeg en dat hij haar aan haar haren heeft getrokken, waardoor zij pijn voelde. De verbalisanten die de aangifte hebben opgenomen hebben op het hoofd van aangeefster een bult en diverse rode wondjes waargenomen . De verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Aangeefster [aangever 2] heeft verklaard dat een persoon op 26 januari 2006 in Nijkerkerveen in discotheek Starlight een bierglas tegen haar hoofd heeft gegooid . Voorts heeft zij verklaard daarvan pijn te hebben en daardoor een snee van drie á vier centimeter in haar hoofd te hebben opgelopen . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het glas met kracht heeft gegooid. Voorts heeft hij verklaard dat hij wist dat een bierglas gemakkelijk kapot gaat en dat hij iemand kon raken door met het glas te gooien.

Aangezien de verdachte in een volle discotheek met kracht een glas heeft gegooid is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij iemand met dit glas zou raken en dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Een glas gaat immers gemakkelijk kapot en de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer door de glasscherven zwaar wordt verwond, zoals bijvoorbeeld ernstig oogletsel.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3 primair:

poging tot zware mishandeling

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 3 primair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering ook als dat inhoudt training/behandeling bij De Waag of een andere instelling voor zo lang als de reclassering dat nodig acht.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als voren overwogen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandelingen van zijn toenmalige vriendin. Door aldus te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van zijn toenmalige vriendin. Daarnaast heeft hij zich, tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, wederom schuldig gemaakt aan een agressiedelict door een glas te gooien in een volle discotheek. Door aldus te handelen heeft hij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 januari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 10 april 2008, opgemaakt door M. Tijhuis, reclasseringswerker.

De Reclassering acht de kans op recidive van een agressiedelict aanwezig, met name omdat verdachte onbeheerst agressief reageert als hij boos wordt. Verdachte heeft volgens de reclassering onvoldoende zicht op zijn agressie en relatieprobleem. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met een verplicht reclasseringscontact inhoudende een agressiebehandeling bij De Waag.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 8 april 2008 van drs. R. Bout, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, maar er was wel sprake van een beperkte frustratietolerantie en een matige impulscontrole, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 55, 57, 63, 282, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 75 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd een training of behandeling bij De Waag of een andere instelling volgt.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S.K. Bouwman, E.F. Bueno en L.M.G. de Weerd, bijgestaan door S.L.D. Marx als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2008.

Mr. Bouwman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.