Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9151

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
16-600482-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

drugsdeal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600482-07

Datum uitspraak: 25 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres].

Raadsman: mr. A.J.M. van Roy, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 juli 2007, 21 september 2007, 10 december 2007, 7 maart 2008 en 11 april 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 april 2007 te Utrecht tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

De bewezenverklaring

Op 25 april 2007 wordt verdachte, samen met vier mede-verdachten, op de Rooseveltlaan te Utrecht aangehouden door de politie . Door het observatieteam is even daarvoor gezien dat de vijf verdachten op de Rooseveltlaan arriveren in twee auto's . Vervolgens wordt door het observatieteam waargenomen dat verdachte [medeverdachte 1] een grijs met zwarte tas met rode hengsels van verdachte [medeverdachte 2] krijgt en daarmee naar de Bontekoelaan loopt. Ook wordt gezien dat verdachte [medeverdachte 3] een lichtkleurige tas vasthoudt en daarmee samen met verdachte [medeverdachte 4] ook naar de Bontekoelaan loopt. Verder wordt gezien dat verdachte samen met verdachte [medeverdachte 2] bij de auto's blijft.

Vervolgens wordt gezien dat verdachte [medeverdachte 1] een portiek aan de [adres] binnengaat. Ruim tien minuten later zien de observanten dat verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] uit datzelfde portiek komen en weer naar de twee geparkeerd staande auto's lopen. Gezien wordt dat verdachte [medeverdachte 1] de grijs met zwarte tas met rode hengsels in een Volkswagen Polo, met kenteken [kenteken], legt en dat verdachte [medeverdachte 4] de lichtkleurige tas in een Peugeot 206, met kenteken [kenteken], legt.

De twee auto's waarmee de vijf verdachten naar de Rooseveltlaan zijn gekomen, zijn onderzocht. Daarbij werd in de Volkswagen Polo, met kenteken [kenteken], in een grijs met zwarte tas met rode hengsels, vier kilo cocaïne aangetroffen . In de Peugeot 206, met kenteken [kenteken], zijn twee plastic tassen aangetroffen met daarin een groot geldbedrag .

Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm en mede gelet op de in de beide auto's aangetroffen spullen, is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een drugsdeal, waarbij de daadwerkelijke overdracht van de drugs heeft plaatsgevonden in een pand achter voornoemde portiek aan de [adres].

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze onderzoeksresultaten in beginsel de conclusie dat alle vijf de verdachten betrokken zijn bij deze drugsdeal.

De rechtbank vindt daarvoor steun in het volgende.

In de dagen voorafgaand aan het onderhavige feit is een aantal telefoongesprekken gevoerd tussen verschillende medeverdachten. In het telefoongesprek op 23 april 2007 , tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 4], is door verdachte [medeverdachte 4] medegedeeld dat er (weer) "iets" beschikbaar is. Verdachte [medeverdachte 2] reageert daarop met de mededeling dat hij "op dit moment geen papier" heeft. In het telefoongesprek op 24 april 2007 tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 3] wordt gesproken over de prijs. Op 25 april 2007 wordt in het telefoongesprek tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 4] gesproken over "4 euro" waarmee de vriend van verdachte [medeverdachte 4] moet komen, en verdachte [medeverdachte 2] deelt daarop mede dat hij zo "papier" zal krijgen van een jongen en dat het wel "hard" moet zijn.

De rechtbank gaat ervan uit dat met "4 euro" 4 kilo cocaïne wordt bedoeld, met "papier" geld en dat "hard" de gewenste kwaliteit van de cocaïne betreft.

De rechtbank overweegt verder nog dat op 25 april 2007, ongeveer 10 minuten vóór het tijdstip waarop door het observatieteam wordt gezien dat de twee genoemde auto's op de parkeerplaats aan de Rooseveltlaan arriveren, in het telefoongesprek tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 3], door [medeverdachte 3] wordt gezegd: "achtervolg ons". De rechtbank leidt hieruit af dat de twee auto's met de vijf verdachten niet toevallig naast elkaar op de Rooseveltlaan te Utrecht geparkeerd stonden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 25 april 2007 vanuit Amsterdam naar Utrecht was gegaan omdat zijn oom, verdachte [medeverdachte 4], hem had gebeld, had gezegd dat hij boodschappen had gedaan en had gevraagd of verdachte naar Utrecht wilde komen om boodschappen op te halen . Voorts heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij in Utrecht was aangekomen, bij zijn oom, [medeverdachte 4], in de auto (de Peugeot 206) is gestapt en dat in die auto ook, de voor hem onbekende, verdachte [medeverdachte 2] zat. Tevens heeft hij verklaard dat zij ongeveer 20 meter verder reden en de auto vervolgens op een parkeerplaats naast de Volkswagen Polo hebben geparkeerd. Verdachte heeft ook verklaard dat hij gezien heeft dat verdachte [medeverdachte 2] een grijs met zwarte tas gaf aan één van de twee personen die uit de Volkswagen Polo waren gestapt. Verdachte heeft verklaard niet te hebben geweten dat er drugs in de grijs met zwarte tas zaten.

Ter terechtzitting van 11 april 2008 is door de raadsman van verdachte bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aangezien er geen enkel direct bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte op de hoogte zou zijn geweest van de drugstransactie, een en ander zoals weergegeven in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota.

De rechtbank overweegt echter dat verdachte, toen hij in Utrecht zijn oom, verdachte [medeverdachte 4], ontmoette, niet direct de boodschappen van zijn oom heeft overgenomen en in zijn eigen auto heeft geplaatst, maar dat hij bij zijn oom in de auto is gestapt om vervolgens slechts 20 meter verder op een parkeerplaats anderen te ontmoeten. Ook daar zijn, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van observatie, geen boodschappen overhandigd.

De rechtbank is van oordeel dat deze gebeurtenissen naar hun uiterlijke verschijningsvorm geen handelingen zijn waaruit blijkt dat er boodschappen zouden worden overgedragen. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte over de reden van zijn aanwezigheid ter plekke ongeloofwaardig.

Op die parkeerplaats aan de Rooseveltlaan te Utrecht gaan drie van de vijf verdachten, verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], een portiek van een flat binnen en verdachte blijft samen met verdachte [medeverdachte 2] achter bij de auto's. Verdachte heeft weliswaar verklaard deze man, verdachte [medeverdachte 2], niet te kennen , maar uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer van verdachte [medeverdachte 2] in de telefoon van verdachte staat .

Bovendien heeft de oom van verdachte, verdachte [medeverdachte 4], bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte en hij elkaar in Utrecht troffen nog voordat hij boodschappen had gedaan. Voorts heeft verdachte [medeverdachte 4] verklaard dat toen hij terugkwam van het boodschappen doen, verdachte [medeverdachte 2] met verdachte bij zijn (geleende) auto stond te wachten. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte en verdachte [medeverdachte 2] elkaar wel degelijk kenden.

Uit een en ander volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat verdachte met het oog op de drugsdeal ter plekke aanwezig was en daarbij ook een rol had te vervullen. In dit verband acht de rechtbank het van belang dat het een feit van algemene bekendheid is dat het niet ongebruikelijk is dat bij transacties van grote hoeveelheden drugs, zoals in casu het geval is, bewaking nodig is met het oog op mogelijke rip-deals.

Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven over zijn specifieke rol in deze deal, terwijl dat, mede vanwege de grote hoeveelheid overgedragen drugs en de specifieke gang van zaken, wel voor de hand had gelegen.

Gelet hierop en mede in acht genomen het feit dat verdachte de neef is van een van de bij de drugsdeal zeer actief betrokken verdachten (verdachte [medeverdachte 4]) en tevens bekend was met een eveneens zeer actief betrokken andere medeverdachte (verdachte [medeverdachte 2]), is de rechtbank van oordeel dat verdachte een rol van betekenis heeft vervuld bij onderhavige drugsdeal.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 april 2007 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 4000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat. Daaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking, dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van alle met betrekking tot deze drugsdeal verrichte handelingen.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het inbeslaggenomen voorwerp vermeld onder nummer 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen wordt teruggegeven aan de verdachte en dat het inbeslaggenomen voorwerp vermeld onder nummer 2 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen wordt verbeurd verklaard.

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk handelen in een grote hoeveelheid harddrugs.

Drugshandel is een noodzakelijke voorwaarde voor en draagt bij aan het gebruik van verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor ook het plegen van vermogensdelicten door de gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, wordt bevorderd. Door aldus te handelen heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 maart 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor het plegen van een andersoortig strafbaar feit.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Het inbeslaggenomen voorwerp onder nummer 2 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal worden verbeurdverklaard, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en dit voorwerp tot het begaan van het misdrijf was bestemd.

Bij de vaststelling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp onder nummer 1 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan de verdachte.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 3 JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp vermeld onder nummer 2 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp vermeld onder nummer 1 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Krol, J.M. Eelkema en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 april 2008.