Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9165

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
16/600251-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling en poging tot verkrachting van levensgezel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/600251-08 en 16/505899 (TUL)

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwegein

te Nieuwegein.

Raadsvrouw: mr. W.J. de Vries-Mulder, advocaat te Amersfoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 februari 2008 tot en met 23 februari 2008 te Utrecht (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [aangever 1], meerdere malen, althans eenmaal, in haar gezicht en/of tegen haar nek en/of haar armen en/of haar hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en/of tegen haar rug en/of haar achterwerk, althans tegen haar lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of die [aangever 1] een kopstoot heeft gegeven, waardoor deze Van der [aangever 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2008 tot en met 23 februari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat ze kon kiezen of ze met geweld, of zonder geweld seks met hem wilde hebben, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de keel/hals van die [aangever 1] (met twee handen) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- de broek van die [aangever 1] naar beneden heeft getrokken en/of

- een kussen tegen/in het gezicht van die [aangever 1] heeft geduwd/gehouden

en/of (vervolgens)

- zijn penis tegen de vagina en/of het dijbeen van die [aangever 1] heeft gehouden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als hierna vermeld.

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de bewijsmiddelen vermeld in het ambtsedig proces-verbaal met dossiernummer PL0981/08-003455 en PL0915/08-003455A, alsmede op de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

De aangeefster, [aangever 1], heeft in haar aangifte verklaard dat zij met de verdachte samenwoont . De aangeefster heeft verder verklaard dat de verdachte haar op 22 februari 2008 met zijn vuist een klap in haar gezicht gaf . De aangeefster voelde hierdoor pijn. Voorts heeft de aangeefster verklaard dat de klap zo hard was dat zij op de grond terecht kwam en dat de verdachte haar daarop een schop in haar rug en daarna op haar achterwerk gaf. Ook hierdoor voelde de aangeefster pijn. De aangeefster heeft vervolgens verklaard dat de verdachte haar in de nacht van 22 februari 2008 op 23 februari 2008 een kopstoot heeft gegeven . De aangeefster voelde hierdoor pijn. Vervolgens heeft de aangeefster verklaard dat er een worsteling ontstond, waarbij de verdachte zei dat hij haar voor het laatst nog wilde neuken . De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar met zijn vuist tegen haar hoofd sloeg en dat dit met zoveel kracht gebeurde dat zij op de grond terecht kwam, waarop de verdachte haar een trap in haar rug gaf . Dit deed de aangeefster erg veel pijn.

Later die nacht probeerde de verdachte, zo heeft de aangeefster verklaard, de broek van de aangeefster uit de trekken . De verdachte zei daarbij dat de aangeefster kon kiezen: met geweld of zonder geweld. De aangeefster begreep dat de verdachte seks met haar wilde. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte op een gegeven moment met twee handen haar keel dichtkneep . Vervolgens heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte een kussen in haar gezicht duwde. De aangeefster voelde vervolgens dat de verdachte zijn penis in haar vagina wilde brengen, de aangeefster voelde namelijk dat de verdachte met zijn stijve penis tegen haar dijbeen aanzat.

Uit medische informatie blijkt dat de aangeefster onder meer twee bloeduitstortingen in haar hals had, een aantal bloeduitstortingen op haar borst had en op haar linker bovenarm, haar rechterbeen en op haar onderrug .

De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte de aangeefster heeft geslagen en getrapt, van voren en van achteren, en dat de verdachte heeft geprobeerd de aangeefster te verkrachten .

De getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de partner van de verdachte, in een gesprek op 26 februari 2008 waarbij de verdachte, zijn partner, de heer [getuige 3] en de getuige aanwezig waren, heeft verteld dat zij ernstig mishandeld en verkracht was door de verdachte . De getuige heeft toen gezien dat de aangeefster onder de blauwe plekken zat.

De getuige [getuige 3] was ook bij het hiervoor genoemde gesprek aanwezig en heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de vriendin van de verdachte in dat gesprek vertelde dat de verdachte haar geslagen had, haar een kussen op haar gezicht gedrukt had waardoor ze bijna stikte en haar verkracht had . Vervolgens heeft de getuige verklaard dat de verdachte het in eerste instantie probeerde te bagatelliseren, maar dat hij, nadat zijn vriendin zei dat hij er niet over moest gaan liegen, zei dat hij dat ook niet moest doen en dat het waar was.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op 22 februari 2008 veel gedronken had en dat hij het zich niet goed kan herinneren wat er allemaal is gebeurd, maar dat hij nog wel weet dat het uit de hand gelopen is.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij weet dat hij zijn vriendin heeft geslagen, nadat hij drugs had gebruikt en had gedronken . Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij het zich kan herinneren dat hij zijn vriendin heeft geschopt, op haar achterwerk . Tevens heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij zijn vriendin heeft geslagen, haar keel heeft dichtgehouden en haar twee keer heeft geschopt toen ze op de grond was gevallen en haar daarbij op haar rug en haar achterwerk heeft geraakt . Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat het verhaal van de aangeefster wel kan kloppen en dat hij er niet helemaal bij was met zijn hoofd .

De rechtbank acht gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 22 februari 2008 tot en met 23 februari 2008 te Utrecht opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [aangever 1], in haar gezicht en/of tegen haar hoofd heeft gestompt en/of geslagen en tegen haar rug en haar achterwerk heeft geschopt en/of getrapt en die [aangever 1] een kopstoot heeft gegeven, waardoor deze [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

in de periode van 22 februari 2008 tot en met 23 februari 2008 te Utrecht, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat ze kon kiezen of ze met geweld, of zonder geweld seks met hem wilde hebben en

- de keel van die [aangever 1] met twee handen heeft dichtgeknepen en

- de broek van die [aangever 1] naar beneden heeft getrokken en

- een kussen in het gezicht van die [aangever 1] heeft geduwd en (vervolgens)

- zijn penis tegen het dijbeen van die [aangever 1] heeft gehouden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot verkrachting.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het ondergaan van een behandeling, en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich onthoudt van enig contact met het slachtoffer, zolang de reclassering dat nodig acht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Tevens heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 9 mei 2006 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn vriendin, nadat hij cocaïne had gebruikt en alcoholhoudende drank had genuttigd, geslagen, geschopt en een kopstoot gegeven. Ook heeft de verdachte geprobeerd zijn vriendin te verkrachten. De verdachte heeft zijn vriendin voor de keuze gesteld: met geweld of zonder geweld, waarna hij haar keel heeft dichtgeknepen, haar broek naar beneden heeft getrokken en een kussen in haar gezicht geduwd. Vervolgens heeft de verdachte zijn penis tegen het dijbeen van zijn vriendin gehouden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De verdachte heeft door zo te handelen bij het slachtoffer pijn en lichamelijk letsel veroorzaakt en ook psychisch leed in de zin van angstgevoelens opgeroepen, te meer nu een en ander in de relationele sfeer en in de eigen woning heeft plaatsgevonden. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

-de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 juli 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten;

-een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 2 juni 2008, opgemaakt door B.H.V. Dölle, reclasseringswerker;

-een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 23 april 2008, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, te weten een bedrag van € 800,- wegens immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij aangetoond dat in ieder geval tot een bedrag van € 600,- schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige acht de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 9 mei 2006 is de verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de tijd van 1 week, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een akte is de kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op 7 juli 2006 in persoon betekend. Uit deze kennisgeving blijkt dat de proeftijd is ingegaan op 22 juli 2006.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten de hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week gelasten.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 45, 57, 242, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot VIJF MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde (één of meer van) na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, ook als dat inhoudt een behandeling bij Centrum Maliebaan, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van elk direct en/of indirect contact met [aangever 1]door middel van woord en/of geschrift en/of elektronische communicatiemiddelen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te Utrecht, ten dele toe tot een bedrag van € 600,- (zegge zeshonderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 600,- (zegge zeshonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Ten aanzien van parketnummer 16/505899-05:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, groot 1 week, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 9 mei 2006.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Bender, L. Bakker-Splinter en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2008.

Mr. L. Bakker-Splinter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.