Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9148

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
16-600481-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

drugsdeal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600481-07

Datum uitspraak: 25 april 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Locatie Nieuwegein

te Nieuwegein.

Raadsman: mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 juli 2007, 21 september 2007, 10 december 2007, 7 maart 2008 en 11 april 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 april 2007 te Utrecht opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het ten laste gelegde ter terechtzitting toegestaan, in dier voege dat in regel 1 na "Utrecht" dient te worden ingevoegd: "tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen".

De bewezenverklaring

Op 25 april 2007 wordt verdachte, samen met vier mede-verdachten, op de Rooseveltlaan te Utrecht aangehouden door de politie . Door het observatieteam is even daarvoor gezien dat de vijf verdachten op de Rooseveltlaan arriveren in twee auto's . Vervolgens wordt door het observatieteam waargenomen dat verdachte [medeverdachte 1] een grijs met zwarte tas met rode hengsels van verdachte [medeverdachte 2] krijgt en daarmee naar de Bontekoelaan loopt. Ook wordt gezien dat verdachte [medeverdachte 3] een lichtkleurige tas vasthoudt en daarmee samen met verdachte ook naar de Bontekoelaan loopt. Verder wordt gezien dat verdachte [medeverdachte 4] samen met verdachte [medeverdachte 2] bij de auto's blijft.

Vervolgens wordt gezien dat verdachte [medeverdachte 1] een portiek aan de [adres] binnengaat. Ruim tien minuten later zien de observanten dat verdachte en verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] uit datzelfde portiek komen en weer naar de twee geparkeerd staande auto's lopen. Gezien wordt dat verdachte [medeverdachte 1] de grijs met zwarte tas met rode hengsels in een Volkswagen Polo, met kenteken [kenteken], legt en dat verdachte de lichtkleurige tas in een Peugeot 206, met kenteken [kenteken], legt.

De twee auto's waarmee de vijf verdachten naar de Rooseveltlaan zijn gekomen, zijn onderzocht. Daarbij werd in de Volkswagen Polo, met kenteken [kenteken], in een grijs met zwarte tas met rode hengsels, vier kilo cocaïne aangetroffen . In de Peugeot 206, met kenteken [kenteken], zijn twee plastic tassen aangetroffen met daarin een groot geldbedrag .

Ter terechtzitting van 11 april 2008 heeft verdachte verklaard zich te herkennen op de foto's behorende bij het proces-verbaal van observatie, d.d. 27 april 2007 , als NN2.

Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm en mede gelet op de in de beide auto’s aangetroffen spullen, is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een drugsdeal, waarbij de daadwerkelijke overdracht van de drugs heeft plaatsgevonden in een pand achter voornoemde portiek aan de [adres].

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze onderzoeksresultaten in beginsel de conclusie dat alle vijf de verdachten betrokken zijn bij deze drugsdeal.

De rechtbank vindt daarvoor steun in het volgende.

In de dagen voorafgaand aan het onderhavige feit is een aantal telefoongesprekken gevoerd tussen verschillende medeverdachten. In het telefoongesprek op 23 april 2007 , tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte, is door verdachte medegedeeld dat er (weer) "iets" beschikbaar is. Verdachte [medeverdachte 2] reageert daarop met de mededeling dat hij "op dit moment geen papier" heeft. In het telefoongesprek op 24 april 2007 tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 3] wordt gesproken over de prijs. Op 25 april 2007 wordt in het telefoongesprek tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte gesproken over "4 euro" waarmee de vriend van verdachte moet komen, en verdachte [medeverdachte 2] deelt daarop mede dat hij zo "papier" zal krijgen van een jongen en dat het wel "hard" moet zijn.

De rechtbank gaat ervan uit dat met "4 euro" 4 kilo cocaïne wordt bedoeld, met "papier" geld en dat "hard" de gewenste kwaliteit van de cocaïne betreft.

Uit de telefoongesprekken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte een actieve rol heeft vervuld in de (toen nog ophanden zijnde) drugsdeal, namelijk die van aanbieder en verkoper van de harddrugs.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 11 april 2008 verklaard dat deze gesprekken over (mobiele) telefoons gingen. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat er op een dergelijke manier over telefoons wordt gesproken. Bovendien gaat de rechtbank er van uit dat, wanneer de gesprekken over telefoons zouden gaan, geen gebruik hoeft te worden gemaakt van dergelijk versluierd taalgebruik.

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting van 11 april 2008 verklaard dat hij op 25 april 2007 in Utrecht aanwezig was om een telefoon aan verdachte [medeverdachte 2] te geven. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. In de auto waarmee verdachte reed is weliswaar een mobiele telefoon in een doos aangetroffen , maar in diezelfde auto heeft verdachte samen met verdachte [medeverdachte 2] aan wie de telefoon gegeven zou worden, gezeten. Verdachte had dan niet naar de bewuste parkeerplaats hoeven ter rijden, waar de vijf verdachten elkaar hebben ontmoet.

De rechtbank merkt daarenboven nog op dat, ook al zou verdachte inderdaad in Utrecht aanwezig zijn geweest om (ook) een telefoon aan medeverdachte [medeverdachte 2] te geven, dit niet hoeft weg te nemen dat verdachte daarnaast ook voor het hem thans ten laste gelegde feit ter plekke aanwezig was. Bovendien is verdachte, zo blijkt ook uit de hierboven beschreven feitelijke gang van zaken, aanwezig geweest bij de daadwerkelijke overdracht van de drugs.

De rechtbank overweegt verder nog dat op 25 april 2007, ongeveer 10 minuten vóór het tijdstip waarop door het observatieteam wordt gezien dat de twee genoemde auto's op de parkeerplaats aan de Rooseveltlaan arriveren, in het telefoongesprek tussen de telefoonnummers in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 3], door [medeverdachte 3] wordt gezegd: "achtervolg ons". De rechtbank leidt hieruit af dat de twee auto's met de vijf verdachten niet toevallig naast elkaar op de Rooseveltlaan te Utrecht geparkeerd stonden.

Anders dan de verdediging, hecht de rechtbank waarde aan de observatie dat vanuit de Peugeot 206 de grijs met zwarte tas met rode hengsels een portiek is binnengebracht en vervolgens een kwartier later vanuit dat portiek naar de Volkswagen Polo is gebracht, waarna in die tas de verdovende middelen zijn aangetroffen. De rechtbank gaat er derhalve niet van uit dat de verdovende middelen reeds in het pand aanwezig waren, maar door (een van) de verdachten zijn meegebracht.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 25 april 2007 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 4000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat. Daaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking, dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van alle met betrekking tot deze drugsdeal verrichte handelingen.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 1, 2 en 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte en dat de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 4, 5, 6 en 7 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurd verklaard.

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk handelen in een grote hoeveelheid harddrugs. Verdachte heeft daarbij een actieve rol vervuld.

Drugshandel is een noodzakelijke voorwaarde voor en draagt bij aan het gebruik van verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor ook het plegen van vermogensdelicten door de gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, wordt bevorderd. Door aldus te handelen heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd.

De rechtbank laat in het voordeel van de verdachte meewegen dat uit het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 maart 2008 blijkt dat hij recentelijk niet is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Ten nadele van de verdachte overweegt de rechtbank echter dat de rechtbank ervan uit gaat dat verdachte als leverancier van de verdovende middelen is opgetreden. Mede gelet hierop kan met de door de officier van justitie gevorderde straf niet worden volstaan en zal aan de verdachte een hogere straf wordt opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4, 5, 6 en 7 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen tot het begaan van het misdrijf waren bestemd.

Bij de vaststelling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1, 2 en 3 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan de verdachte.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 4, 5, 6 en 7 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 1, 2 en 3 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Krol, J.M. Eelkema en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 april 2008.